Neo Rauch (2)

 Duister en met geschiedenis beladen. Klassiek Duits. De Bewäl­tigung van een verleden vol daders en slachtoffers. Zeker voor een jongen die opgro­e­ide in de DDR, in Leipzig. Waar hij nog steeds woont. Zeker, vast. Maar nieuw is de humor. Noem het ernstige slapstick.

 Niets is voor mij meer pijnlijk, zegt hij in zijn atelier, een lege fabriekshal vol doeken van drie bij vier. Inspiratie vindt hij net zo goed in de klasie­ke schilderkunst als bij Goethe. Een strofe als 'Auch Fläm­mchen spend' ich dann und wann / Mal sehen, wo es zünden kann' is genoeg voor een brandje op het doek. Licht ontvlambaar is hij.

 Zijn werk is ver van postmodern, al beeldt hij veel schilders af, palet en al, maar ontstaat direct uit wat hij noemt zijn 'levenswerkelijkheid', die natuurlijk vol raad­sels is. Waarom dragen bij hem personages in 18de eeuwse kleren altijd schoenen van nu? Bij voorkeur gympen?

 Hij ziet zich als een regisseur van theaterstukken. Soms gaan die een eigen - ook voor hem onbegrijpelijk - leven leiden. Over zijn personages wil hij niet meer kwijt dan: 'Je hoeft ze niet te begrijpen, alleen maar te voelen dat elk schepsel, in de hoogst mogelijke graad, vrede heeft met zich­zelf.'

 

Tags: 

Neo Rauch (1)

 Waar Neo Rauch (Leipzig, 1960) exposeert valt het woordje raadselachtig. Zoals nu weer in het Haagse GEM. Zijn reuzenschilderijen roepen een stortvloed aan associaties op. Alsof je door de Duitse geschiedenis wandelt, geschilderd door een onder LSD werkende maker van bioscoopspandoeken. Of?

 Rauch is vooral een groot plaatjeskijker. Op zijn doeken wemelt het van scenes uit 18de eeuwse plaatwerken, ruw vermengd met taferelen uit atlassen van Natuurlijke Historie of actuele krantenfoto’s.

 Veel paarden ook, met af en toe een giraffe ertussen. Militairen in DDR-uniformen temidden van stokoude kanonnen. Maar wees niet verbaasd als er af en toe een ruimtevaarder tussen loopt. Iedereen is in deze massavoorstellingen met z’n eigen ding bezig. Eeuwen en plaatsen vermengen zich bij Neo Rauch tot totaalbeelden van ’geschiedenis’ zoals je die als kind kreeg toegediend. Een mengsel van schoolplaten, films, Panorama-Mesdag achtige tableaux vivants en stripverhalen.

 Je zou het veel misbruikte begrip surrealisme erop kunnen loslaten, maar daaraan ontsnapt Rauch. Hij dwingt je verbanden te leggen, minstens te associeren. Van Florence Nightingale tot André Kuipers. Van ons armzalige begrip van tijdperken tot de plaatjeskermis van tv-historie.

 Neo Rauch werd opgeleid in de DDR en debuteerde vier jaar na de val van de muur. Won de tweejaarlijkse Europese Vincent-prijs in 2002 en hangt nu in het GEM tussen andere winnaars.

 Morgen ga ik nogeens kijken. Als plaatjeseter heb ik aan één keer niet genoeg. Later meer.

Tags: 

Kleren en gedichten

 De eerste keer dat ik Kira Wuck ontmoette was bij een bijeenkomst van Hollands Maandblad waar ze een bemoedigingtoelage kreeg. Ze gaf me de tekst van een gedicht dat ze net had voorgelezen. Haar jurkje viel op. Het was gemaakt van donkerrode bloemetjesstof, met een kanten kraagje en ver van nieuw.

 Toen later 'Finse meisjes' zou verschijnen vroeg ik een proef, las en belde om een afspraak. Ze was verlegen zei ze, was nog nooit geïnterviewd. Het werd het Centraal Station. Nu droeg ze een groene jas uit een andere tijd. Wij spraken, de treinen knarsten. We vluchtten onder de overkapping uit. De kleren die ze droeg moesten wel verband houden met wat ze schreef, maar ik kon daar niet naar vragen. Dat zou alles bederven. In het Liegend Konijn staan nu nieuwe gedichten, waaronder 'Minste van beide':

 Als je er niet bent dan verstop ik me in jouw huis

speel met de lichtknoppen

aan/uit/aan/uit

zwaai naar het huis aan de overkant

daarna kleed ik me aan

maak me op en was het weer eraf

een lichaam is niet voldoende om het hier warm te houden

daarom draag ik het liefst kleding die iets te krap zit

vroeger knipte je een gat in het midden van mijn trui

terwijl ik hem nog droeg

 

ik kruip in jouw bad

stolsels in het putje houden het water tegen

dichter dan dit zijn we nooit geweest

terwijl hijskranen buiten de tuin verwoesten

 

Tags: 

La grande bellezza

 Gaat nog een stap verder dan wat ze daar noemen la bella figura. Kortweg de show, het uiterlijk vertoon.

 In de film van Paolo Sorrentino wordt de voorstelling het leven zelf. Met Jep Gambardella, de elegante 65-jarige societyreporter als ceremoniemeester. Hoe kom je voor de dag, wat draag je, met wie ben je? Waar? Er wordt met verbeten ernst gewerkt aan de optre­dens, de truc.

 Gambardella zou wel eens uit de vertoning willen stappen, geeft zich over aan filosofietjes over de oppervlakte van het mensengedrag en wat daar misschien nog onder ligt. Maar wat hij meemaakt belooft weinig. Een 104-jarige zuster Teresa die hij moet interviewen zegt eerst niets en dan dat ze leeft op een dieet van wortelen, waarbij ze even later haar lippen tuit.

 Een kardinaal reciteert in grote ernst gecompliceerde kook­recep­ten. Een medicijnman verstrekt zijn rituele injecties in een kring botox-gelovigen. Maar de Romeinse zonsondergangen blij­ven mooi en suggestief. En de rijken blijven dezelfden die ze al bij Cesare Pavese, Antonioni, Ettore Scola of Fellini waren.

 Wat is dan de grote schoonheid die Sorrentino bedoelt? Het moet de melancholie zijn.

Moritz Ebingers goud (2)

 Goud en kunst wedijverden op de Documenta 13 in 2012 in Kassel waar Moritz Ebinger bezoekers hun fantasieën liet borduren op zijn kostuum. Met echt 24-karaats gouddraad. Er was een kluwen ter waarde van 25.000 euro beschikbaar.

 'Dit om de hebzucht van mijzelf en het publiek op de proef te stellen en te zien of de sociale controle mensen er van zou weerhouden het goud te stelen - gelukkig wel, niemand nam iets mee! Ook al heb ik de hele tijd de mensen er op attent gemaakt voor hoeveel waarde gouddraad aanwezig was.'

 Intussen is het gehuurde goud weer naar het bedrijf teruggebracht en wonderbaarlijk genoeg ontbrak er volgens Moritz bijna niets. De kunst had gewonnen van het goud.

 Zo staat het in zijn Art Gold-boek Mi fen’na Gowtu.

Tags: 

Christiaan Zwanikken

 Mensen worden steeds meer dier, dieren steeds meer mens. Dat maakt onze omgang met de dieren almaar pijnlijker.

 'Nature rewired' van Christiaan Zwanikken in het Museum het Valkhof laat mechanische dieren zien, die ontroeren. Hoe kan dat? Ik had er Rudy Kousbroek over willen horen. Je ziet schedels, skeletten, veel vogels, een enkele vlerk met veren, maar vooral gevederde koppen met vogelogen die je aankijken, terwijl ze niet alleen levensecht bewegen, soms ook praten. Alsof ze grapjes maken, halverwege mens en dier, een voorstelling geven voor ons, het publiek.

 Computergestuurd, mechanisch aangedreven. Wat wil Zwanikken ons duidelijk maken? Dat de machinemens een soort schaaldier wordt, kwetsbaar binnen zijn technisch pantser, zoals in onze auto's?

 Wij omringen ons met apparatuur, we kunnen niet zonder speelgoedbeesten lijkt de boodschap. Is de mens de ambitieuze ingenieur van zijn eigen afhankelijkheid? Wat zijn we anders dan het legendarische trommelende Duracel-konijntje dat in gesprek met een vogelskelet de levensduur van zijn eigen batterij aanprijst, maar toch steeds langzamer trommelt.

 Een mooi pijnlijke grap is ook het Exoskeletal MK1 (2013). Een prothese met een extra hoofd en ledematen die je moet omgorden, en die het van je overneemt, je ervan langs geeft.

Dieren

 Ik noem ze maar dieren, omdat ik merkte dat ik tegen ze begon te praten, vanmiddag in Nijmegen. Zo overtuigend waren hun bewegingen en de geluiden die ze voortbrachten.

 'Kom even hier. Nee, niet bang zijn, niks aan de hand.' Al kon je toch zien dat ze maar deels dier waren en vooral machine. Hun bekken bewogen, hun vleugels klapten, ze verplaat­sen zich, verstonden zich met elkaar. Reageerden ook op mijn bewegingen.

 Zo stond ik tussen drie mechanische vogels die behalve vogelge­luiden ook herkenbare stukjes dialoog uit Amerikaanse Wester­nfi­lms voortbrachten: 'We've got the guns..' En dan weer 'Aarg­hh'.

 Wat maakt ze zo echt? Zoals dieren bewegen in onze ogen, vaak impulsief. Zomaar ineens je kop omlaag, alsof je gevolg geeft aan een gedachte die juist opkwam. Opeens wegrennen. Of schreeuwen. Ook omdat ik eraan kwam. Ze nemen je in de maling. 

 Christiaan Zwanikken en zijn assistenten waren nog bezig met het mechanisch dierenpark ''Nature rewired'' dat ze hebben ingericht in het Nijmeegse Valkhof en dat gisteren opende. Zwanikken heeft heel erg goed naar dieren gekeken, dat moet de bron zijn van wat ik daar meemaakte.

 Later meer. Maandag in De Avonden ook.

Moritz Ebingers goud

 In het vernieuwde Museum Kranenburgh in Bergen is het grote goudproject van de Zwitser Moritz Ebinger present. Als kind speelde hij in een verlaten goudmijn in het Zwitserse Malcatone. Alles lag daar nog: rails, mijnschachten, zelfs een kantoor met correspondentie.

 Veel nam hij mee naar huis en bezit hij nog. Zo begon zijn zoektocht naar de betekenis van goud. Die via alchemie (de goudmakers) naar de kunst voerde. Moritz sprak goudgravers, chemici, smokkelaars, juweliers. Op de Documenta liet hij al bezoekers met geleend gouddraad figuren op zijn pak borduren. In Bergen mogen ze zelf met scheppen en keukenzeven op zoek gaan naar goud.

 Na twee jaar speuren vond hij in Thailand wat hij zocht: in Azië worden Boeddhabeelden door bezoekers van tempels sinds eeuwen bedekt met bladgoud, zodat zich lagen vormen, zo dik dat je naar de oorspronkelijke vorm alleen nog maar kan raden en abstracte sculpturen ontstaan.

 De monniken legden hem uit dat het zoiets was als het aureool in het Christendom. Goud brengt geluk. Met dit verschil: voor dit ritueel was echt goud ook niet nodig, zeiden ze. Integendeel. Vertoon van rijkdom gold als beledigend voor de godheid. Geloof was voldoende. Zodat ook de armen konden meedoen aan het ritueel. Namaakgoud was daarom beter.

 ps. Het buitengewone boek met goudkunst van Moritz en goudver­halen van tal van Nederlandse schrijvers is tegelijk verschenen en te krijgen in Bergen. 

Tags: 

Brug

 Gisteravond in Brussel bij de uitreiking van de tweejaarlijkse poëzieprijs van Het Liegend Konijn, het leukste gedichtentijdschrift van Nederland en België. Bernke Klein Zandvoort kreeg hem. Voor haar debuut Uitzicht is een afstand die zich omkeert.

 In het tijdschrift Terras (2011) schreef ze over haar heel eigen ruimtelijke ordening. Titel: 'Over de snelheid van de montage en hoe een neerkomende brug over je heen valt':

 'Je staat te wachten voor een openstaande brug. Gewoonlijk is de brug een drager. De dag vindt plaats. Haar aanwezigheid is een ontwijkende, ze hoort niet te worden opgemerkt. Op het moment dat er een schip ligt te wachten, verandert deze situatie. Alle aanloop rond de brug valt stil.

 Motoren slaan af, het wegdek maakt zich los en verheft zich tegen de lucht. Achter wat beweegt - het knipperende oranje licht, de mast van het schip dat door de opening vaart ‑ torent de brug als groot zwart oppervlak overal boven uit.

 Is het schip voorbij, dan zakt het wegdek weer langzaam naar beneden. Z'n schaduw rekt zich uit, de neerkomende brug valt over je heen, totdat hij aansluit bij de horizontale lijn. De voorgrond is terug naar de achtergrond, het obstakel is weer drager. De dag gaat door.'

 Ook gisteren was daar de bundel met Bernkes gedicht dat begint met de woorden 'augustus was overrijp', vertaald in alle talen van de Europese Unie. Dat zijn er 24. Met steeds het origeel ernaast is dat verrassend lezen.

 

Honger‑symphonie

 Weinig Nederlanders in Eric Mins 'De eeuw van Brussel': Multatuli, die er de Havelaar voltooide, Jan Toorop, maar geen Gorter. Wel Neel Doff, die door de Keetje Tippel-film van Paul Verhoeven voorgoed de hoer werd. Dat ze vooral een bijzondere (Franse) schrijfster was -kandidaat voor de Goncourtprijs in 1911 - leer je uit haar 'Dagen van Armoe en ellende':

  "We waren allemaal misselijk van den honger. Ik was niet uitgegaan, omdat ik niet wist, naar welken kant mij te wenden. Vader was op, verslapt; wij zagen hem bijna niet meer; hij zwierf rechts en links rond, buiten staat tot eenig ernstig werk. Hein en Naatje spraken over 't kunstje, om aan één klein boterhammetje genoeg te hebben. Naatje vond, dat je 't in de rondte af moest knabbelen; 't laatste stukje, zoo groot als een cent, moest je in je mond houden en 't daar laten smelten.

  'Nee,' antwoordde Hein, 'zoo moet je niet doen. Langzaam eten maakt je honger erger; als ik genoeg wil hebben aan één snee brood, slik ik de stukken in, haast zonder kauwen; dan krijg je later wel hoofdpijn, maar je honger is minder.'

  Dirk kwam als een wervelwind binnen stuiven; hij liet de deur wijd open staan en begon dadelijk in de kasten, de laden, de kachel, tot onder de meubels toe naar iets eetbaars te zoeken. Zijn gezicht had een uitdrukking van waanzin. Toen hij niets vond, ging hij weer weg, zonder een woord te zeggen. Moeder was uitgegaan; ze dacht, dat haar hoofdpijn beter zou worden, als ze voor de keukenramen de lucht van 't eten, dat er werd klaargemaakt, op ging snuiven; maar ze kwam nog zieker thuis en met nijpender honger.

  'Wat zouden de rijken toch eigenlijk eten? De lucht alleen zou een doode opwekken, maar als je maag leeg is, sterf je van verlangen er naar. Wat moeten we doen? Wat moeten we doen?'

  Daar ik duizelig was en mijn slapen hamerden, ging ik naar het raam om 't open te zetten; vóór 't winkelraam van den slager aan den overkant zag ik Kees staan, hij likte de ruit op de plaats, waar aan den binnenkant de hammen en ossetongen waren uitgestald."

Pagina's