Wadjda

 De Saoedische Haifaa Al Mansour - een vrouw, voor het eerst - maakt een film waarin een moeder en haar dochter zich schoorvoetend teweerstellen tegen de alledaagse verdrukking waaraan vrouwen blootstaan. Het loopt nog goed af ook.

 Zou het? Je moet het wel geloven, juist omdat alles wat een vrouw niet mag zo tot in détail in beeld wordt gebracht. Natuurlijk mag een vrouw thuis niet zingen, een vreemde man zou haar kunnen horen. Natuurlijk mogen vrouwen niet autorijden en gaan ze buitenshuis zwaargesluierd rond - ontroerend zijn hun voeten, het enige eigene, wat je ziet zijn schoenen, sokjes, het lakken van teennagels. En natuurlijk zoekt een man een ander als zijn vrouw geen zoontje krijgt.

 De tienjarige, tomboy Wadjda, heeft begrepen hoe de Saoedische wereld in elkaar zit. Dus wil ze een jongen zijn, en dat begint met een fiets. Duur! Om aan geld te komen moet ze - tegen haar zin - wel een wedstrijd Koranvoordracht winnen. Dat lukt, maar haar antwoord op de vraag wat ze met het geld gaat doen luidt 'een fiets kopen'. Dan is de boot aan. Het geld gaat naar een goed doel, van fietsen word je immers onvruchtbaar.

 Een mirakel, deze film? Toch niet echt, sinds twee maanden mogen Saoedische vrouwen fietsen. En, prins Waleed Bin Talal eigenaar van een Arabisch media-imperium, financierde Wadjda. Anders was deze geestige en ontroerende film er niet geweest. Of ie in Saoedie-Arabië vertoond mag worden weet ik niet. 't Blijft vreemd, deze Islamkritiek gaat veel verder dan die van Kiarostami in Iran.

De Sirenen

 Van wie de Zeemeermin een verre nazate was leerde ik kennen in de Odyssee-vertaling van mijn leraar Jan van Gelder (1959). Grote vogels met vrouwenhoofden. Circe waarschuwt Odysseus:

 'Nadert een man, in zijn on­verstand, deze demonen tot zo nabij dat hij haar stemmen hoort, dan keert hij niet meer naar huis terug, dan komen zijn vrouw en kleine kinderen nooit meer vroli­jk bij hem staan, maar de Sirenen betoveren hem met haar helder klinke­nde zang. Zij zitten op een weide. Om hen heen liggen stapels beenderen, en dode lichamen in verwording, met wegschrompelende huid. Daar moet je voorbij varen. Stop de oren van je mannen vol met was, die jij zelf hebt gekneed, zodat niemand iets kan horen. Wanneer jijzelf, echter, wilt luister­en, laat je dan aan handen en voeten rechtop tegen de mast binden; de touwen moeten daar stevig omheen geslagen zijn. Op die manier kun je genieten van de stem der Siren­en, en elk smekend verzoek van jou om bevrijding moeten je vol­gelin­gen beantwoorden met nog meer touwen en knopen.'

 Homerus (800 vChr.)

Tags: 

Sprookje

Gisteren, in de Lange Nacht van Kort Vreemd Proza in Utrecht las ik in de buitenlucht dit sprookje voor aan twee mensen in een hemelbed, onder het afdak van een kinderboerderij. Om ons heen luisterden zwarte schapen en kippen mee. Het regende hard. Ik las:

 'Een prinses zat opgesloten in een toren. Die gebouwd was op bevel van haar stiefmoeder. Waarom? Dat wist niemand meer. Zij zelf ook niet. De stiefmoeder was allang dood. En haar vader leefde ook niet meer. Eenmaal per dag werd een mandje met voedsel omhoog getakeld naar haar raam. Ze zong, ze keek naar buiten en ze weende. En dat werd in het hele land rondverteld. De prinses moest gered worden, dat stond vast.'

'Waarom eigenlijk?'

'Omdat het een sprookje was. Luister, op zekere dag trokken achtduizend mannen op om de prinses te redden. Ze hadden allemaal een ladder bij zich. Beneden aan de toren sloegen ze hun kamp op, en luisterden ontroerd naar het gezang van de prinses tot die zich terugtr­ok. De prinses moest gered worden, dat stond vast. Maar door wie? 's Avonds werden ze dronk­en. Ze kregen ruzie en er ontstond een enorme vechtpartij. De mannen slachtten elkaar af. De volgende ochtend waren er nog maar twee in leven. Eén had een zere knie, de ander een bloedende hoofd­wond. Wie mocht de prinses redden? Ze gooiden een muntstuk op en de winnaar ‑ een triatlonkam­pioen ‑ klom op zijn ladder naar het raam van de prinses. Ze was verblindend mooi.

"Hallo, ik kom je redden," zei hij.

"Alles liever dan dat," zei de prinses en duwde de ladder weg. De kampioen viel omlaag en brak z'n nek. De ander ‑ een boerenjongen die Hans heette, zoals altijd in sproo­kjes ‑ zag het gebeuren. De prinses moest gered wor­den, dat stond nog steeds vast. Maar hoe? Hij zette zijn ladder tegen haar raamkozijn. Maar zelf ging hij beneden in het gras liggen. Er vloeide nog steeds bloed uit zijn hoofdwo­nd. Help, riep hij­... Help! En... ze leefden nog lang.'

Het dode punt van de schommel

 Morgen opent de tentoonstelling van Renie Spoelstra in het Rijksmuseum Twenthe. Houtskooltekeningen van soms wel twee bij drie meter die - in haar woorden - dat 'ene moment' willen laten zien.

 Het moment overal tussenin, tussen omhoog en omlaag, stilstand en beweging. Vooruit, niks en alles. De 'recreatiegebieden' waarmee ze bekend werd zijn nu soms een 'plaatsje' geworden, je ziet weleens iets van een huis of auto. Maar het delicate 'net-niet' bleef onaangetast.

 Opeens zag ik haar verwantschap met Marijke van Warmerdam. Bij wie je ook blijft zoeken naar tijd- en plaatsaanduidingen. En vaak blijft steken in 'ergens', in 'nog net' of 'bijna'. Zodat je haar werk, net als dat van Renie Spoelstra, gaat zien als een ontsnapping aan al wat ons vasthoudt.

 In het blad van Twenthe zegt Renie dat ze uit is op vooral het gevoel 'waar kijk ik precies naar'. En stelt vast dat toeschouwers altijd betekenis gaan zoeken - en die ook vinden.

 Later meer.

Tags: 

Meermin (2)

 De Zeemeermin is als fabeldier ongrijpbaarder gebleken dan de Eenhoorn, die al door het Concilie van Trento in de ban werd gedaan. De meermin komt tot in de 18de eeuw in ernstige weten­schappelijke werken voor als zeedier.

 Ze moest en zou bestaan, half dier en half vrouw zijn, dat leert je de ten­toonstelling in Teylers en de doorwrochte catalogus. Wat vingen vissers door de eeuwen in hun netten, wat ontstapte ze telkens weer? Lang op zee zijn vertroebelt de zinnen.

 Werd Venus niet uit het schuim van de zee geboren?

 Telkens werd ze gezien en ontzwom weer. Vaak met twee staar­ten, wat seks waarschijnlijker maakt. Al komen twees­taartige vissen niet v­oor. Ongrijpbaar blijft ze, demonisch mooi en levensgevaarlijk. Want ze neemt je onherroepelijk mee, de diepte in. Moet je het als vissersman maar niet wagen de on­berekenbare zee op te gaan. Vreemd genoeg vraagt niemand in de geschiedenis zich af wat er in de verleidster omgaat. Hans Christian Andersen was de eerste die haar tragiek zag.

 Maandag in de Avonden meer. 

 

Sjieke armoe in de kunst

 Zwolle, Den Bosch, Amsterdam. En het eind is niet in zicht. Overal willen wethouders hun stad op de kaart zetten. Resul­taat: steeds meer nieuwe musea waar steeds minder te zien is. Gezichtsbedrog. Geld voor tentoonstellingen schiet er ken­nelijk bij in, want er wordt ook nog bezuinigd.

 Die pijnlijke indruk hou je over na voor de Avonden en Kunsts­chrift een paar jaar rondgaan op zoek naar bijzondere ten­toonstellingen.

 Vandaag brengt NRC-Handelsblad het antwoord: managers uit het bedrijfsleven hebben het voor het zeggen gekregen in de kunst. 'In het overgrote deel van de toezichtsraden en besturen zit slechts één persoon uit de cultuursector.' En dus gaat het bij musea, orkesten en gezelschappen niet om kunst maar om geld.

 En dat komt binnen, de museumjaarkaart komt eraan tekort. Intussen moeten Rijksmuseum Twenthe, Jan Cunen of het Tropen­museum zich aan de haren uit het moeras trekken. Musea die artistieke risico's nemen worden almaar schaarser of sluiten. Veel buitenlandse exposities bereiken ons land niet meer. Steeds vaker luidt het armoedige motto 'een nieuwe blik op de vaste collectie'. En, tentoonstellingen blijven almaar langer staan.

 De nieuwe combinatie van het Stedelijk en het Noordbrabants Museum in Den Bosch..  Mooi gebouw, maar geopend met de droeve neo-religie van Marc Mulders..

Meermin (1)

 Was Hans Christian Andersen de eerste die de eeuwenoude ver­halen over zeemeerminnen ten einde dacht? Een Zee vol Meerminnen heet de tentoonstelling in het Haar­lemse Teylers waar ik – onder veel meer - het antwoord hoop te zien. Wat er achter dit - ook al door Disney verzoet­elijkte - sprookje schuilgaat is pijn.

 De zeemeermin is bij Andersen eens niet de verleidster zoals de Sirenen in de Odyssee, die immers ook zeemeerminnen waren. Of zongen ze zo mooi omdat ze pijn hadden?

 Als voorleeskind al voelde ik de pijn van de zeevrouw die een zeevarende prins van de verdrinkingsdood redt, op hem ver­liefd raakt en haar staart bij de zeeheks – tegen inlevering van haar tong - verruilt voor benen. Al wist ik toen nog niet dat ze dat deed om ze te kunnen spreiden voor de prins.

 Zonder haar staart 'liep ze op messen', las mijn moeder voor. Nooit vergeten. Maar nee, weet ik nu, de messen lagen niet onder haar voet­zolen, de pijn was gruwelijker. Andersen, de sadist, liet het hier niet bij. Zijn zeemeermin werd wel een vrouw, maar zingen of praten kon ze niet meer. Waar­door de prins ver­veeld raakt, haar afdankt en met een ander trouwt.

 Nooit gehoord dat de Deense vrouwenbeweging bezwaar maakte tegen haar beeldje in de haven van Kopenhagen. Benieuwd hoe ze er in Teylers vanaf komt.

Mij is te verstaan gegeven

 Is de titel van een gedicht van Sylvia Hubers dat staat in haar bundel Niet over het Spaarne! Oogst van vier jaar hoogst ernstig opgevat stadsdichterschap.

 'Mij is te verstaan gegeven dat er van me wordt gehouden. Ik kreeg daarvan steken in mijn zij, steken in mijn hoofd, steken in mijn benen. Toen het ophield te steken, kreeg ik vlagen. De ene vlaag na de andere, hier een vlaag, daar een vlaag. Te veel vlagen. Ik ben vlagen gewend maar van deze vlagen kreeg ik jeuk. Jeuk overal, jeuk niet te stelpen met simpele nagels. Mijn simpele wezen vreesde dat mij nog maar één ding stond te doen: aanbellen van ping pong, ha hallo, van o ja, van hier daar, nog een keer, nee! ja! ja! Enzo, waardoor ik dus weer eens een keer ping pong, gedachteloos, meedeed, ja weerloos meedeed, met wat er aan de gang was.'

 Woensdag is Sylvia te horen in de Avonden. Zaterdagavond staat ze in de Lange Nacht van Kort Vreemd Proza in Utrecht.

Tags: 

Dichtbij in de verte

 Noemde Marijke van Warmerdam (1959) haar grote tentoonstelling in Boijmans (winter 2011-2012). Morgen gaan we op pad. Naar filmland, zeg ik maar. Er gelden daar andere wetten. Wat we aantreffen in haar Theater van het Alledaagse zal dv. te horen zijn in een radio-zomeravond.

 'Een beeld is het mooist als het er normaal uitziet maar het gevoel oproept dat er iets niet klopt.' Zoals in haar filmloop Droommachine (2006), als druppels melk in een glas water vallen en daar een wonderwereld doen ontstaan: 'Ik hoop dat de toeschouwer snel opgaat in wat hij ziet. Niet alleen het glas, ook de achtergrond. De film begint zwartwit, maar verandert in sterke kleuren, zoals in dromen gebeurt.' 

 Een verhaal is het niet. Wat wel? Een beeld dat vertraagt, de tijd uitrekt, de tijd terugbrengt naar woorden als altijd - ooit - nog - nog niet - nooit meer - nog steeds. De meeste loops zijn geluidloos, de soundtrack is het welsprekende geluid van de filmprojector.

 Eén vraag mag ik niet vergeten: Waar bleef de man die zich sinds 1995 eindeloos douchte op perron 4 van station Schiphol?

Doina Ioanid (2)

 De prozagedichten in het gisteren bij Perdu verschenen 'Oorbe­llen, buiken en eenzaamheid' - dat is ook precies waar het over gaat - van Doina Ioanid zijn messcherp.

 Hier slijpt ze haar messen:

 'In deze vervelde nacht, nu zelfs de dood stil als een zep­pelin voorbijtrekt, haal ik de messen, de blikopener en een bot zakmes uit de laden en begin ze te wetten. Ik wet ze, langdurig, op de lijnen van mijn handpalmen.'

 

Stel geen vragen, lees:

 'De eenzaamheid komt tegelijk met de buurvrouw van vijfhoog. Uit haar gelige, weke vrouwenvlees en haar vieze haren daalt de eenzaamheid neer, maakt haast en rukt de tong van de voor­bijgangers uit.'

Tags: 

Pagina's