Margaret Bourke-White

 Toen het concentratiekamp Buchenwald bevrijd werd door de Amerikaanse troepen hadden die in hun gevolg twee vrouwelijke fotografen. In uniform: Margaret Bourke-White en Lee Miller.

 De foto's en het erbij geschreven verslag van Bourke-White (1904-1971) zijn nog gebruikt bij het proces tegen de Nazileiders in Neurenberg.

 Wie was waar wanneer? Met een geladen camera? Bourke-White was overal. Wat er dan gebeurde zie je pas bij beter kijken. Niet alleen zijn haar foto's uitgelicht, haarscherp en het tegendeel van snapshots, het zijn composities die vaak veel weghebben van groepsportretten uit de schilderkunst.

 Bourke-White kreeg niet alleen toegang tot historische plaatsen, ze kon de personages daar ook regisseren. Zodat wat ze deden, hoe ze erbij stonden, wel spontaan leek en niet geposeerd. Een camera, met een vrouw er achter, zeer afleidend, maar toch overtuigt wat je foto na foto in het Haags Fotomuseum ziet. De werkelijkheid betrapt, is de suggestie.

 Mooi (haar regie?) is Stalin. Op een - afgekeurde - foto kijkt hij recht in de lens en zie je opeens een nogal gewone, kleine man. Op de volgende take, die op de cover van LIFE kwam: dezelfde kop, maar dan van onderen, kin vooruit, als heerser. Bij Churchill ging het andersom. Daar kreeg zijn secretaresse opdracht uit alle opnamen juist de meest menselijke te kiezen en niet die waar hij als staatsman poseerde.

 Wat je ook bijblijft: niemand, geen kind, geen volwassene, lacht. Niet in het Rusland, Duitsland of Amerika van de jaren '30. Alleen als er opdracht tot gemoedelijkheid is wordt er gelachen. En de rijken. Die lachen.

Jotie T'Hooft (1956-1977)

 Werd maar 21 jaar oud. Maar in die paar jaar heeft hij onwaarschijnlijk veel geschreven en belezen was hij ook. Niettemin is over zijn junkieleven eindeloos gepubliceerd en over zijn poëzie en proza weinig en niet best.

 Terwijl de junk T'Hooft een van de zeer weinigen is die erin slaagt zijn toestand werkelijk goed vorm te geven, zo dat er eigenlijk twee Jotie T'Hoofts waren, de junk en de schrijver die hem beschreef. Dat wist hij bliksems goed want hij was uitzonderlijk intel­ligent. Zodat je in zijn werk vaak die twee figuren tegenkomt: het reddeloze geval en de toeziende, beschouwende 'vriend'. Zo ook in 'Het jaar donderdag' titelverhaal van een door hem persklaar gemaakte maar bij zijn leven nooit verschenen bundel, die zo begint:

 'Enige jaren geleden toen alles nog rustig was en de dagen loom als zomerse koeien aan elkaar schoven had ik een vriend wiens grootste vertier erin bestond op een met drek besmeurde zolder in een spiegel te zitten staren mompelend: wat ben ik mooi. Is dat zo, nu mijn handen woeliger mijn haren langer mijn ogen stommer mijn woorden harder mijn tranen heter mijn kussen dieper mijn lul groter mijn broeken smaller mijn gedachten grijzer zijn geworden (...)

En dat eindigt met een beschouwing over de dagen van de week: 'soms trouwde ik en soms weer niet. het was een gek jaar dat jaar, met al die donderdagen.' 

Tags: 

Moeder doen?

 Volgende week zaterdag is de Vorlesebühne weer in Utrecht in de Molen. Motto: Moeder doen. Frank Starik is er, Sylvia Hubers en natuurlijk Berhard Christiansen. En ik, met onder meer dit:

'Mijn moeder zag ik laatst op een dijkje. Ze kwam heel voor­zichtig eens kijken, begreep ik. Ik moest haar niet aan het schrikken maken. Ze zal nog wel weer terugkomen. Moeder doen? Mijn moeder deed mij. Ze stierf in 1995. En nog doet ze me.

 De laatste keer verscheen ze in een licht geparfumeerde droom. Op een dijkje. Het mistte, maar de zon kwam er al doorheen, zodat ze oplichtte. Ze droeg wel haar gabardine jas maar met een vermiljoenen zijden sjaal die ik niet kende. Ik zette twee stappen en kwam vlak bij haar. Ze was zoals ik haar nooit gekend had. Mooi, als op vooroorlogse foto's. Ik wist het, eens was ze een mooi meisje. Ik kuste haar. Voelbaar, als een geliefde.

 'Niet doen,' zei ze. 'Doe maar liever niet.'  Maar op een toon die veel open liet. Ik aarzelde.

 'Ik moet weer gaan,' zei ze. En verdween. In de halfslaap daarna wist ik het weer 'ik had met haar moeten trouwen'. Dit is nu bijna twintig jaar geleden. En nog denk ik ‑ kijkend naar foto's van ons twee: 'Vrouwen baren een zoon om later mee te trouwen. Waarom anders.' 

 De mythe van Oedipus spreekt de waarheid. Mijn vader haatte me, heeft nog geprobeerd om me om zeep te brengen. Maar vergeefs.

 

Ketter

 Een grotere bron van onheil dan het geloof in woorden is moeilijk te verzinnen. Morgen verschijnt 'Een licht dat schijnt in duistere plaatsen' (1668), het ver­nietigde laatste boek van de 'ketter' Adriaan Koerbagh.

 Wie de nu in moderne taal overgebrachte tekst leest maakt mee hoe een heldere schrijver en denker in de 17de eeuw de bijbel leest en vraagtekens in de kantlijn zet. Hoe is het vertaald? Waar komen woorden als duivel, engel, hemel en hel eigenlijk vandaan en hoe verkregen ze hun onaantastbare betekenis. Wie - als voorloper van de verlichting - zulke vraagtekens zette bij het leergezag van de Gereformeerde kerk liep groot gevaar. Was die kerk trouwens eigenlijk zo 'hervormd'? Koerbagh zag weinig verschil met het katholicisme. Hij wantrouwt alle kerkelijke organisaties en hun patent op de uitleg van de Schrift. Zijn vriend Spinoza ging hem voor: God en de natuur zijn voor beiden een en het zelfde wezen. Zie ook het klassieke 'Het woord is aan de onderkant van Inger Leemans'. 

 Neem het Hebreeuwse woordje Satan, zegt Koerbagh. Dat betekent tegenstander of opponent, Maar in onze bijbel staat niet 'opponent' het woord blijft onvertaald. Tendentieus of onvertaald, zoals vaak. En zo worden 'dwalende leraren' bij Judas duivels en zo meer. Kortom, de bijbel is zomaar een boek, net als Tijl Uilenspiegel, dat vol onwaarheden staat en beweringen die tegen alle logica indruisen. Hoe pasten al die dieren in Noachs ark? En, psalmen waren vaak tegelijk wereldse, ontuchtige liedjes. 

 Het vonnis luidde dat Koerbaghs tong op het schavot voor het stadhuis 'met een gloeiende priem doorstoken' zou worden en zijn rechterduim afgehakt. Maar dat gebeurde net niet.  Een jaar later stierf deze lezer in het Amsterdamse Rasphuis. 

 

 

De daken

 Kelders en zolders kennen wij maar geen platte betonnen daken, waar de dingen zich werkelijk afspelen, vooral s'nachts. De Arabische lente is voorbij.

 The Rooftops van Merzak Allouache, openingsfilm van het Cinema Arabe fes­tival bleek een meesterlijk mozaiek. Van de pleinen ging hij naar de daken. Waar zich vijf verhalen afspelen die binnen een enkele lange dag en nacht samen genadeloos bloot­leggen hoe men leeft in Al­g­erije. Van extreem crimineel geweld, diepe wanhoop en zelfmoord - het meisje afgetuigd op een dakte­rras waar ze niet levend vandaan zal komen - als alle­daagse praktijk, tot opris­pingen van jihadisme, vlotweg afgewisseld met drugshan­del.

 Weerkerende figuur is een oude oom, door familie opgesloten in een vergrendeld houten hok waar hij niet uit wil. Gek geworden in de burgeroorlog van 1996. Zo gaat daar man­telzorg.

 In heel de film zit geen seconde folklore, zodat je het huwelijk - met oude mannen-muziek - waarmee de film eindigt alleen maar als bittere ironie kunt zien. Allouache was er zelf vanavond en vertelde dat hij The Rooftops in elf dagen had moeten opnemen. Altijd haast. Maar hij kwam weg, met een gave, uitgewogen film. Nog tot en met zondag draaien er dertig Arabische films in Rialto Amste­rdam. 

Schoffel

 Onder de gereedschappen neemt de schoffel een bescheiden plaats in. Is hij wel zo nodig? Je kunt aarde immers ook uitscheppen met een spade en platslaan met de achterkant ervan. Maar nee. Het nieuwe nummer van het Tijdschrift Terras gaat louter over 'dingen'. Een van de opgenomen Dingegedichten van de Chinees Yu Jian heet 'voorval: bestrating'. En zie, daar, op het slot, daar is ie:

 'de schoffel is een fantastisch ding  je kunt er alles mee uitgra­ven  vlak maken  wat hoog was verlagen  kuilen opvullen tot de plek vlak is  op een aantal plaatsen  die zich precies binnen de maatstaven van de verbeelding van het plan bevinden  moet toch worden gegraven  en losgemaakt  hun vlakheid is namelijk niet de vlakheid  zoals in het ontwerp

 alleen op die manier  kan volledig  en grondig  kwaliteitsaanleg worden gewaarborgd 

 driehonderdduizend mieren gaan dood  eenenzeventig muizen  een slang

 stenen met verschillende graden van hardheid worden verplaatst  om gaten van ongelijk kaliber te vullen

 laag na laag komen er kiezels  zand  cement en asfalt overheen

 en daarna  drukt de wegwals alles plat  zoals een krant die wordt gedrukt  het werk is voltooid  dit is nu een weg  zwart  glanzend als glas

(...)

 Vertaald door Jan de Meyer. Op vrijdag as 16 mei is Jian in Perdu bij de presentatie.   

Monument

 Waarom is het Nationaal Monument van J.J.P. Oud met de beelden van Rädecker zo'n gedrocht? Wat is er mis aan de betonnen pyloon van 22 meter met het beeld erop dat "De Vrede" heet en een muurtje erom met onbegrijpelijke tekst? Plus vier geboe­ide mannenfiguren die de oorlog moeten uitbeelden en twee verzetsmannen met huilende honden, voorstellende smart en trouw? En zo meer.

 Alles. Hoe durft men de doden dit aan te doen? Tijd voor een nationale verontplechtiging.

 Ik weet hoe ik als kind langdurig in mijn oog wreef. Eerst werd het beeld geel en oranje tot donkerrood, daarna zwart en tenslotte kreeg het de kleur van het kiezelcement boven de buitentrappen in de por­tiekwoningen aan de Haagse Vlierboomstraat. Heel soms verscheen een pauwe­noog.

 Jos de Jong stuurde me deze foto. En zie daar is het nieuwe Nationale Monument. Met bovenaan de trap het kiezelcement uit mijn oogwrijf. Achromatisch grijs, de optelsom van alle kleuren, die geen kleur meer is

 De traptreden voeren naar vier - hier onzichtbare - onheilspellende deuren, twee opzij naar de woningen op de eerste verdieping, twee frontaal, die via een binnentrap met bocht leiden naar de bovenste verdieping van de drie.

 Hier kunnen wat mij betreft vanavond kransen gelegd kunnen worden. Eerst oogwrijven, dan neerzetten of leggen, onderaan de trap. Nog even de krans verschikken - dat hoort - en dan achterwaarts, respectvol terugtreden. 

Geluk

 Zonet het grote geluk. De stem van een politievrouw die zei uw tas is gevonden. Ik naar de Houtmankade, voor tienen.

 Een bewoner van de Zaanhof bracht hem naar het bureau. Er zijn nog nette mensen meneer. Net buurtje ook, zei de dienstdoende Surina­amse agent. Alles zat er nog in. Was zelfs op orde gebracht, want het was een bende in mijn tasje.

 De schrik van 'iets weg' begon met een blinde vlek. Alsof ik niet wilde weten wat allemaal. Toen doemden de procedures op. Een reserve autosleutel, een reserve bril, een fototoestel, apparatuur, onafzienbaar. En dan zo'n stem uit een wereld van orde.

 En toen dat doodstil avondlijk politiebureau, een deur op een kier met een leren openhouder er tussen. Lamplicht, een handbel. Indien niemand aanwezig hier bellen. Eenmaal a.u.b..

 Mijn eerste gedachte was 'vergeet het maar, in een stad als Amsterdam'. Toen kwam de inventaris van het verlies. En de intensieve zoektocht langs een herinnerde donderdagmiddag. Niks. Nergens. Niemand vertrou­wde ik meer.

 En nu. Avondzon. Een andere stad. 

Meer hoef dan voet

 Op 18 mei komt de tweede dichtbundel van theologe Marjolijn van Heemstra na 'Als Mozes had doorgevraagd'. Benieuwd hoe het met de poëzie van de theolo­gie verder gaat. Hier alvast een poëtische versie van Darwin. Omgekeerde evolutie: waar bleef wat uitstierf?  

 Meer hoef dan voet

De hond verspert mij het pad, stokstijf, zijn tong

een roerloze vis tussen de tanden, zijn grom

een ondergronds geluid, als door lagen korst

gedempt

 

en ik denk aan de man die zei: We weten niet

waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,

duizend jaren, onttrokken aan het zicht.

We weten niet over welke rand ze tuimelden,

welke zee het laatste exemplaar verzwolg.

Hij noemde de kieuwslak met vijf platte windingen,

de schrikvogel die liever liep dan vloog,

de majorcahaas, het reuzenhert,

niemand weet met zekerheid in welk bos,

welk veld het reuzenhert verdween.

 

De hond blaft naar mijn sporen,

in de verte zwaait een riem, een mens

die in mij een naaste herkent

maar ik weet wat de hond weet:

er zijn dieren verdwenen

en mijn afdruk is meer hoef

dan voet.

Heiligdom

 Vanmiddag gezien hoe de eenheid van onze wereld verloren ging. Hoe eens nut en elegantie konden samengaan in zoiets triviaals als een postkantoor.

 Ze bestaan nauwelijks meer. Wat werd opgeofferd bij de opheffing van monumentale hoofdpostkan­toren als die in Utrecht en Amsterdam beseft niemand. Het waren kathedralen, van communicatie, niet met het Opper­wezen maar met de wereld. Bolwerken van houvast en nation­ale trots.

 Toen bouwmeester Michel de Klerk (1884‑1923) de boeg van zijn 'Schip', het Amster­damse School-blok in de Spaarn­dammer­buurt - nu museum - ontwierp bouwde hij een heiligdom waar alle ver­binding met de wereld samenkwam: post, telefoon, telegraaf en niet te vergeten 'alle geldhandelingen'.

 Zijn decoratie is even 'functioneel' als in een kerk. Nooit zomaar versiering. De telefooncel bijna een biechtstoel. In dubbeldeurs glas-in-lood vallen vogeltjes op, waarbij wordt uitgelegd: 'luistervinken'. Opzij zie je een rijtje porseleinen isolatoren, zoals ze bij telefoonkabels werden gebruikt. En de decoratie ernaast is - in tegelvorm - een strip postzegels, traceerbaar uit het bouwjaar 1913. Bedenk, eens waren postzegels heilig, seculiere ouwels, die het wonder van de postbezorging moesten bezegelen.

 Toen Franz Kafka eens een cheque moest innen op het postkantoor in Praag was hij werkelijk bang dat de gewichtige functionaris achter het loket zou zeggen ''maar meneer, u denkt toch niet dat ik u voor zo'n vodje papier geld zal geven?'' 

 De Klerk had het van geen vreemde. Hij ontwierp twee lettertypen. Werd opgeleid door een neef van Cuypers, de katholieke bouwmeester van Rijksmuseum en Centraal Station. Buiten op de hoek zit een baksteensculptuur van Hildo Krop, een nest raven, of zijn het postduiven? 

Tags: 

Pagina's