Carmiggelt gedundrukt

 Dat Simon Carmiggelt vol onuitgesproken gedachten zat maakt denk ik de charme van zijn stukjes uit. Nu sjiek bloemgelezen.

 Het stond er niet, toch drong tot je door dat de berustende huisvader die hij liet zien, een cover-up was. Toen Renate Rubinstein hun relatie verklapte in 'Mijn beter ik' was ie weg. Weg de man 'die het leven kende', wiens bundeltje elk jaar met Sinterklaas juichend door mijn ouders werd uitgepakt, omdat het ook hún huwelijksleven legitimeerde.

 'De man' uit z'n stukjes, dat was hij zelf, en dat die man wel eens wat dronk, nu ja. Daar bleef het bij. Aan schrijven is hij nooit toe gekomen. Daarom, denk ik, zat er zo'n grimmigheid in hem. Dat merkte ik toen hij meedeed aan de Juinensche Courant, die voortkwam uit een vpro-campagne. Die vond hij veel te braaf. Een van z'n (anonieme) bijdragen was getiteld 'De Jeneverbus rijdt weer'. Geschreven uit woede omdat voor de junks in Amsterdam weer een 'Methadonbus' reed. Onverdraaglijk voor een alcoholist.

 Renate redde hem. Als ie bij haar aan het Sarphatipark was zei ie thuis dat ie naar de Juinensche krant moest. Jennen kon ie ook. We meldden ons eens aan de receptie van het Amstelhotel voor een redactievergadering. Hij werd onmiddellijk herkend. Mijnheer Carmiggelt?

'Wij komen voor de Juinensche Krant.'

'Juinensche Krant?'

 Zwetende mannen konden het niet vinden. Hij liet ze zweten. Stel je voor dat hij zo'n boek had geschreven als Renate. Misschien ligt er nog ergens een manuscript.

Tags: 

Vocht

 Vocht zijt gij en tot vocht zult ge wederkeren. Dacht ik na de derde 'afdeling' van De beloofde dinsdag, nieuwe dichtbundel van Martijn den Ouden, die 'het is hier vochtig' heet. 

 Zelfs wanneer ze me met veel stookkosten cremeren en mijn kurkdroge as wordt uitgestrooid op het veldje dat daar voor is zal die na de eerste bui al verzadigd raken. Er zullen daar paddestoelen opschieten. Niets gaat verloren. Daar zorgt het vocht voor. En als iemand daarvan doordrongen is, Martijn den Ouden:

  ik was slaaf in een gieterzaak / ik at kooldraden

  ik sliep slecht / vrachtwagens ronken in het park

  ik heb veel gieters gezien / polyester gieters / gieters van tin

  een klant / hij komt hier vaker / zegt dat gieters op gletsjers lijken / in hoe ze zich gedragen

  ik kon niet in de keuken zijn / een dik gevlekt hondje werd driftig als hij mij daar zag / ik at daarom mijn kooldraden op de rand van mijn bed

  van dat bed dient u zich niet te veel voor te stellen

  ik zag van die mensen wandelen / van die mensen met zachtaardige klanken in hun stemmen

  waar de mensen wandelen stroomt een beekje / aan de oevers worden wedstrijden gehouden

  de fanatieksten gillen

  ik kan best buiten zijn als het miezert

  als het miezert worden de wedstrijden afgelast

  dat weet ik heus

Verloren tijd

 Kun je iets verliezen dat je nooit hebt gehad? Dat is het raadsel dat sphinx Marcel van Eeden me opgeeft.

 De andere Marcel, Proust, hoefde maar een Madeleine cakeje te eten of hij liep door Combray, aan de hand van z’n tante.

 Deze pagina uit Van Eedens verzamelde 'Tales of murder and violenc­e', nu verschenen bij het Haagse Stroom, geeft me twee van zijn Madeleines in de geest: de stoomtrein en de hoornen bril. Stoomtreinen die rijden naar een hiervoormaals waar hij thuis is, al was hij er nooit. En een bril die hij nooit op zijn neus heeft gehad, zelfs niet, wed ik, heeft zien dragen door een man in een pak.

 Terwijl ik - wat doe ik in zijn droom? - voetbalde met zo'n bril op, die na een mislukte kopbal in tweeën in het gras lag. Gebroken glas. Bloed op m'n voorhoofd, het lit­teken is nog zichtbaar. En met een vriendje wachtte op de loopbrug bij station Zutphen tot de stoomlocomotief kwam, die ons even onzichtbaar zou maken in witte, of zwarte rook.

 Niet vermoedend dat Marcel van Eeden verderop zat, met z’n negro-potlood en z'n tekenblok. 

 Morgen in de Avonden meer.

Marcel van Eeden (2)

 Vanmiddag in Den Haag me ondergedompeld in de Sammlung Boryna van Marcel van Eeden.

 Marcel van Eeden leidt in de kunst meerdere levens, net als Fernando Pessoa. In de projectenzaal van het Haags Gemeentemuseum is die 'schizofrenie' zo mooi. Soms kiest hij de vorm van 'Outsider kunst' zoals je die ziet in het Gentse Dr. Guisl­ain, dan weer laat hij de karakters in zijn levensroman kunst maken uit musea van de jaren '50. Kunst als tijdsverschijnsel. Maar ook als onderwerp, waarover later meer.

 De zwart-witte 'nieuwsfoto's' zijn er, ook het stadsgezicht: naoorlogs horizon­taal beton, lege winkelstraten in de avond, waar het voor altijd november is.

 De tijdgeest van rond 1960 beheerst deze Sammlung. En je gaat mee naar dat verleden - dat hij zelf nooit meemaakte. Onontkoombaar ga je denken 'ja, zo was het'. En zo heeft Marcel van Eeden mijn Den Haag - heel de wereld wordt Den Haag - vervan­gen door het zijne. Dat hij nooit met eigen ogen aanschouwd heeft.

 De catalogus behelst veel meer dan de Sammlung Boryna. Die maar een van de vele hoofdstukken is in een verhaal dat al maar verder gaat. Steeds nieuwe vormen aanneemt, in woord en beeld. Ik koester hem.

Biografen

 Het nieuwe nummer van het 'Haagse' literaire tijdschrift Extaze gaat over biografie. Zo beschrijft Kees Ruys hoe zijn biografie van de 'Indische' schrijfster Aya Zikken met vallen en opstaan tot stand kwam. Hij doet dat in de vorm van een brief aan de schrijfster, die stierf op de avond van de presentatie van het boek.

 Ruys: 'Een ruime week daarvoor had ik je het eerste exemplaar gegeven, tijdens dat bescheiden feestje waaraan jij de naam 'Achter de rug' had gegeven. Later hoorde ik dat je van plan geweest was om een voile mee te nemen, die je tijdens die bijeenkomst telkens over je hoofd zou trekken zodra het woord biografie zou vallen. Een medewerkster van de thuiszorg had het plannetje met moeite uit je hoofd weten te praten.'

 Haar houding: een biografie verwelkomen en die dan vervloeken. Ruys: 'Hoewel je elk fragment in elke versie had gelezen en nooit afkeurend had gereageerd, zei je dat ik je bedrogen had, bes­tolen zelfs.'

 Toch hebben ze die middag samen 'Alles is voor even' nog doorgebladerd: 'We zeiden vrijwel niets, maar deze paar minuten maakten voor mij even alles goed..'.

 Een pracht van een stuk waar heel het dilemma in zit. Je leven uit handen geven - terwijl je nog leeft - eigenlijk kan dat ook niet.

Nadar

 Ook ballonpionier en fotograaf Félix Nadar was in Brussel. In 1864 zou zijn vriend Baudelaire mee de lucht in gaan op de nationale feestdag 21 juli toen hij zijn ballon 'Géant' opblies op de terrassen van de Kruidtuin.

 Er was een menigte samengestroomd, ook koning Leopold I was er. De ballon steeg op, maar zonder Baudelaire. 'Rond middernacht landt de Géant ergens tussen Ieper en de kust, en de volgende ochtend spoort het gezelschap al terug naar Brussel. Omdat de ballast veel te zwaar is, was voor Baudelaire geen plaatsje over. Wel eten de heren achteraf samen in Le Grand Miroir, waar de secretaris van de dichter oa. noteerde:

 'Dan volgen kwartels uit de wijngaarden langs de Moezel, gebakken in de fijnste Vlaamse boter uit Diksmuide, met groenten en een Franse salade. Daarna komen belegen roquefort, peren, druiven en noten op tafel. Er is oude bourgogne en grootse cognac bij de koffie - de fijnste mokka van Britse import, bereid met een Franse filter: Baudelaire wil niet weten van de typische Vlaamse doorloopzak en van de cichorei waarmee het goedje in België wordt aangelengd.

 De godendrank wordt opgediend door het kamermeisje Nelly, dat op verzoek van de dichter ook nog met een vleermuis in een kooi komt aanzetten. Mijnheer Charles heeft het 'vieze beest' - dixit Nelly - bij het vallen van de avond opgeraapt op de binnenplaats van het hotel. Liefdevol heeft hij de vleermuis in zijn zakdoek gerold en het beest in het kooitje van wijlen Nelly's kanarie gestopt. Met broodkruim en melk komt het er langzaam bovenop. Als het dier genezen is, zal de dichter het loslaten in de crypte van de Sint‑Annakapel tegenover het hotel, waar het thuishoort.'

 Zover Nadar, de roodharige reus en veelvraat van wie werd beweerd dat hij al zijn ingewanden dubbel had. In de stad werden al Nadar‑omeletten geserveerd. Monsterachtige porties van populaire gerechten kregen het epitheton 'Nadar‑' mee.

 Morgen praten met Eric Min over zijn Eeuw van Brussel.

 

Marcel van Eeden (1)

 Krijgt de tweejaarlijkse Ouborg-prijs. In Den Haag, waar anders. Vrijdag opent in het Gemeentemuseum een expositie van zijn raadselachtige project 'Sammlung Boryna'.

 Als bekend tekent hij de wereld voor zijn geboorte (1965).

 Naar bestaand beeldmateriaal, vaak uit oude tijdschriften, boeken of kranten. Toenemend in flarden. Zo doet het gemiste verleden zich kennelijk aan hem voor. Wees niet verbaasd als er ook kunst uit die verloren tijd bij zit.

 Ik moest even slikken toen eergisteren in een flatje in München een schat aan 'ontaarde' kunst uit dat verleden opdook. Zo werd Marcel zijn 'Sammlung Boryna' - 60 tekeningen en twee sculpturen, die door het museum zijn aangekocht - opeens een tot nu toe verloren gewaande, plotseling teruggevonden kunstverzameling.

 Het beste lijkt me daarom de werken bij de opening symbolisch terug te geven aan de wettige erfgenaam van de door hem zelf bedachte psychiater en kunstverzamelaar uit de jaren ’20 Matheus Boryna: Marcel van Eeden.

Pauvre Belgique

 Vrijdag naar Brussel om Eric Min te spreken over 'De eeuw van Brussel, biografie van een wereldstad (1850‑1914)'. Een boek van voetstappen, niet de minste, wie week er niet uit naar Brussel als het hem elders te heet onder de voeten werd?

 Karl Marx, Sigmund Freud, Rimbaud en Multatuli woonden en schreven er. Soms jaren. Charles Baudelaire, de dandy, de grote flaneur kwam er in 1867 tierend aan z'n voorlaatste snik, gruwend van de stad. Eric Min citeert Pauvre Belgique:

 "'Het flaneren, een dierbare tijdsbesteding voor volkeren met fantasie, is er onmogelijk. Niets te zien, de straten onbegaanbaar.'

 Een groep Belgen lijkt wel een schoolklasje, een bende, een blok of een kleine volksstam. De vrouwen gaan uitsluitend pissen in groep. Ze lachen zonder reden. De spieren van hun gezicht zijn niet in staat tot een glimlach. Hun ogen, onschuldig en argeloos, zouden de lenzen van een microscoop kunnen zijn. De tronies van de inboorlingen: afzichtelijk, vormeloos, vaalbleek of net het tegendeel - wijnrood. Gele haren. Een bakkes tussen koster, beulsknecht en wildeman. Kermisvolk van Bruegel en Teniers. Bizarre kaak­constructies, een dreigende stompzinnigheid. Scherpe tanden. Nergens een wellustige mond, maar evenmin gebiedende of ironische lippen. Belgen spreken met een dikke tong; de lettergrepen blijven achter in hun keel. Verbazend veel bochels. Wie zich elegant wil voordoen, draagt een lorgnet van vensterglas. De Belgische manier van lopen is idioot en log. Mensen kijken voortdurend achterom en botsen de hele tijd tegen elkaar aan.

 Lopen is een soort van vallen. Zo daagt een Brusselaar op straat de zwaartekracht uit. Even razend als besluiteloos host hij rond. De benen en borsten van een Belgische vrouw - 'wijfje' is allicht correcter - zijn volvet, haar voeten plat 'en bij dit alles de winderigheid en het opgeblazen uitzicht van een kropduif'.

 De dichter heeft zijn taalstreken uit de tijd van Les Fleurs du Mal niet verleerd. De Brusselse en de Vlaamse vrouw - de Waalse laat hij voorlopig buiten beschouwing bij gebrek aan didactisch materiaal - is voor hem niet alleen een remedie tegen de liefde of een 'groente, geteeld op moerassige bodem' maar ook 'een drassig geweld'.

 'Katten, feeksen en hellevegen. De vrouwen lopen met hun voeten naar binnen. Grote platvoeten. Grove armen, grove borsten en grove flessenkuiten.'”

Wapenstilstand 1918

Op 11 november herdenkt men in België, Groot Brittannië, Frankrijk en Duitsland de wapenstilstand van 1918, gesloten in de spoorwagon in het bos van Compiègne die er nog steeds staat. Ik was er.

 Het neutrale Nederland bleef door de inzet van de geallieerden – miljoenen doden - buiten de strijd. Maar herdenkt niet mee. Schandalig profiteursgedrag. In de landen om ons heen is de klaproos het levende symbool van de wapenstilstand. Op de Engelse tv draagt iedereen hem, nog steeds.

 Ooit werd gedacht dat de klaproos groeide op de plaats waar iemand vermoord was, dat het bloed door de plant werd opgenomen en bewaard in de bloembladen. Vandaar de vele klaprozen op het slagveld. Maar het komt doordat slagvelden werden omgewoeld, waardoor de zaden aan het licht kwamen en ontkiemden.

Militairen en psychiaters (3)

 Vorig jaar zag ik in Dr. Guislain de tentoonstelling Nerveuze vrouwen over hyste­rie in de 19de eeuw. Een verschijnsel dat toen alleen vrouwen leek te treffen. Maar in 1914 aan het front, waren het mannen die de zelfde symptomen vertoonden.

 Geen ontkomen aan: de loopgravenoorlog maakte van mannen hysterische vrouwen. Hulpeloos, onder de voortdurende dreiging, zonder uitzicht op ontkomen zagen ze hun kameraden verminkt raken of omkomen. Ze gingen schreeuwen, kregen onbedaarlijke huilbuien. Hun ledematen verstijfden. Ze konden niet meer spreken en reageerden niet meer op hun omgeving. Ze leden aan geheugenverlies en werden gevoelloos.

 Zenuwinstortingen waren de oorzaak van veertig procent van de verliezen in het Britse leger. Demoralisatie dreigde bij de troepen en aan het thuisfront. De traditionele disciplinaire bestraffingen om de manschappen snel terug te krijgen aan het front hielpen niet. Men moest tenslotte toegeven dat 'shellshock' veroorzaakt werd door psychische trauma's.

 Een andere benadering volgde in Duitsland, toen de Nazi's daar aan de macht kwamen. Wat leidde tot harde bestrijding van alles wat 'ontaard' was, van psychische oorlogsslachtoffers tot makers van avant-garde kunst.

Pagina's