Kist

 'Coffin paint' is een oud Chinees gebruik dat de Chinese schi­lder Wang Guangle (Shanghai 1976) zich uit zijn jeugd herin­nerde. De traditie in de provincie Fujian schreef voor dat een man zijn eigen doodskist maakte.

 Zo had Wangs grootvader thuis een kist staan die hij eens per jaar van een nieuwe laag verf voorzag. Hoe meer lagen verf op de kist hoe beter. De lagen verf zouden het lichaam beschermen. Tegelijkertijd zou het jaarlijks verven van de kist ouderen voorbereiden op de dood.

 Wang bouwt zijn serie 'Coffin paints' - nu zijn er twee te zien in Boijmans - op door steeds een nieuwe laag - soms wel drie per dag - op het doek te zetten. Met elke nieuwe laag blijft een randje van de onderliggende laag zichtba­ar. Met Wangs langzame en meditatieve manier van schilderen verschuift de aandacht voor het schilderij naar aandacht voor het proces en het tijdsverloop.

 Ik dacht eerst aan de minimalist Ben Akkerman, die mij wees op de randen van zijn schilderijen. Daarna aan de vader van mijn vriend Kees Mulder, die een meester-meubelmaker was. Hij had in zijn vrije tijd een doodskist voor zichzelf gemaakt. Een meesterstuk van houtbewerking. Echter, toen hij zijn einde voelde naderen en Kees de begrafenis moest regelen bleek dat de Nederlandse wet destijds (rond 1970) het maken van je eigen doodskist verbood.

 De vader van Kees is in een standaardkist begraven. 

Nederland-België

 De eerste keer dat ik in de literatuur voetbal tegenkwam was bij Remco Campert. Het leven is vurrukkulluk (1961) bevat een onvergetelijk wedstrijdverslag Nederland-België.

 In die jaren waren dat de belangrijkste wedstrijden van het jaar. Een enkele keer verloor het Nederlands elftal van Zwitserland, soms wonnen we van Luxemburg, veel meer was er niet. Voetbal was radio, met de stem van Leo Pagano of Ir. Ad van Emmenes uit 'de hel van Deurne'. Een geladen zondagse verveling:

 '..toen hij achter zich een gejuich hoorde aanzwellen dat zijn hoogtepunt echter niet bereikte maar in een teleurgesteld 'o...' uitliep - het voetbalstadion had zijn grote mond geopend en weer gesloten.'

 Wedstrijden bestonden uit louter geluid. Campert schrijft: 'De zon rolde over de grasmat'. Of: 'De klokken beieren, de hemel barst juichend open, het eerste doelpunt is gemaakt.' En dan: 'Boelie sloot de deur van de huiskamer waarin Ernst-Jan zich bij de radio had geïnstalleerd (geroezemoes uit het verre Deurne)..'. Een zondagse buitenwijk. Boelie versiert Etta in het huis van de afwezige buren. Bij terugkeer blijkt Etta haar sleutels vergeten en moet aanbellen.

'We hebben een eindje gewandeld,' zei Etta. 'Hoe is het met de wedstrijd?' vroeg Boelie. 'Verloren,' zei Ernst-Jan. Vijf-drie. Het Nederlandse voetbal is morsdood. Het is gedaan met ons land. We kunnen niet eens meer voetballen. Het is gruwelijk. Alleen de drank geeft nog soelaas.'

 Hij draaide de radio uit. De stem van de verslaggever die zijn visie op de zojuist gespeelde wedstrijd gaf stierf weg. 'Geen nabeschouwingen,' zei Ernst-Jan. 'Vooral geen nabeschouwingen.'

Tags: 

De vriendin van de Hotelmens

 Hotelmens, het boek waarin je kennismaakt met de levensstijl van exil-schrijver Joseph Roth, heeft een groot verlangen losgemaakt naar die vergeten, vooroorlogse wereld. Tja..

 Mij deed het grijpen naar 'Kind aller Lander' (1938), de roman van Irmgard Keun, die in de jaren 1936‑1938 een verhouding had met Roth. Ze ontmoette hem in Oostende, trefpunt van Duitse exil‑schrij­vers als Stefan Zweig, Egon Erwin Kisch en Heinrich Mann. Haar boeken werden in Nederland uitgegeven. Roth en zij werkten en reisden de hotels van Parijs, Wilna, Lemberg, Warschau, Wenen, Salzburg, Brussel en Amsterdam af, altijd in geldnood. Keun beschrijft het rondtrekkende stel in haar roman door de ogen van een achtjarige dochter. Het boek is in 1939 ook in het Nederlands vertaald. Een meesterlijk beeld van het hotelleven: 

 'Het is hoe dan ook erg lastig om van spullen af te komen, daarom hebben we ook zo veel bagage. De meeste problemen hebben we met oude schoenen. We kunnen ze niet meer aan omdat ze al te kapot zijn en weggeven kan ook niet. Twee keer hebben we ze gewoon in een hotelkamer laten staan, wat erg dom was. Elke keer kwam een bediende ons tot in de trein achterna, met de schoenen, en dan moesten we hem wel een fooi geven, terwijl we niks meer hadden. Het beste is zulke dingen onder het matras van het hotelbed te klemmen, daar worden ze meestal pas gevonden als de trein al weg is. Maar dan moet je ook geen adres achterlaten, anders sturen ze ze in een postpakket waar je nog invoerrechten voor moet betalen ook. Dat is ons eens in Italie overkomen met vuile, gescheurde overhemden.' 

Een zomer met Alice Munro

 Na Dear life (2012), haar laatste boek, nog voor ze haar Nobel­prijs kreeg zei Alice Munro (bijna 83) dat ze was op­gehouden met schrijven. Op de vraag waarom, en wat ze dan wel deed zei ze: 'Omdat ik het idee had dat ik eindelijk een echte vrouw aan het worden was.'

 Wat of dat dan inhield? 'Veel mensen te eten krijgen,' zei ze lachend. 'Gewoon een aardig iemand zijn. Het eerste wat ik deed was het huis waar we wonen nieuw inrichten, en dat vond ik leuk - maar daar ga je, je drijft weer af naar dingen opschr­ij­ven, terwijl je je afvraagt, is dit wel wat ik moet doen op mijn leeftijd.’

 Ik lees al maanden Alice Munro en zal dat blijven doen tot ik alles van haar gelezen heb. Waarom? Waar leidt haar ongehoorde opmerkingsgave, haar zo precieze kennis van mensen en hun doen en laten toe?

 Redacteur Daniel Menaker zei het zo: 'Je denkt dat ze je probeert te helpen bij het krijgen van wat werkelijke mensenkennis, maar dat eindigt meestal met het inzicht dat menselijke motieven en karakters onkenbaar zijn, met een duistere onzekerheid over wat mensen drijft.'

 Wat we van onszelf en anderen niet weten, daar schrijft Alice Munro over. Of schreef? Ook dat weten we niet.

Tags: 

Paul Nobles anaal universum (2)

 Binnengaan in het hoofd van Paul Noble. Dat is wat je - bij het betreden van Nobson, zijn getekende en gebeeldhouwde stad - doet in Boijmans. Een stad met goedbeschouwd maar één bewoner, al zal hij dat bestrijden.

 Een stad bouwen voor jezelf als toevluchtsoord, Een onmogelijkheid. Zoals Breughels Toren van Babel, die nooit tot in de hemel zal kunnen reiken. Wat iedereen in een oogopslag ziet, behalve de bouwers.

 Hier is maar één bouwer. Zijn stad, datis hij zelf. Halverwege heden en verleden, halverwege bijna alles. Je leert dat er een oud Nobson bestond, met een stadscentrum, dat met algemene stemmen werd gesloopt voor het nieuwe Nobson. Waarin toch weer stukjes ruïne van de oude stad nieuw werden opgebouwd.

 Je denkt aan de vele - bovenop elkaar gebouwde - steden Troje die Heinrich Schliemann opgroef in Klein-Azië. Aan Los Angeles.

 In Nobson bestaat logischerwijs nooit verschil van mening. De oude centrale synagoge werd met algemene stemmen verbouwd tot een koopgoot. Rotterdam is dan ook de ideale plaats om Nobson te exposeren.

 Zover blijft Nobson een exposé, een psycho-architectonische constructie. Wie je als bezoeker blijft zoeken is de bewoner. Een labyrint, een ideale plek om je te verbergen.

 Maar wat gebeurt er onderhuids, ondergronds? Wat bleef bijvoorbeeld over van de aanbidding van reusachtige wormcreaturen en hun door regen opgewekte 'uitzinnige orgiastische rituelen'? Er zijn tekenen. Maar het in steen gehouwen alfabet brokkelt af in onleesbaarheid.

Tags: 

Paul Nobles anaal universum (1)

 Wie het in deze wereld niet redt kan een andere ontwerpen. Als heenkomen, veilig of? Utopia, dystopias, het verschil is niet altijd duidelijk. Paul Noble (1963, Whitley Bay, Noordoost-Engeland) werkt al twintig jaar aan zijn Nobson. In Boijmans zijn drie grote zalen aan die andere wereld gewijd, getekend, gebeeldhouwd in reuzenformaten. Mensen zie je er weinig, meest houden ze zich schuil, want onderwerelden zijn er ook in Nobson.

 De stoelgang is tot deze wereld de sleutel. Er is een film waarin uit een overbelichte vrouwenkont heel langzaam en sierlijk een drol tevoorschijn komt, als ware het een geboo­rte.

 Meteen in het begin zie je in Boijmans een reeks tekeningen met Nobles scheppingsverhaal. God is een drol. En hij schept de bewoners van Nobson naar zijn beeld. Nobles wereld wordt bewoond door drolloïden. Zoals ze door kinderen getekend zouden kunnen worden, rechtstaand in de pot, met een puntig uiteinde van boven waar ze het lichaam hebben verlaten. Met oogjes ook. Geen beentjes of armen zoals Robert Crumb - groot inspirator - het deed.

 Nobson is een anaal universum. In de zalen staan dan ook grote beelden van drolfiguren. Het werk van een anale fixaat die laat zien dat er een anale esthetiek denkbaar en uitvoerbaar is. Maar er is meer. Nobson is behalve uit stront ook opgetrokken uit kalkstenen elementen, een averechts soort lego waaruit ruïneuze droomvoorstellingen oprijzen die herinneren aan Breugel, Jeroen Bosch of Escher. Als stadsplanner is Noble verwant met Ledoux of de bouwers van het lemen Timboektoe, als tekenaar weer met pioniers van de psychedelische underground-comix als Victor Moscoso.

 En daarmee is nog maar een fractie gezegd van wat er in Boijmans op je af komt als je binnengaat in het hoofd van Paul Noble.  

Maarten van der Graaff (2)

 Let op waar je je stappen niet zet, het kan je dood zijn. Net als met woorden. Maarten van der Graaff die gisteren de Bud­dingh-prijs kreeg weet waar niet. Weet van reductie. En van overschrijding. Waar wel merkte ik twee jaar geleden, toen ik hem en Frank Keizer sprak over hun tijdschrift Samplekanon en later toen zijn bundel kwam. In de Sporthal bijvoorbeeld, een titel uit Vluchtautogedichten:

 Geen les is hetzelfde, maar buik, billen en benen komen altijd aan bod.

Som gebruik ik kleine instrumenten, doe enige loopoefeningen of

volg een circuit.

Ook voor dit geluk is strikte reductie van levensbelang.

 

 Doe dit vanuit je diepe stoel niet af als inspanninkje.

Neem vergif in op een hogere dierkunde.

 

 Kijk naar de met kraters van sterren gebutste plas duister boven je kruin.

En dan naar mijn lichaam in de ruwe handdoek

in Sporthal Lunetten.

Wat zijn wij, dat wij aan elkaar denken? 

Shirley

 Film kan je blik bepalen. Vanavond kwam ik het Amster­damse EYE uit en keek - na het film-essay 'Shirley, visions of reality' - recht in Edward Hopper-licht.

 Van alles uit dertien schilderijen uit de periode 1931-1965 gaat bewegen, doet mee aan een vertelsel over de actrice in een fotoroman. Op de achtergrond vertelt de radio de tijdgeest van die jaren.

 Op het Eye-terras sta je na afloop met die ene vraag: verheldert de film van de Oostenrijker Gu­stav Deutsch iets over Hoppers werk? Of zitten de plaatsing in de tijd en de lijnen getrokken naar Plato's grot alleen maar in de weg? Schilderijen roepen van alles op in de hoofden van kijkers, maar moet je dat ook in beeld en tekst laten zien en horen?

 Ik aarzel. Het harde Hopperlicht, de Hopperschaduwen op de Hopperplooien in het beddegoed, de jaren '30 modernismen in de interieurs, het spaarzaam aangeduide verhaal over de in deze wereld verdoolde actrice, merkwaardigerwijs maken ze samen een verhaal dat me wegtrok van wat me kennelijk altijd hinderde: de biografie. De schilder Edward Hopper is met levensgeschiedenis en al eventjes verdwenen. En dat lucht op.  

Tags: 

Poetry International (2)

 Is begonnen. Gisteren met onder meer Mohamed Al‑Harthy uit Oman (1962), die vrijdag weer terugkomt. Een geoloog en maritiem wetenschapper wiens laatste bundel Terug naar het schrijven met potlood heet. Lees 'Het woordenschip meert af':

 Het is een vreemd verhaal van hun gedrieën:

de muis, het toetsenbord en de tekstverwerker die geen tekst verwerkt

maar, daarentegen, mij laat vergeten woorden op te slaan

in de goede map

de foutmelding springt daar op het scherm

voor ik mijzelf, de tekstverwerker en de speelse muis verwij­ten maak dat in

meer dan één

nachtgedicht het zonlicht van de volgende ochtend was verdwen­en

 

 De foutmelding op het scherm putte me uit. Ik dacht erover

naar een schrijfmachine uit te kijken (zo één als Virginia Woolf gebruikte)

die er niet genoeg van kreeg haar luide symfonie haastig traag

of langzaam gehaast, ritmisch   

hamerend te spelen

maar die fantastische machines zijn verdwenen in onze dagen

je ziet ze bijna nooit

ze worden beweend (onder de strengste bewaking) in een museum

dat niemand bezoekt

 

 Ik had bijna de vlag gehesen, de witte vlag

maar ik verkoos de raad van Hemingway te volgen

en ging opnieuw met potlood schrijven

met de geslepen roeiriem stak ik menig water over om het schip van

woorden

tenslotte aan de aankomstoever af te meren - als ik niet gefaald had

zijn korte zinnen te verstaan, toen ik voortging met zijn raad te volgen

en net als hij voor de muur bleef steken

 

(vertaling: Kees Nijland & Assad Jaber) 

I.M. Gerrit Jan Kleinrensink

 Vaak heb ik ze meegemaakt, dat zonderlinge duo dat ruim dertig jaar met elkaar optrok. Foto's kwamen er, een schitterende website. Toch, eigenlijk kon het niet en dat wisten ze allebei ook wel. Morgen gedenken we Gerrit Jan (1943-2014).

 Een schrijver die bij zijn leven steeds vergezeld wordt door de man die - onverstoorbaar - bezig is met zijn biografie. Willem Brakman (1922-2008) herschreef heel zijn onmetelijke oeuvre van meer dan veertig romans lang zijn leven. Met wat voor werkelijkheid doorging nam hij geen genoegen. Neem die fameuze strandfoto. Hij zit als peuter nabij Duindorp met het gezin op het strand, een vrien­delijke vader met een opgewekte kleuter op schoot.

 Brakman schreef: 'Hoewel een groepsfoto ben ik de hoofdpersoon: gezeten op de schoot van mijn vader, die beide armen om mij heen heeft geslagen, wat al met al een innig en lijfwarm tafereeltje oplevert. Kinderlijk geluk, aan het gemis waarvan ik een levenlang heb geleden, is hier echter niet betrapt, ik herinner mij het gefotografeerde moment in 't geheel niet en dat is ook juist.'

 Lees het vervolg - Brakmans waarheid - op de site wbrakman.nl.

 Willem zei biografieën te haten. Toch gaf hij Gerrit Jan regelmatig materiaal en zei 'Ik laat hem totaal vrij, ik zou absoluut geen invloed willen uitoefenen.' 

 Een wonderlijke verknochtheid tussen die twee, waar Brakmans verzet geheel in thuishoorde. Ook tegen mij mopperde hij af en toe over Gerrit Jan. Dat hoorde erbij. En een dubbelinterview voor Vrij Nederland uit 2002 besluit Brakman met: 'Ik moet zeggen: door mij heeft hij in ieder geval een boeiend leven gekregen.'

 Te laat voor een schop onder de tafel. Blijven ons twee Unvollendeten: de Brakman-biografie en de nog steeds onuitgegeven laatste roman van Brakman. In mijn hoofd komt geen eind aan zijn werk. Daar wordt Gerrit Jan Kleinrensink nu al een schepping van Willem Brakman. 

Pagina's