Zodra de avond zich had omgedraaid
voltrok zich haast een wonder in de straat.
Eerst stierf een ziekenwagen uit het zicht.
Toen viel een kluitje mensen uit elkaar.
Een jongen, kostbaar als een kever, trok
galant zijn mes uit iemands ribbenkast.
Zijn smalle wespenblik kreeg haast iets zachts.
Hij schreeuwde wel maar slikte alles in.
Toen viel de avond langzaam weer terug
in weemoed en tv, verdween het mes
en liep hij glansloos weg uit dit gedicht.
Een plot was er niet, laat staan muziek.
De dood verzint van alles, maar niet dit.