Spelen

 Paulien Oltheten brengt je in de wereld van het spel. Ga naar het Amsterdamse Stedelijk en zie haar 'situaties', vastgelegd in film, foto, tekst en krabbelschetsen.

 Vreemd, de grote schrijvers die ik ontmoette bleken in de praktijk zo vaak te willen spelen. Willem Frederik Hermans met zijn onzingedichtjes, vermenigvuldigd op een oude vloeistof duplica­tor ('O wat had die beer een honger, o wat had die beer een dorst, gauw een glaasje limonade en een boterham met worst..' en dan: 'Ja er moest toch iets staan?'), Gerard Reve die afdrukken van de natte voet van een wijnglas maakte op zijn brieven en dan zei 'breng hem zo maar naar Johan Polak, dan geeft hij er meer voor', Rudy Kousbr­oek, aandachtig in de weer met z'n zelfgemaakte katapult...

 Waarom? Daarom. Daarom is geen reden. Als je van de trap af valt dan ben je gauw beneden. Onthechting? Kindge­luk? Lang niet altijd grappig ook. Paulien beschrijft de gezegende state of mind die wie zijn jeugd nog meedra­agt herkent. In haar eerste boek 'It's a small world after all...' (2004) ziet ze op een Rotterdams schoolplein temidden van gillende en rennende kinderen dit blonde meisje in haar rode jas dat heel alleen, doodstil, ondersteboven hangt aan een rode rekstok. Paulien vraagt of ze nog even zo wil gaan hangen om haar te filmen.

 'Ze lachte weer, zei niets en duikelde voorover zodat ze weer op de kop hing. Ik filmde haar. Alles aan haar was zo prachtig rustig. Ze hing zo beheerst en zo stil.' Zo lang dat Paulien zich zorgen gaat maken en zegt dat het niet zo lang hoeft.

 'Langzaam beweegt ze haar hoofd iets opzij, een teken dat ze me gehoord heeft. Ze blijft nog even hangen, alsof ze moet ontwaken en komt dan langzaam overeind.' Het geheim van het spel. Je terugtrekken in een eigen, zelfbedachte wereld - ver van het rumoer - waar jij alleen de regels bepaalt. Daarbij soms geluidjes makend.

 

Het water van Jonas Snijder

 Vanmiddag bij Thom Mercuur in zijn expositie-gemaal in Gersloot bij Heerenveen, om het werk van Jonas Snijder te zien. Water hangt daar, niks als water. Rustig, onrustig, rimpelend, klotsend, spiegelend. En kijk je uit het raam dan zie je het zelfde, aan alle kanten water.

 Snijder de Amsterdammer werkt met pastelkrijt. Indrukwekkend hoe hij het water in zijn macht heeft. In Museum Belvedère, in het nabije Heerenveen is hij tegelijkertijd een van de zes deelnemers aan 'Lichtobservaties' in series. Daar hangt behalve water van hem ook een serie bos. Hij groepeert zijn pastels in 'blokken', die als geheel een spanning hebben. Die composities lukken wonderwel. En zo kom je aan een wand terecht in wat een woud is. Dat woord. Boomstammen waardoorheen een open plek kan schemeren achter struikgewas en stronken. Zodat meteen de vraag rijst waar was ik. Dit zijn verdwaalbossen.

 Voor zijn waterwerken - nieuw voor mij - geldt ook zoiets. Water verdubbelt, verveelvoudigt de wereld. Verdwalen in water, dat kan. Wie lang genoeg naar een bewegend wateroppervlak kijkt is weg. Dat overkomt je bij het werk van Jonas Snijder. Er is een erg mooie catalogus.

 Eerst dus naar Belvedère en daarna naar Gersloot. Dit is voorlopig Thom Mercuurs laatste tentoonstelling. Hij gaat even zuidwaarts, Spanje, Portugal. Uitrusten. Of ie daar musea wil zien?  'Ja, maar niet te veel,' zegt de Friese vriend, 'Ik hou niet zo van dat katholieke gedoe.'

On/Ding

 Een gat in de muur is geen ding, al kun je het benoemen en beschrijven. Het gat is een bewijs uit het ongerijmde. Je kunt met je vingers langs de randen ervan gaan, maar dan houdt het op. Of begint het juist.

 Er is een foto uit 1929. Drie mannen en twee vrouwen staren naar een lege plek op een stenen schouw. Ze kijken uit alle macht en roepen zo een mogelijke werkelijkheid tevoorschijn: het ding. Daarover gaat het nieuwe nummer van het tijdschr­ift Terras. In de inleiding wordt 'de geboorte van het ding' beschreven.

 Patrick Grainville verlegt de grens naar iets dat net iets meer is dan niets: de sluier. 'De sluier is een rechtstreekse aanwakkering van obsessies en de kwelling van het verborgene. Er hangt een vleugje geheim rond en de ontsluiering daarvan.'

 Sluiers doen twee dingen tegelijk. Ze versluieren en trekken aandacht. De rouwsluier doet het heel precies. Voor me zie ik de zwartwitte film waarin op Sicilië een man ten grave wordt gedragen door een weduwe (Sophia Loren) die hem maar wat graag kwijt is. Ze draagt een hoed met sluier die haar gespeeld zedige gelaatsuitdrukking bij vlagen onthult. De sluier verdubbelt zich in haar zwarte rouwkousen - 15 denier - die van de weduwe een vrouw met plannen maken.

 Bijna-materie brengt hoofden op hol. Zoals Grainville zegt, wanneer hij het hoofddoeken-misverstand in z'n betoog trekt: 'De sluier benadrukt wat hij omkleedt. De sluier toont! Dat is het grootse karakter van de sluier, zijn geheime uitnodiging tot inbraak, strooptocht, onderworpenheid en de ontaarding van al deze dingen..' Een warm pleidooi dus voor de hoofddoek. Het ding dat verkeert in zijn tegendeel.

 'Door het verbod op het dragen van de hoofddoek betreden we een tijdperk van democratische, hygienistische transparantie. Want wat verborgen is, raakt doortrokken van de sensationele walm van het geheime.'

Tom op de boerderij

 De introductie van de figuren is veelzeggend. Je ziet ze stuk voor stuk eerst van achter of in schaduw. Pas later komen hun gezichten. Dat geldt ook voor wat er op de Canadese boer­derij, ver van alles en iedereen in het vlakke land, aan de hand is.

 De idyllische titel van de film van Xavier Dolan zegt het. Wat er eerst verlaten en desolaat uitziet blijkt gevaar­lijk. Op dit verre platteland tref je nog mensen die in de grote stad zouden zijn opgeborgen. Wat volgt is een geperverteerde versie van boer zoekt vrouw.

 Een tirannieke moeder duldt de homosek­sualiteit van haar twee zonen niet. De ene is verdwenen naar de stad en daar gestorven. Zijn vriendje komt over voor de begrafenis en ontdekt de huiselijke omstan­digheden. De broer blijkt in gewelddadige ontkenning van zijn geaardheid te leven, alles om zijn moeder haar gedroomde twee zoons voor te spie­gel­en. Wat ontaardt in geweld en SM. In het enige café in de wijde omtrek wordt hij niet meer toegelaten.

 Een gruwelijk spannende en tegelijk pathetis­che film. Toch ging ik mee, door de modder, het hele eind langs de kaarsrechte weg, waar merkwaardigerwijs de voren van de geploe­gde akkers parallel aan de wegen lopen in pla­ats van haaks erop, zoals bij ons.

 

 

Sexy octopus speelt lego

 'Doen alsof je doet alsof' heet een stuk in de nieuwe bundel van Tijs Goldschmidt 'Vis in bad'. Over spel bij dieren en mensen. En de vraag blijft waarom?

 Sociaal spel vind je bij zoogdieren en vogels met wat Tijs noemt 'uitgebreide ouderzorg'. Als de kinderen nog thuis wonen, beschermd en gevoed worden is dat ideaal om iets te leren of te oefenen.

 Gisteren werd het leuk bij Pauw en Witteman toen acteur en kamerlid Boris van der Ham, die een boek schreef over het politieke bedrijf, inging op spel en ernst in de politiek. Wat hij zei was 'spel is ernst'. Ik had daar Tijs Goldschmidt over willen horen.

 Volwassen mensen blijven spelen, op podia, in de media, waar niet? En bij spel, legt Goldschmidt uit hoort ook onherroepelijk verveling. Hij observeert twee spelende honden. Eerst zit de een de ander achterna, dan de ander de een. Pak me dan als je kan. En dan opeens vervelen ze zich en gaan liggen. En van verveling komt weer spel. Octopussen spelen graag met Lego-blokken.

 Spel. Maar waarom? Evolutionair gezien? Gissingen zijn er, meer niet. Darwin vermoedde in 1871 al dat musiceren en verhalen kunnen vertellen nuttig waren bij het vinden van partners. Later voegde Geoffrey Miller in 'The mating mind' daar nog humor bij. En Tijs schetst mannelijke popidolen die optreden voor flauwvallend vrouwelijk publiek.   

 'Mensen zijn apen die als volwassene een aantal jeugdkenmerken behouden. Ze spelen meer dan andere volwassen mensapen, totdat ze er, vaak op hoge leeftijd, dood bij neervallen.'

Het dak van Frank Halmans

  Waarom treft me dit dak zo. Mijn dakbewustzijn is groot. Ik heb een heilig ontzag voor goten, regenpijpen en dakbedekking.  

 De kunstenaar Frank Halmans is huiskundige. Hij weet alles van huizen. Is een volleerd timmerman, loodgieter, metselaar. Zijn huizen - of delen van huizen - nemen droomgestalten aan. Zo maakte hij bewoonbare boeken, een flatgebouw op schaal dat tegelijk een stofzuiger is, een woonerker en een flatje waarin alles normaal is behalve de breedte van bedden, wastafels en al. Die breedte is een derde van de gewo­ne. Je stelt je Alberto Giacometti-achtige bewoners voor.

 Maar nu dit dak. De bedekking is klassiek, teer, waarover kiezels zijn uitgestrooid. Ik leerde dat die dienden om zomerse warmte te absorberen, zodat de teer niet zou smelten. Eens heb ik een heel dak moeten ontdoen van zo'n dekking, tot op de planken. Met touw en blok zakken vol teer en kiezels omlaag takelen naar een container. Ik meet mensenlevens in gevulde containers. Ik ben dertien. Waarom daken plat worden gemaakt weet ik nog steeds niet. Ik zie de klassieke dode duif al in de toegang tot de regenpijp zakken. En dan.

 Toen de Portugese schrijver Rentes de Carvalho in Nederland aankwam, in de jaren '70, en dringend wat moest verdienen keek hij om zich heen - zo vertelde hij - en besloot 'ik word loodg­ieter'. In een land waar het zo veel regende moest dat een lucra­tief beroep zijn.   

 In dit dak van Frank Halmans zit - als altijd - een surrealistische wending: het raampje. Je weet dat het van binnenuit met een ladder geope­nd kan worden. Er zit aan het raampje een pook met gaten die je op de gewenste hoogte kunt vastzetten aan een roestige spijker. Alleen, het raampje is, gezien de overige afmetingen, veel te klein. Absurd klein. Dat is de signatuur van Frank Halmans.

 Het dak is te zien vanaf vrijdag, bij Thinking (out of) The Box in Marres in Maastricht.

Tags: 

Wie is Yuri An?

 ‘A forest three meters squared’ heet de kleine dichtbundel die ik vanmiddag bij Perdu kocht. De tekst is in het Engels en in het Chinees. Ik vertaal losje wat. Wie Yuri An is staat er niet bij. Er zijn wat foto's. Eentje lijkt Amsterdams.

 Het begint met een Preface, waarin Yuri An - hij of zij, ik denk zij - zegt 'ik schrijf deze zin ver van de plaats die ik verlaten heb, mijn thuis. Dus is het niet alleen vreemd maar tegelijk een plaats om veel nieuwe ontdek­kingen te doen. Desalniettemin heb ik dit af­gelopen jaar in complete angst voor iedereen geleefd. Ik heb de toren van Babel zelf gebouwd. Zat ver in de hoek en keek naar de muur van mijn kamer.'

 Dit bundeltje, in Chinees vloeipapier met daarop het symbool voor bos - drie boompjes - lijkt een eerste stap buiten de deur. Het is opgedragen aan de lezer: 'Aan u, aan ons heden.' Was getekend 'Here in Amsterdam, Yuri An, 2012'. Merkwaardigerwijs is Yuri An volstrekt onvindbaar op Internet. Wie weet iets? Het eerste gedicht heet 'Onverenigbare tijd' en gaat over een verloren liefde. Daaruit deze regels:

'Een tijdlang

heb ik de tijd weggesloten

herinneringen aan jou ingeprent in mijn kamer

Sporen luchtdicht weggesloten

Levende momenten, gevangen, versgeplukt

Wat jij en ik uitwisselden

adem

lucht'

 

ps. Gevonden. Op Facebook. Ze komt uit Seoel en deed de Rietveld Academie.

Tags: 

Ravage (3)

 De vernietiging op 25 augustus 1914 door Duitse troepen van de universiteit, gevestigd in de eeuwenoude Lakenhal van Leuven, en de bibliotheek met 230.000 boek­en, waaronder 750 middeleeuwse manuscripten, daarover gaat het in M. .

 En de vraag blijft, waarom moesten 'ze' juist de kunst hebben. Het heeft me altijd verbaasd. De Taliban in Afghanistan bliezen beelden van een veel oudere religie dan de hunne op. Waarom? Waren die bedreigend voor ze, daar ver in de bergen? De Nazi’s verbrandden boeken die ze niet aanstonden en gingen te keer tegen 'entartete' kunst. Dachten ze echt dat die hun bewind zouden ondermijnen?

 Vreemd. Totalitaire regimes verdragen geen tegenspraak, zelfs niet op fluistertoon in verre uithoeken, tegenspraak maakt ze razend. Er gaat iets onverdraaglijks uit van kunst en kunstenaars. Tijdens de oprispingen over de kunstbezuinigingen vorig jaar kwam dat ook naar boven. De snee in Who's afraid of red, yellow and blue komt altijd terug.

 Maar dan. Zie ik in Leuven een ontroerend filmpje van geallieerde soldaten die de door Hermann Goering geroofde kunstschatten in veiligheid brengen. En gaat het opeens – voor beide partijen - om iets verhevens. De trots van naties. Stelen of kapotmaken?

 Ik herinnerde me het verhaal van de strijd om Pisa in 1944. De Duitsers en geallieerden hadden allebei beschaafde commandanten, die afspraken dat ze met hun kanonnen over de scheve toren en de kerk heen zouden schieten. Dat lukte wonderwel. Tot door een foutje het Campo Santo, de eeuwenoude begraafplaats met zijn fresco's en monumenten toch geraakt werd. Spijtig voor komende generaties Duitse toeristen.

Ravage (2)

 Rampologie, bestaat die tak van ja wat? Vanmiddag hier in het M-Museum in Leuven bij de tentoonstelling Ravage zwierf ik tussen kunst, geschiedenis en propaganda. Alles naar aanleiding van 1914 en wat België en Leuven trof in dat jaar. 

 Oorlog, verwoestingen, kunst. Het onderwerp Ravage wordt in zijn volle breedte, wereldwijd, door de eeuwen beetgepakt. Door kunstenaars. Wat kan een individu met rampspoed die hele volkeren treft?

 Universele mensen als Primo Levi zijn schaars. Blijft over verslaggeving. Afbeeldingen van branden, doden en puinhopen. Wat je noemt aanklachten. Twee gevallen van cultureel terrorisme treffen doel: de pulp-versie - Arabisch verpakkingsspul, oa. Lipton theezakjes - van de Babylonische triomfboog van de Amerikaan Michael Rakowitz. Rond 1900 door de Duitsers gepikt en meegevoerd naar het Pergamon Museum in Berlijn, waar ik hem zag. En de collectie door Israel her en der gestolen historische Palestijnse documenten. Stiekem gefotografeerd in Jeruzalem en prachtig, ook door de stempels van culturele instellingen overal in het Midden-Oosten.

 Mijn eigen oorlog is hier niet. Die bestond uit een – in 1946 - onwaken temidden van zonnige puinhopen in Zutphen, waar ik opgewekt speelde in de kelders van de verwoeste huizen van de buren. Puin en kind zijn elkaars natuurlijke bondgenoten. Je ziet er wel eens wat van in films over de Westbank.    

Canetti en de luchtjesvrouw

  Nu het over hygiene gaat, sommigen, waaronder de moeder van Helen in Vochtige streken kunnen niet tegen luchtjes. Helen daarentegen doet in geurprovocaties, winden laten en al. In het ziekenhuis begint verpl­eger Robin meteen met een raam te wapperen. In De oorgetuige (1974), vijftig types die Elias Canetti schetste zit een Luchtjesfreak:

  'De luchtjesfreak schuwt luchtjes en ontwijkt ze. Ze opent deuren voorzichtig en aarzelt voor ze een drempel over gaat. Half afgewend staat ze daar een tijdje. Om met één neusvleugel te ruiken de andere spaart ze. Ze strekt een vinger in de onbekende ruimte en brengt hem naar haar neus. Dan houdt ze een neusvleugel dicht en snuffelt met de andere. Als ze niet meteen flauwvalt wacht ze nog even. Dan treedt ze zijwaarts met een voet over de drempel, laat echter de andere buiten. Het scheelt nu niet veel of ze zou het erop kunnen wagen, maar net op tijd belandt ze in een laatste proef. Ze gaat op haar tenen staan en snuift weer. Als het luchtje nu niet verandert, vreest ze geen verrassingen meer en riskeert ook het andere been. Binnen staat ze. De deur waardoor ze zich in veiligheid zou kunnen brengen blijft wijd open.' 

 Daarna beschrijft Canetti het isolement waarin de Luchtjesfreak onvermijdelijk terechtkomt: 'Waar ze ook is ze heeft een laag van voorzichtigheid om zich heen; anderen letten als ze gaan zitten op hun kleren, zij op haar isolerende laag. Ze vreest heftige zinnen die daar doorheen zouden kunnen stoten. Ze wendt zich behoedzaam tot de mensen en verwacht even behoedzame antwoorden.'

 En dan ziet Canetti in dat afstand houden, dat nauwkeurig volgen van de bewegingen van de ander, een dans. De luchtjesvrouw danst met anderen, zij het op grote afstand.

 Er bestaat een vertaling uit 2001, waarin staat hoe dit afloopt.   

Pagina's