Astrid Lampe

 Haar nieuwe bundel heet Rouw met diertjes. Waarom? Soms is niet begrijpen comfortabel. Na gestrande pogingen mag je je laten wegdrijven op een stroom.

 Waar die me heen zal brengen? Misschien zullen stroom en ik samen vervluchtigen. Evaporate into thin air. Terwijl ik er stiekem - waar? - toch nog ben, geheime wens van elk kind. Zo bezien zit er in poëzie - als ze goed is - altijd iets kinderlijks.

 In deze teksten is goed aan me gedacht. Als ik m'n hoofd stoot lijkt het of dat de bedoeling was. Ik raak niet aan lager wal, behalve als ik kennelijk moest afdrijven.

 Dit uit de cyclus Dronken jol / een requiem van stills:

 

In het donker.

Voorvoelde ik een zonderling feest aan de horizon,

Dit was de plek, dit is het bastion, hier zweven nog

de nachten, de seizoenen, de jaren.

onze taal, de taal van de levenden. Geduldig noemde ik ze op:

Objecten en ruimten

Die glimmende cilinder

de tot staan gebrachte wereld, -

Bewaren om in zijn geheel te verliezen.

Elke keer wanneer je haar schuin houdt

Een onoverkomelijke dag

                   Het onverwachte

als de planken van de deur, of van het dak...

De kast was van eik

Het alleraardigste linnen

En van aarzeling

                   De mooie zomer

Zonder val zonder gat

Japi en Bavink (3)

 De herkomst van de Uitvreter en man die de zon wilde schilde­ren. Zoek ze maar. Het moet kunsthistorisch onderzoeker Ype Koopmans af en toe geduizeld hebben.

 Die zon kwam voort uit wat het luminisme werd genoemd. De luministen stelden tentoon in 1908 in het Stedelijk. Mondriaan, Leo Gestel en Jan Sluijters gingen in hun stralend kleurgebruik het verst. De laatste twee werden ook regelmatig verwijderd van tentoonstellingen om hun 'frontale naakten'.

 Nescio kiest stiekem partij. Hij vindt onder zijn Titaantjes de opportunist Hoyer het meest geschikt voor zo'n schandaal­succes: "Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uit­gehaald een naaktfiguur van hem te weigeren. 'De Wellust' had hij de dame genoemd en ze was inderdaad, laat 'k maar zeggen (...) 'heel lief'".

 De andere kant van het luminisme, het pure licht deelde hij toe aan Bavink: 'Stapelmal werd Bavink ervan. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, schitterende streep, maar aan den kant van 't water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte "God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit."

 De theosofie, het spirituele, zoals aangehangen door Piet Mondriaan (die om de hoek aan de Ceintuurbaan woonde en vaak langskwam op de Jan Steenzolder) klinkt hierin door. Zou dit het eerste bescheiden onderzoek naar de - belangrijke - rol van de beeldende kunst in het werk van Nescio zijn? Het lijkt er wel op.

 ps. Intussen mailt Gijsbert van der Wal me dat de zolder na Leo Gestel nog door meer schilders bewoond is zoals Willem den Ouden en zijn vrouw van 1954 tot begin jaren 2000 en tegenwoordig door Allard Gomperts, zodat de traditie wordt voortgezet.

Tags: 

Japi en Bavink (2)

 Een straat verderop zaten ze, er zijn foto's van uit 1908. Tweede Jan Steenstraat - de zolders boven nummer 80 en 82. Huizen die er nog staan. Vlak bij waar ik woon. Beneden was sinds 1904 een ijsfabriek, foto in het stadsarchief.

 Maar wie waren ze? Als je 'Japi en Bavink en de doorbraak van de moderne kunst' van Ype Koopmans leest, die uitzocht wat er maar te vinden is over de kring waarin Nescio zich in z'n jeugd bewoog, dan kom je heel dichtbij. Vooral dicht bij een schrijver, die scherp luisterde en om zich heen keek, bedacht op al wat ie kon gebruiken. En zo kwam tot de Japi, de Bavink, de Hoyer en de Koekebakker die wij kunnen dromen.

 Koekebakker, de kantoorbediende, de verteller, die met open mond volgt wat de bohémiens uithaalden op de Jan Steenzolder – aan de ‘Avenue Jean Brique’, waar ook Bavink woonde - of in het 'hol' van schilder Jopie Breemer. Japi's en Bavinks bij de vleet. Zo droomde Grönloh het zich ook, daar op kantoor bij de Holland-Bombay Trading Company aan de Keizersgracht, in 'het dal der plichten'. Aan die conclusie ontkom je niet.

 Wie wil weten waar de schrijver zijn 'ruwe materiaal' vandaan had moet Ype Koopmans lezen. En dan zie je dat er geen woord van gelogen is, en hoe Nescio polijstte, wegliet en naar voren liet komen waar het hem echt om ging.

 Het gekke is, zeker twee twee keer in de week fiets ik door de Van Woustraat, waar op nummer 28 toch de man woont die 'spreekt als een tijdschrift', maar nooit heb ik daar naar boven gekeken. Morgen dan.

 Vrijdag is Koopmans te horen in de Avonden.

Tags: 

Glashuis

 De toekomst is en blijft iets voor kinderen dacht ik toen ik buiten stond na Utopia 1900-1940. De expres­sionist Bruno Taut, die met louter stenen van gekleurd glas wilde spelen nam ik mee door de straten van Leiden. Tauts 'Alpine architectuur' zou gehele gebergten oplichten met glazen fantasieën. Ik zag ze voor me.

 In november 1919, direct na de eerste Wereldoorlog begonnen hij en 24 andere architecten de Glazen Ketting. Brieven met schetsen voor gebouwen en steden, van waaruit vrede en begrip op aarde zouden neerdalen. Kristal als symbool van zuiverheid, helderheid en geest. Kristallen als vormen voor hun ontwerpen.

 Maar meer dan Taut's Glash­aus, een glazen tempel in Keulen, met onderin een lichtbron (1914), is nooit gebouwd. Teksten erop als 'Das bunte Glass/zerstört den Hass'.

 Glas suggereerde gewichtloosheid schreef zijn vriend Paul Scheerbart, zo zou sociale vernieuwing komen. Het paradijs op aarde zou gebouwd worden van gekleurde bakstenen. En Taut meende in ernst dat verbeelding reëler was dan de werkelijkheid. Intuïtieve visie was hem meer waard dan rationele analyse. En als het allemaal niet kon trok je je terug in je fantasieën en wachtte op betere tijden.

Tags: 

Toekomst (1)

 De toekomst is iets voor kinderen. Ontdekte ik in Leiden bij de expositie 'Utopia 1900-1940'. De eerste keer dat ik hem meemaakte was met mijn oom Bob, die met zijn Sunbeam dwars door het Rotterdamse Groothandelsgebouw heen reed.

 Eerst een oprit naar de eerste verdieping, dan een aanloop over bruggen en zo het gebouw binnen. Later zag ik in de film Metropolis (1927) een hele stad met fly-overs en privé vliegtuigjes tussen wolkenkrabbers. En herkende: de toekomst. Wat in Leiden te zien is gaat - ongewild - hierover. Wat historische toekomstbedenkers als de expressionisten en de constructivisten in 1900-1940 verzonnen werd na 1960 weer moeiteloos opgepakt door twee stromingen die het minstens zo oneens waren: hippies en linkse studenten. 

 Op het podium van het Amsterdamse Paradiso was het vaak 1919. Beschilderde naakte lichamen of de grap-robots van Roger Spear uit de Bonzo Dog Band. Ze wisten nauwelijks dat het allemaal eerder al eens gedaan was. Net zomin als mijn buurman Jacob Jutte, in 1967 oprichter van de arbeidersraad van Groot Wittenburg.

 De seksuele revolutie? In de ateliers van Ernst Ludwig Kirchner en zijn vrienden was die in 1914 al volop gaande. Al keek de meester soms even op van zijn seks, verklaarde hij, om een schets te maken. Om over de constructivisten, die naïeve hulpjes van Lenin en Stalin, die zo goed wisten wat goed voor ons was maar te zwijgen.

 Hoe lang zal het nog duren voor de laatste Rietveldstoel in een container verdwijnt?  Morgen in de Avonden meer.

Kitty Hooijer (1939-2013)

 Ik schrijf dit vlug, voor het verdriet me achterhaalt. Kitty Hooijer is gestorven. Over de hei liepen we, meer dan eens. Zij altijd  met de blik naar de grond, want je wist nooit. De Hilversumse hei die ze zo goed kende van de archeologenclub. Zo'n blik die nooit een scherf vuurs­teen uitsluit.

 En daar en daar en daar, zie je wel, grafheuvels. Het deerde haar niet hoewel ze toen al ziek was.

 Onvergetelijk en met dat van niemand te vergelijken was haar optre­den in 2008 bij het winnen van de Librisprijs. Ze was Kitty, ten voeten uit. Op de radio hoorde ik haar nog uitleg­gen hoe en waar Hugo haar zou komen ophalen, want die was niet mee, ze deden sommige dingen afzonderlijk, legde ze uit.

 We hebben in 2009 nog op de radio twee uur over de hei gelopen. Waar we prompt verdwaalden. Verdwalen met Kitty Hooijer, wat kan je beter overkomen.

 Een gedichtje, die schreef ze ook:

 

Vogels maken reiskoorts met

veren en wind om je te melden dat

ze niet op je letten omdat ze gaan

 

ze dragen het maanlicht de nacht in

naar zee naar de stuurlui

die kalm zijn omdat ze al reizen

of ze nu keren of gaan.

 

Tags: 

Stoplappen! (1)

 In 'What remains' mag je met Hinke Schreuders mee op ontdekkingsreis, de wereld van de stoplap in. Waarvan alleen het woord overbleef, waarachter niet alleen een nu onbegrijpelijke handvaardigheid schuilging, maar ook een verloren esthetiek.

 Hinke heeft zich die technieken eigen gemaakt. Ze laat je zien wat weesmeisjes van de diaconie nog tot ver in de vorige eeuw leerden. Toen versleten of kapotte stoffen 'onzichtbaar' met naald en draad gerepareerd werden. Zo gingen jurken generaties mee. Een dienstmeisje bij een welgestelde familie moest het kunnen. Zoals Aaltje van Malestein van wie Hinke het oefenmateriaal bij haar lessen vanaf 1888 terug­vond. Nu te zien in de Wetering Galerie en door haar in een boekje verzameld. Die oefenlappen, met in initiaal de namen van docente en leerling waren bij sollicitaties het bewijs dat je het kon.

 En daar hangen dan ook Hinkes eigen overdonderende 'proeven van bekwaam­heid' in het behouden van wat mooi en goed is, alleen een beetje versleten. Dat die wees­meisjes dat kon­den. Aandacht en precisie om met je neus bovenop te gaan staan.

 En, er is daar meer, frivolers van Hinke.

­­Camille Claudel 1915

 Elk van ons leeft in een eigen wereld. Maar zelden zie je dat in verhalen terug. Integendeel, we moeten en zullen emoties en ideeën delen. Met alle huichelarij die daar van komt: 'I love you.'

 In de film Camille Claudel 1915 van Bruno Dumont gaat het anders, en niet zo'n beetje. Camille, beeldhouwster, compagnon en vriendin van Auguste Rodin gaat zo op in haar kunst dat ze de breuk met Rodin niet te boven komt. Haar broer - en v­oogd - de dichter Paul Claudel neigt tot religieuze waanzin, maar blijft daarbij een keurige meneer. En het gelijk is bij de keurigen. Hij laat z'n zus levenslang opnemen, ook als straf voor een abortus. Zelfs als de geneesheer vindt dat ze wel eens naar huis mag houdt hij haar achter de muren.

 Als Paul in de film zijn zuster komt opzoeken in het gesticht, staat ze hem vriendelijk en redelijk te woord, maar hij geeft geen krimp. Wie is erger, de kunstenaar of de gelovige? Strak gestileerd geeft Dumont de twee werelden vorm. Geen muziek, een inrichting in een klooster waar nonnen zachtmoedig zorgen voor gekken.

 Allebei blijven de twee in zichzelf opgesloten. Maar hij heeft de macht. Zij zal daar pas 29 jaar later sterven.

Tags: 

Japi en Bavink (1)

 Waar haalde Nescio ze vandaan. Komende week ontmoet ik Ype Koopmans die uitzocht en schreef. In 'Japi en Bavink en de doorbraak van de moderne kunst'.  

 De hooggestemde schilder en de minstens zo hooggestemde niets­nut. In 1909 ontstond de oerversie van het verhaal over 'Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen als je 's avonds laat thuis kwam'.

 In 'Titaantjes' gaat het verhaal van de vriendenkring verder en leren we de schilder Bavink kennen. Bavink, over wie in het Handelsblad wordt geschreven dat zijn werk in herhaling viel. Hij haalt zijn schouders op: 'God herhaalt zich zelf nog veel vaker.' En Nescio-adept Gerard Reve maakt daarvan 'Wie moet ik anders herhalen.'

 Maar wat schilderde Bavink nu toch? Koopmans diept namen op van schilders van wie Nescio het werk gekend moet hebben, waaronder: Emmanuël van Beever, die te veel blauw en Veronese groen gebruikte naar de zin van de uitvreter: "Neen, dat deugt niet, veel te veel blauw kerel".   

 Van Beever blijkt een van de modellen voor Bavink te zijn geweest. Net als Bavink werkt Van Beever veel in het Gooi. In de oerversie van Titaantjes staat dit wintergezicht op het station Hilversum: "De hemel wittig blauw, 't weiland gelig groen, de zwarte boomenmuur in de verte waar ze elkaar ontmoetten, een klein roze wolkje in 't midden er boven [...] Met een klein beetje verf had ik er zoo een buitengewoon modern ding van kunnen maken." zegt hij tegen Nescio's alter ego Koekebakker.

 Het modernisme is intussen losgebarsten, zodat ik hierbij meteen denk aan het roze wolkje van Piet Mondriaan. Japi schildert zelf niet. Hij ziet de ervaring op doek weergeven als een onmogelijkheid.

Tags: 

Hypnose?

 De schrijver komt later dan gezegd, half oktober, naar Nederland. Dan zal ook de vertaling van zijn nieuwe roman 'F' er zijn. Kehlmann drijft veel en graag op de spits. Vooral de kunst en het kunstenaarschap. 

 'F', een ongewoon sprookje, dat zou kunnen beginnen met de regel: 'Er was een vader. Hij had drie zonen.' Heel het boek door kom je de verstrekkende gevolgen tegen van de voorstelling van een hyperbegaafde hyp­notiseur, die het viertal in het eerste hoofdstuk meemaakt.

 Zoon Iwan heeft zich in de schilderkunst begeven. Hij is degeen die op latere leeftijd met de hyp­notiseur gaat eten, en dan vraagt: 'Hypnose is kunst?'

 'Misschien wel meer dan dat. Misschien bereikt ze steeds al wat de kunst in het begin wilde bereiken. Alle grote literatuur, alle muziek, alle...'.  Hij giechelde. 'Alle schilderkunst wil toch hypnotisch werken, nietwaar.' Hij schoof zijn bord weg. Hij moest nu gaan slapen, optredens waren inspannend, daarna viel je om van moeheid. Hij stond op en legde me zijn hand op de schouder. 'Schilder?'

'Wat?' Zijn gezichtsuitdrukking had zich veranderd, er zat niets tegemoetkomends meer in. 'Schilder - werkelijk?'

'Ik begrijp u niet?' 'Doet er ook niet toe. Is niet belangrijk. Maar meent u dat in ernst? Schilder?'

 Deze intense spot en scepsis zal Iwan tot in heldere dromen blijven achtervolgen.

Pagina's