Haagse zomers

 Een verhaal is goed als er al lezend eigen verhalen bij je opkomen. Dat gebeurde me bij de verhalen en gedichten in het nummer over Haagse zomers en sporten - en nog veel meer - in het nieuwe nummer van het blad Extaze.

 Mijn moeder woonde als meisje - in de jaren '30 - op Kijkduin, in een tijdens de Atlantikwall afgebroken huis aan de Noordwijkselaan, waar je altijd de zee hoorde en insliep bij de lichtbundels van de vuurtoren. Eens regende het op haar verjaardag en kon het bedachte strandfeest niet doorgaan, geen nood mijn grootmoeder organiseerde een strandfeest binnenshuis. De achterkamer werd door hulpvaardige ooms vol duinzand geschept en daarin verrezen forten met vlaggetjes.

 Na de oorlog woonden we wat verderop, bij het eindpunt van lijn twee, waar op warme vakantiedagen de Haagse bleekneusjes aankwamen. Kinderen uit de verre binnenstad die twee aan twee achter vaandelstokken met hun groepsnummer werden aangemarcheerd, zwijgend.

 Haagse zomers. Heel soms de grammofoon van de buren met 'Seven lonely days, make one lonely week'. Verder stilte. Er zijn warme zomers geweest dat ik dagen binnen bleef.

 Heel in de verte de bel van een ijscoman. En touwtjespringende meisjes die een liedje zongen waarvan ik nog maar een regel weet: 'Stille straten daar bij de zee.' Wat rijmde op 'mee'. Ik zie zo'n straat - portiekwoningen - voor me. Die Haagse stilte zit ook in de wonderlijke illustraties die Diederik Gerlach maakte voor deze Extaze. 

Tags: 

Moderne Kunst

 Het was Marcel van Eeden - nu te zien in het Haagse GEM - die me leerde met ogen van nu naar 'Moderne Kunst' te kijken. De ogen van een man die de wereld van voor 1965 tekent, zijn nooit beleefde, toch verloren tijd. Waarin museumbezoek nogal eens voorkomt.

 Van­middag in het Cobra-museum, bij de Guggenheim collectie van 'Internationale abstractie 1949-1960' zag ik zijn blik terug. Er draait daar een glashelder fil­mpje van de opening van het Guggenheim in 1959. Publiek uit een tech­nicolorfilm, zo pijnlijk keurig gekleed dat je Cary Grant en Doris Day er vanzelf tussen ziet lopen. En dat in het traploze gebouw van Frank Lloyd Wright, bedacht voor het abstract expressionisme van de nieuwe kunst van Rothko, Kline, De Kooning, Pollock, Mother­well, Tapies. Die zelf op foto's ook keurig in pakken steken.

 En waarvan we sinds 1995 weten dat hun tentoonstellingen door de CIA de wereld werden over gestuurd omdat de koude oorlog ook een kunstoorlog was. Daar had het Sovjet-realisme niet van terug. Je kijkt in een merkwaardig verleden. Het soort kunst waar zoveel cartoons in Life over gingen.

 Wat blijft er over van non-figuratieve kunst? Liefde voor materiaal, voor verf, voor compositie. Zin voor evenwicht, kwetsbaar als dat is. Wie goed is dicteert je zijn evenwicht, zijn beheersing, dat krijg je door bij De Kooning of Appel. Zin voor het starende oog, zoals bij Rothko of Cy Twombly. Zo bekeken vallen de meesten door de mand. Te veel, te druk, te onrustig. Wonderlijk ook hoe deze kunst in zo'n korte tijd zijn eigen clichés schiep en zichzelf ermee om zeep hielp. De paar overlevers niet te na gesproken. 

Droomkunst 1900 & 2000

 Wat staat stil? Wat beweegt? Platoonse waarheden zijn onbeweeglijk zichzelf. Dood, liefde. Je kunt ze bezingen, meer niet.

 De verzameling 'Droomkunst' van Gerard van Wezel in Singer in Laren vergelijkt de fin de siècles van 1900 en 2000: 'Decadente kunst, op de randen van de afgrond, waarin alles mogelijk lijkt.' Zou het?

 En zo volgt hedendaags werk van Inez van Lamsweerde en Erwin Olaf op symbolisten als Antoon Dekinderen en Jan Toorop. Mythen, sagen, religie, science fiction in een adem. Acht zalen met titels als 'Bezielde abstractie' of 'Goden, helden en martelaren.

 Het symbolisme reageerde toch op het beweeglijke impressionisme met eeuwige waarden, hoogte en diepte? Maar o jee. Weer omklemt een maagd met geloken ogen een schedel in de schemering. Seksloos per definitie, diepzinnig altijd.

 Wat de verzameling in Singer wel laat zien is dat dit nooit is weggeweest en zich - als onderstroom - eindeloos blijft herhalen. Zo land je bij de vraag 'wat is kitsch?' En wanneer werkt het? En hoe dan? Vreemd als je je dat staat af vragen tussen een overdaad aan Wagneriaanse of Steineriaanse gewichtigheid. Wat in het Gooi, tussen Art Deco‑villa’s prachtig past. 

 Wat er al niet geschilderd is! En vergeten. We mogen Van Wezel dankbaar zijn..  

 

Extaze in tennis

 Midden in Roland Garros en vlak voor Wimbledon komt het 'Haa­gse' literair tijdschrift Extaze met een mooi idioot nummer vol zomerse bedrijvigheid: cricket, wielrennen, maar ook tennis.

 In lang vergeten tijden reikten kunst en sport elkaar de hand. Schilderden Delaunay en Seurat wielrenners, beschreef Kafka sportvliegers, speelde Gorter niet alleen voetbal en cricket maar ook tennis. Voorbij. De kunst laat het peloton en het elftal links liggen.

 Extaze roept die tijden terug. Arjen Duinker en ik bezochten de velden van weleer. Het 'tennisballet 'Jeux' van Nijinski - toen de grootste danser - en Debussy (1913) herleeft bij kenner Theo Bollerman. Dansers in tenniskleding in een ballet over flirt en erotiek dat zich afspeelt langs een tennisbaan!

 Een jeu is een 'game', en het spel tussen de seksen is niet zuinig. Nijinski maakte 'bevreemdende handgebaren met de greep van het racket, die waarschijnlijk fallische associaties moesten oproepen.’ Daarbij werd hij geflankeerd door twee tennisspeelsters. Een kritiek van toen: 'Nu eens komt de melodie terug met en bekwame backhand, dan weer wordt het thema aan de forehandkant heen en weer geslagen in volleys en half-volleys. Nu eens wordt het thema afgesneden, dan weer wordt het in de stuit genomen als een gekapte bal.' 

 Muziekcritici van toen wisten van tennis! Stel je voor dat 'Jeux' dezer dagen weer werd opgevoerd?

Welkom in Nobson

 Om je op te verheugen. Vanaf 14 juni vertoont Boijmans: 23 gigantische potloodtekeningen van 'Nobson Newtown', de getekende fantasiestad van de Engelsman Paul Noble (1963).

 Nobson, noem het een verzameling hersenkronkels tussen utopie en ruïne, De natuur, de stad, alles aangelegd volgens een plan, maar welk? Noble vertelt er verhalen bij. Er zit Jeroen Bosch in - de hel, het aards paradijs - maar ook strips en Sovjet-architec­tuur. Hij is nu al 15 jaar bezig met Nobson. Bij de tekeningen komen soms ook sculpturen en animatiefilms.

 Waarschuwing: ga het doolhof niet binnen. En de toiletten ook beter niet. De bewoners van Nobson zijn als je goed kijkt namelijk drollen. Alle leven bestaat in Nobson uit stront: ‘The toilets are unspeakable and so are the people.’

Tags: 

Poetry 2014

 De Chinees Hu Xudong (1974) schrijft gedichten, maar ook columns. Hij geeft les aan de Universiteit van Peking. Hij is te zien op donderdag 12 juni. Hier  - op de herdenkdag van Tienanmen - zijn 'Rivieroever'.

 'Met een rivier in mijn armen slaap ik een hele nacht.

Ik ben vergeten hoe we elkaar hebben ontmoet,

in ieder geval trad zij buiten haar oevers,

stroomde over de straat, spoelde de lift in

en bereikte mijn kamer. Een rivier,

een beetje mollig maar met een sleutelbeen als brug,

vol langzaam stromend water

maar met een hoofd vol vlugge vissen,

die de hele dag thuis blijft, maar 's nachts

aan slapeloosheid lijdt - die rivier ligt lichtjes

in mijn armen, luistert naar mijn verhalen over de zee

meer dan duizend mijl ver, over een wereld meer dan

tienduizend mijl ver. Heel snel sluit

elke druppel van haar lichaam de ogen,

wordt elke vis in haar hoofd stil

als de sterren. Vergetend

dat ik haar zachte golven vasthoud

slaap ik enkele generaties. Als ik ontwaak

en de gordijnen opendoe, zie ik

die bekoorlijke, luie rivier

in het zonlicht diepe liefde stromen.'

 

 Chongqing, 16 mei 2009, vertaald door Sylvia Marijnissen.

 

Cultiver son jardin

 Il faut cultiver son jardin. Je hoeft het nog niet eens te vertalen. Dit is het hark en schoffelseizoen. Waarom? Voltaire laat in Candide zijn vriend Martin analyseren 'dat de mens op aarde is om ofwel te vergaan van onrust ofwel te sterven van verveling.' En dus?

 Terwijl ik de plantjes op mijn balkon bijhoud, die ik allemaal herken, maar waarvan? Van de van vorig jaar overgebleven geraniums - mijn lievelingen, hun geur!, vooral als ze uitgroeien - tot wat opkomt van de zaadjes die ik vorige herfst in een plastic zak gooide en waaruit nu van alles naamloos door elkaar opbloeit. Elk jaar vergeet ik de wereld, en is alles weer nieuw. Zo ver mijn balkonwijsheid.

 'Ik weet ook,' zegt Candide, 'dat wij onze tuin moeten bewerken.'

 'Je hebt gelijk, 'zegt Pangloss - zijn vriend de wijsgeer - 'want toen de mens in de tuin van Eden werd gezet, was dat ut operaretur eum: om daarin te werken. En dat bewijst dat hij niet geboren is om niets te doen.'

 Als gewoonlijk is wat Pangloss zegt overbodig. De tuinwijsheid heeft Candide trouwens van de buurman, een Turkse tuinier, die maar 8 hectaren bebouwt. En zich daarmee 'drie grote rampen van het lijf houdt: de verveling, de ondeugd en de honger.' So much for philosophy. 

Tags: 
In the mirror (1990)

Patrick Hughes (2)

 Hughes (1939) blijft altijd het jongetje dat met zijn moeder in het ouderlijk huis in Birmingham onder de trap moest schuilen bij Duitse luchtaanvallen.

 Hij zag dan de onderkant - de verkeerde - van de trap. De wereld letterlijk op z'n kop. En moest in gedachten onder en boven weer met elkaar zien te rijmen.

 Kijkraadsels. Wat is verweg, wat dichtbij? En hoe kunnen we dat zien? De kunstgreep van het perspectief, zoals in 1410 door Brunelleschi als schilderkunstige wet verordonneerd wil er maar al te vaak bij velen niet in. Kijken wij echt zo? Een ezelsbruggetje is het, uitgevonden voor de oermens die wil weten hoe ver de grote boze wolf nog weg is. Meer niet.

 Patrick Hughes vond om ons te ontregelen het omgekeerde perspectief uit, het 'reverspective', een omkering van het centrale perspectief, in drie dimensies. Duizelingwekkend! Verwarrend.. En alleen te ervaren voor wie in levenden lijve, met eigen ogen voor zijn werken heen en weer beweegt. Ook op film mis je het effect. Geen wonder dat Hughes zich thuisvoelt bij de surrealisten, ontwrichters van de bekende waarneming.

 Ik dacht opeens aan mijn eerste autoritten over de snelweg van Rotterdam naar Den Haag. Als je opzij uit het raampje keek zag je tijdens het rijden drie rijen populieren langs de weg, Van dichtbij naar steeds verder weg. En verbijsterend: de bomenrijen schoven tijdens het rijden achter elkaar langs! Hoe kon dat nou? 

Tags: 

Patrick Hughes (1)

 Met iedere stap die je zet verandert de wereld. Behalve als je voorbij een schilderij komt. Dan blijft ie stilstaan. Dat schilderij blijft vrijwel het zelfde. Behalve, maakte ik vanmiddag mee, bij de Engelsman Patrick Hughes in Panorama Mesdag in Den Haag. 

 Die maakt schilderijen in drie dimensies waarin hij verschillende blikpunten verwerkt. En die bij iedere stap die je zet er anders uitzien. Je gelooft letterlijk je ogen niet. Schiet ook voortdurend in de lach bij deze superkijkdozen. De locatie klopt, ook Mesdags Panorama is bewandelbaar, al mag je niet pal onderlangs het doek lopen.

 Vaak is het niet een tafereel, maar zijn het meerdere schilderijen ineen. Zodat je, wanneer je eraan voorbij loopt, geleidelijk van het ene schilderij in het andere schuift. Je komt bijvoorbeeld langs deuren. Een hele rij, maar wanneer je ze passeert gaan ze open en krijg je zicht op een landschap erachter. Dat is de eenvoudigste vorm. Maar verderop wandel je door een hele tentoonstelling van Picasso-werken, samengevat in een enkel driedimensionaal doek.

 Vraag me niet hoe hij al die blikpunten kloppend bijeen krijgt. En dat zonder 3D of wat voor digitalia ook. Doek en verf, meer is er niet, alleen in drie dimensies.

 Als ik het zo vertel gelooft geen kip me, en toch. Ga naar Panorama Mesdag want daar hangen ze. Tot immens plezier van de bezoekers. Kinderen voorop, die maar heen en weer blijven lopen om de wonderen te ervaren. Maar ook hun ouders, groepjes Japanners. Iedereen verlaat lachend de zaaltjes. Waar bij komt dat er ook gewone tweedimensionale grapjes tussen zitten.

 Grote leermeester Magritte – wiens werk ook door Hughes verknipt wordt - had dit prachtig gevonden.  

Max de Jong

 Wederopstanding, nu zijn 'Heet van de naald en andere gedichten' er weer is - met het handschrift erbij.

 Max de Jong (1917-1951), de man van dat ene gedicht van wie ons nog steeds het genadeloze dagboek uit 1947-1951 wacht. Clandestien gepubliceerd in een heel kleine oplage in 1990 - de familie! - waarin het literaire leven in het arme, naoorlogse Amsterdam is opgetekend. Om hem heen staan inmiddels de schimmen van Adriaan Morrien, W.F.Hermans, Chris van Geel, Leo Vroman, Gerard Reve, Hanny Michaelis, Louis Lehmann.

 Max de Jong kende ze allemaal van nabij en zij hem. Onder 'Heet van de naald' kwam niemand uit. In de pijnlijke biografie van Nico Keuning (2000) leer je hem kennen als een 'harde, neurotische, ijdele en eenzame man.' Geluidsneuroticus bovendien, denk aan zijn 'atoombom op Hilversum'. Een leven vol onmogelijkheden. Ook in seks. Je kon in de jaren beter niet tegen meisjes zeggen dat je wel wilde neuken maar niet trouwen. En dan zijn ontreddering door wat hij noemt het 'zonder zitten'.

 Er ligt nog meer onuitgegeven, lees ik in het nawoord van Marsha Keja. Door hem zelf gebundelde gedichten in 'Ezelsworp' en 'Dichtboek' met werk van voor 1940, onder het motto 'En geen opschriften, want die halen de anekdote binnen, en geven - er later boven gezet - aan willekeurige uitingen een schijnverantwoording mee'.

 En 'Het uilenhuis' met als opdracht: 'aan allen die mij bewonderen / en doorzien'. 

Tags: 

Pagina's