Vlinders

 Bellas mariposas. Dat vlinders mooi zijn moet er denk ik alleen bij verteld worden als twijfel rijst. En die rijst er bij twee twaalfjarige giechelvriendinnen in de film van Salvatore Mereu.

 De ene, Caterina is de vertelster. Zij voert je een dag lang mee door haar leven in het buitenwijkbeton van Cagliari op Sardinië. Een mediterrane sterfput. Wat spoken meisjes daar uit, rond die leeftijd?

 Haar zusje zuigt mannen af voor geld, zodat er af en toe ook ijsjes voor Caterina overschieten, die zelf maagd wil blijven tot ze trouwt met de brillende buurjongen. Maar dat wordt niks. Net zomin als haar idee om zangeres te worden. Je word piekfijn bijgepraat. Wat haar vader uithaalt is niet meer te volgen, haar broers gaan hun eigen gang. Alleen de moeder verdient wat en controleert waar mogelijk.

 Tot de gebeurtenissen je als toeschouwer boven de kop groeien. Vroeg of laat culmineert zo'n wirwar aan personages en ontwikkelingen in schoten, brekend glas en politielinten. Dat gebeurt vanzelf op zo'n plek. Iedereen weet dat. Niemand kijkt er van op als het tenslotte gebeurt. Het is warm. En dit brengt een zekere opluchting, is immers de enige logica. Iedereen wordt even wat rustiger. Een ideale film om bij deze temperaturen te zien.

Oscar Jespers (2)

 Beeldhouwkunst wordt steeds weer bedreigd door dodelijke ernst. Soms denk ik dat dat komt door de zware materialen, het brons, het graniet, het marmer, het hout..

 Lichtheid in beelden is schaars, bij Brancusi, Man Ray soms. Zelfs Rik Wouters ontsnapt niet als hij Nel vrouwshoog neerzet met huiselijke zorgen. Waar bij komt dat in de kring van de gebroeders Oscar en Floris Jespers de figuur van Paul van Ostaijen torende. Geen beeldhouwer, wel een vervaarlijke theoreticus, die niet aarzelde zijn beeldende vrienden de wet voor te sch­rij­ven. Het kubisme was hem heilig als leer van de geest. De lichamelijkheid van Rodin en Rik Wouters lustte hij niet, zo lees ik in 'Oscar Jespers, beelhouwer en tekenaar' van José Boyen dat bij Beelden aan Zee verscheen.

 Oscar Jespers zat beklemd tussen twee vrienden: de expres­sionist Woute­rs, die 1916 als oorlogsvluchteling stierf aan kanker aan de Amsterdamse Kostverloren kade en de dwingeland Van Os­taijen, die in 1928 stierf aan tbc. Voor de laatste deed hij de beroemde typografie van 'Bezette stad' (1918-1921), over de Eerste Wereldoorlog die ze beiden in Antwer­pen doormaakten.

 Terwijl Jespers vormgaf zat Van Ostaijen depressief in Berlijn, maar er werd druk gecorrespondeerd over de proe­ven. Tenslotte was Van Ostaijen tevreden.

 Gevraagd waarom hij de paginanummers wegliet zei Jesper­s: ''t Stond dom.'

Prinsentuin

 Morgen begint in Groningen Dichters in de Prinsentuin. Geheel in de open lucht, in de tuin achter de Prinsenhof. Met oa. Marion Poschmann. Hier, uit het Berlijnnummer van Tijdschrift Terras haar 'de dame met de hermelijn', vertaald door René Huigen:

 het sterft als je

zijn blankheid bezoedelt: het reisde met ons

in een trein vol toeristen, zijn snuivende neusje nerveus

van de geur der voorbije Baltische Zee, van

 

de wc en het opstijgende stof

uit de zonbeschenen bekleding, van wasverzachters

uit smoorhete T‑shirts, van zilte huid en

het vet van frites aan de vingers

 

van de vrouw tegenover: we hadden gezien

hoe ze de met olie doordrenkte puntzak samenpropte

tot een balletje voor het fretje

dat geeuwde en zijn snijtandjes toonde, de scherpe

 

klauwen op haar te dikke dijbenen gespreid;

het schudde in zijn tuigje, schudde zich uit verloren

landschappen, die langs de ramen raasden.

we vroegen: jaagt het? ze keerde het zachtjes op zijn rug

 

en krauwde door zijn buikhaar, we zagen in zijn plaats

over de schouder van de dame spoorwegreclame en hoofdsteunen,

en vroegen ons af hoe de dag zou worden: tomeloos

of alleen maar uitzonderlijk?

Oscar Jespers (3

 Rik Wouters kon zijn Nel te allen tijde vragen in die houding stil te blijven staan, precies zo, met dat strijkijzer in de hand. En dan schilderde hij haar.

 Van Rik is bekend dat hij bij Oscar Jespers op atelier kwam en daar een beeldje in klei zag ontstaan waaraan naar zijn idee teveel franje zat. Hij nam een mes en streek ze weg. Die strakke vorm heeft Jespers nooit verlaten.  

 Maar daarbinnen lukt het hem altijd het eigene te treffen. Van vrouwen vooral. In net dat ene trekje om een oog, juist die houding. Het grafmonument voor zijn vriend Van Ostaijen is uitzonderlijk. Ik ken er geen tweede zo. Een liggende man. Op z'n zij. Met open ogen. Hij is niet dood, eerder in gedachten verzonken. Het heeft ook een titel: Engel. Maar nee, ik moet beter kijken. Het is een engel. Hij vliegt.

 Het is de zelfde nabijheid die je bij Wouters en Tytgat treft.

 In 1962 maakte Oscar Jespers een dubbelbeeld waar ik in Hilversum dagelijks voorbij kwam. Peter Flik fotografeerde me tussen het tweetal omstreeks 1969. Het stond aan de Heuvellaan, voor de oude VARA-studio. Dat het van Jespers was stond er niet bij. Nu leer ik dat het 'Kijken en luisteren' heette. Het is verdwenen. Verblijfplaats onbekend.

 

Oscar Jespers (1)

 De buitenwijken van Brussel, waar stad en land in elkaar overgingen en je na 1900 nog goedkoop kon wonen: Watermael-Bosvoorde, Woluwe St.Lambert.

 Nooit ver van het Rood Klooster, aan de rand van het Zoniënwoud waar kunstenaars elkaar troffen en je kon drinken. De schilderende vrienden Rik Wouters en Edgard Tytgat en de Antwerpse beeldhouwer Oscar Jespers, van wie nu een kleine maar complete tentoonstelling te zien is in Beelden aan Zee.

 Wat hebben ze gemeen? Jespers, Tytgat en Wouters waren family men. Maria, Nel, Mia, kinderen en huisdieren zijn nooit ver weg. Ze gebruikten de Parijse -ismen om vorm te geven aan hun dagelijks leven, hun vrienden en huizen. Dat maakt ze zo goed. Van een plaquette op het huis van Tytgat tot een grafmonument voor vriend Paul van Ostaijen.

 Jespers maakte een pracht van een kop van Tytgat in hardsteen (1925), die in Scheveningen te zien is, net als een een ontroerende kleine Paul (1932), twee rake beeldjes van vrouwen bezig met hun 'opschik' en zoveel meer.

 Tot de eerste wereldoorlog ze verstrooide. Jespers was de jongste, hij leefde nog tot 1970. 

Belgitude

 Noem het Belgitude, het Belgische. Geen Belg kan je uit­leggen waar hem dat in zit. Maar welke Belg zal zich Belg noemen? 

 Morgen zullen Flupke en Mathilde het nieuw vorstenpaar zijn. Vandaag hield vader Albert zijn afscheidsspeech. Belg of geen Belg, wat hij deed om het land bijeen te houden zal ik niet licht ver­geten. Hij bracht de langste regeringscr­isis ooit tot een einde door een Franssprekende, Italia­anse im­migran­tenzoon tot premier te maken.

 Pure Belgitude. Die stab­iele vorm van schizofrenie die kunst tot staatsvorm maakte. Magritte regeerde. Over de taalgrens heen. Samen met Hergé, Broothaers, Spilliaert, Kamagurka, Edgard Tytgat, Marc Sleen, Delvaux, Chantal Akerman, Willy Vandersteen, Franquin..- Magritte werd geboren in Lessines, vrijwel aan de taalgrens, woonde in Brussel, jarenlang in Jette, later Schaerbeek

 Hoe komt het dat er nooit een burgeroorlog uitbrak? Dat komt omdat de Belgitude werkte. Wat betekent oppas­sen met de gevoeligheden van de ander. Een glimlach, een groot gevoel voor slapstick. En vooral heel veel niet zeggen. Niet precies eigenschappen waarin Flupke uitblinkt. 't Is verdrietig, Albert was de laatste Belg.

 Morgen is 't over, la Belgique de Papa.

Huiskunstroof

 Tien kunstwerken zijn in de nacht van maandag op dinsdag gestolen uit het Van Buuren Museum in Brussel. Het duurste gestolen werk is dit portret: La Penseuse van de fauvist Kees Van Dongen. Geschat op 1,25 miljoen euro.

 Vorig jaar was ik in de art-déco villa van het kunstverzamelende echtpaar en verbaasde me over de gemoedelijkheid: 'Als je je slofjes maar draagt let niemand op je en kun je zo in de kamers van David ronddwalen, tussen de kunstschatten. David schilderde wat, ontwierp hoeden voor z'n vrouw en organiseerde soirees ‑ ook Elvis Presley heeft eens opgetreden in de rozentuin. Rijk zijn was zijn fulltime job. Tijdens de oorlog verbleef hij in de VS en heeft zijn trouwe chauffeur de kunstschatten op z'n zolder verstopt en gered.'

 Op mijn foto links is de gestolen vroege tekening van een aardappeleetster van Van Gogh te zien. Maar De val van Icarus van Breughel ‑ rechts - bleef hangen. Gissingen naar motieven. Raadselen.

 'Belangrijke werken weg, maar niet dé belangrijkste,' zegt de conservatrice. De hele inbraak duurde amper twee minuten en drie seconden. Het museum heeft zijn alarmsystemen ondertussen al uitgebreid en stelt nu ook een nachtwaker aan, zegt ze.

 De tegelkachel van de moeder van de Roemeense inbreker in de Kunsthal spookt rond.

Lagune

 Toen ik in de vissershaven Chioggia - een klein Venetië, aan het uiteinde van de lagune - logeerde waren het de dagen van het Plein van de Hemelse Vrede (1989).

 De film Io sono Li (Ik ben Li) van Andrea Segre speelt zich af in het heden, in dat zelfde Chioggia, onder vissers die hun netten uitzetten in de lagune. Een plaats waar nooit iets verandert tot er een Chinees meisje in de Bar Paradiso komt werken. Daar tewerk gesteld door het netwerk van Chinese dwangarbeid.

 Nog steeds gebeurt er niets tot een vaste klant verliefd op haar wordt. En zelfs dan gebeurt er niets, want haar werkgevers houden de liefdesgeschiedenis tegen.

 Wat gebeurt er wel?

 Net wat ik zelf in Chioggia meemaakte. De visvangst, de schepen, de vissershutten op pootjes in de lagune, het uitzetten van netten op stokken door mannen in lieslaarzen, en daarbij de lichtval over het water tegen de schimmige achtergrond van de besneeuwde bergen van Friuli, dat schouwspel maakt dialoog en handeling ondergeschikt. Het decor neemt de film over. Je kijkt je ogen uit. Als je weer buiten staat ruik je vis.

Stijl

 Noem het door de geschiedenis heen vallen. Ik logeerde als kind vaak in Duitsland, in de Trümmerzeit.

 En nu bij toeval in dit hotel in Kassel. Gebouwd in 1953, op de plaats waar voor Kassel werd platgegooid ook een hotel stond. Uit de folder: 'Die Hotel‑Ar­chitektur aus Stahl, Beton und Glas sowie hohe Fensterfronten spiegeln die typische Aesthetik dieser Epoche wider. Geniessen Sie das Flair unseres stilvollen Hotels: der offene Frühstückbereichs mit Balustrade sorgt für echte Wohlf­ühlmomente.'

 Stormachtig enthousiasme was er in de pers van toen voor de 'lichte, zwevende staalbeton constructie, de lichtzuilen, de niertafeltjes, de zwart gemoffelde badkuipen. Maar het dakterras waar je de puinhopen van de benedenstad onder een kopje koffie kon overzien is verdwenen. De monumentale entree met de ronde trap bleef. 

 De geschiedenis hangt hier aan de muur: foto's. Bondspresident Theodor Heuss en kanzler Adenauer bezochten het Parkhotel - nu DaysInn - waar ook filmpremières werden gegeven. Op deze foto oa. de acteur Dieter Borach in 1954. 

Wilhelmshöhe

 Groots. Moesten de waterkunstwerken in het slotpark op de berg boven Kassel worden. Vier graven van Hessen-Kassel staken vanaf 1654 hun tijd en geld erin. Italianen en Nederlanders, zoals de Haarlemse vader en zoon Van Nickelen ontwierpen wat ze bedachten. Rymer en Jan van Nickelen maakten deze schilderijenserie van hun ontwerp. Te zien In Kassel.

 En groots is het nog, daar tegen de berg. Toen ik de Gemäldegalerie van de graven (Rembrandt, de Magdalena van Van Oostsanen, Breughel, Rubens, Dürer, Italianen, hele verleidelijke Cranachs) had bekeken probeerde ik het geheel van de grafelijke grootheidswaan te overzien.

 Van de 8 meter hoge bronzen Hercules bovenop de 50 meter hoge pyramide die het kunstwerk bekroont tot de lange as naar Kassel beneden, omzoomd door al wat spuiten en stromen kan. Waaronder een liggende reus die een fontein van 50 meter uitspuwt  Zonder hulp van machines. Met als handicap dat er vaak gewacht moet worden tot de ondergrondse bassins weer vol zijn.

 In 1866 kwam Hessen-Kassel bij het Duitse rijk. De Wilhelmshöhe herinnert aan wat was. Bomarzo is er een flauwiteit bij, Lodewijk de XIV en zijn watermachines voor Versailles in Marly, komen in de buurt.

 Wat doen rijke mensen dezer dagen met hun geld? Geen waterkunstwerken inrichten in wonderparken.  

Tags: 

Pagina's