Esther Gerritsen (2)

 Wanneer er een dodelijke ziekte bij je wordt vastgesteld dan is dat tot daar aan toe. Erger is: hoe vertel ik het mijn familie. Waar zadel ik ze mee op?

 Zoals iedereen weet is ziekte de schuld van de zieke. Die veroorzaakt immers overlast. Niemand zit op een ziek familielid te wachten. Zeker niet als het een wat eigenaardige, gescheiden vrouw is die alleen woont en veel te lang heeft gewacht met vertellen wat ze onder de leden heeft.

 'Dorst' van Esther Geritsen zit vol van dit soort ware omkeringen. Hoe vertel je het je dochter zonder te lachen? 'Alle taal die je de wereld in stuurt moet vertaald worden,' verzucht ze. Wat zijn de gewenste vragen, antwoorden, gedragingen?

 'Deel je het wel?' vraagt de huisdokter, geheel volgens de moderne openheidscode. En steeds weer vraagt Elisabeth zich af wat 'het goede antwoord' is. Dat was altijd al haar probleem. Als ze met een apotheektas vol morfinepleisters en hoestdrank over straat gaat heeft ze tenminste een vrijbrief.

 'Dorst' is uitzonderlijk. Veruit het beste boek dat ik in jaren las. Benauwend en komisch tegelijk. Donderdag ga ik er met Esther een radiogesprek over opnemen.

Het circus van Silvia B. (2)

 Kinderen worden opgevoed met mensdieren, diermensen, goden wieweet. Van teddyberen tot de Bijbelse slang en het Lam Gods.

 Je beweegt je als vanzelfsprekend van mens naar dier, van man naar vrouw en terug naar kind, van mens naar pop of beeld. Dieren krijgen namen, alsof dat zo gewoon is. Ze reizen rond in een circustent. Alsof zo'n verzameling hybridische freaks steeds op de vlucht blijft voor de volkswoede tegen al wat afwijkt.

 Het moet een keer verkeerd aflopen. De toegang tot het zwarte circus van Silvia B. wordt bewaakt door twee poortwachters: een slapende cavia met een zwart satijnen puntmuts en een muis op een tabouret van het soort waarop circusleeuwen door hoepels springt.  

 Frans de Waal leert ons dat ook dieren cultuur hebben. Dieren blijken steeds meer mens en mensen steeds meer dier. Dit is de tijd van een Dieren­partij, maar ook van ongeremde diercon­sumptie en dierenliefde, een zooitje kortom. Dat dringt hier tot je door. Daarom blijft Silvia's apin die haar nagels lakt onvergetelijk, aantrekkelijk en griezelig tegelijk. Too close for comfort.

 Morgen na 22.00 in de Avonden meer.

Het zwarte circus van Silvia B. (1)

 Is een zwart circus, nu te zien in het Scheveningse Beelden aan Zee. Een tombe. Eenmaal binnen, achter de zwarte gordij­nen moet je op de tast naar de hybride per­sonages, half mens half dier, van onbestemde leeftijd en geslacht.

 Smetteloos gekleed, tegen zwarte ach­tergronden. Tegelijk aantrekkelijk en griezelig, net als in Silvia's 'witte' show die ik in 2008 in het GEM zag. Le cirque heet deze, omdat er tragikomische 'freaks' tentoongesteld worden, al te men­selijke dieren, kinderen met een vachtje, in circusachtige poses. Zo tovert een kuifmakaak een dwergkonijn uit z'n hoge hoed..

 Kijken naar de opgave van gebruikte materialen is al een feest: Le nocturne hier werd gemaakt uit een kuifmakaak, een dwergkonijn, een hoge hoed, een vlinderstrik en - dit staat er overal bij - een vitrine. Andere mensdieren dragen kunststof wimpers, pruikjes, handschoenen, (glimmend gepoetste) schoenen en zo meer.

 Silvia vertelt erbij dat ze soms lang moet wachten voor een idee verwezenlijkt kan worden, omdat ze moet wachten tot het dier dat ze droomde ook ergens sterft en gekocht kan worden zodat ze het kan prepareren. Alle strijdigheid van het circus zie je hier: ontroering, weerzin, schoonheid.

Stedelijk (2)

 Ook het weerzien met Lawrence Weiner (New York, 1942). Nog steeds vraag ik me af wat hij toch met deze tekst (2007) bedoelt.

 SCATTERED MATTER / BROUGHT TO A KNOWN DENSITY / WITH / THE WEIGHT OF THE WORLD / CUSPED

 Vertaald (door het museum?) wordt dat:

 VERSPREIDE MATERIE / TOT EEN BEKENDE DICHTHEID GEBRACHT MET / HET GEWICHT VAN DE WERELD / PUNTIG

 Uitgevoerd in vinyl, staat erbij. Het is een schenking van de vrienden van het Stedelijk Museum ter gelegenheid van de opening van het museum, 2010 (?). Mevrouw Goldstein is een bewonderaarster van Weiner. Ik zal haar bij gelegenheid vragen wat zij nu denkt dat Weiner ons hiermee wil zeggen.

 ps. Gerrit Jan Kleinrensink helpt: 'Een nodeloos ingewikkelde formulering van een vrij helder idee uit het structuralisme. Het object bestaat slechts uit zijn functionele eigenschappen. Er is geen wezen of kern. En de eigenschappen hangen af van de omgeving.'

 

Stedelijk (1)

 Vanwaar toch die teleurstelling na mijn eerste bezoek? Eerst buiten de veelbelovende enorme glaspartij, de badkuip, die erepoort en de bemoedigende hal vol licht waar de handel en het eten heersen. En dan, na zoveel bombarie is het ook meteen uit met de pret. 

 Je betreedt het onwezenlijke halfduister van de oudbouw, die 19de eeuwse Rijks-HBS, die gesloopt had moeten worden. Schemer. De verbouwers hebben de op buitenlicht bedachte Kunsthal van Kool­haas of het Gemeentemuseum van Berlage kennelijk nooit gezien. De schaarse oude ramen blijven on­gebruikt, de boven­lichten zijn niet heropend. Niets van het lichtbad achter het gevelglas dringt hier door. En het kunstlicht is merkwaardig in­direct. Een tombe. Waar is het licht, dat er vroeger toch wel was, gebleven?

 In een poging iets goed te maken zijn alle muren akelig wit geschilderd, dat het prikt in je ogen. Doods licht in een eindeloze reeks identieke zalen, waar de klassieken - schools chronologisch op al te afgepaste afstan­den - in plat ­val­len. Zo doe je een Cezanne, een Bonnard, een Dubuffet geen recht. Als het dan toch bleef staan had dit een huis kunnen zijn met vele kamers, elk in een eigen kleur. En met uitzicht.

 Later meer.

Esther Gerritsen (1)

Het lijkt of zo goed als alles tussen mensen bespreekbaar is geworden. Zo wil het de schone schijn van televisie.

 Maar zo is het niet. Wie hoort ooit hoe er over hem of haar gepraat wordt als ie er niet bij is? De schaarse keren dat me - altijd via via - iets ter ore komt schrik ik me rot: who? me?

 In haar nieuwe roman Dorst ontrafelt Esther Gerrit­sen wat er werkelijk omgaat tussen familieleden. En dan, dan zijn er ook nog de moeilijke onderwerpen, de dingen waarover je liever niet praat, maar die toch gezegd moeten worden. Zo herinner ik me dat een vriend, toen een ongeneeslijke ziekte bij hem was vastgesteld, daar niet over wilde praten. Maar, met degenen die in griezel-Amerikaans 'your loved ones' genoemd worden viel daaraan niet te ontkomen. En toen?

 Daarover gaat deze 'familieroman' van Esther. De griezel van het intermen­selijk bedrijf. Familie als horror. Giechelend, herkennend vreet ik situatie na situatie, dialoog na dialoog. Als voorbereiding op een gesprek in de Avonden.

Vervelen

 Nooit eerder was ik in het Louis Couperus Huis aan de Haagse Javastraat. En dat terwijl ik al op school z'n werken las en door de statige Couperusbuurt fietste.

 Nu was ik er, en lees 'Zoo ik ièts ben, ben ik een Hagenaar'. En zeg 't hem na. Hagenaars ver­laten hun stad, hij ook. Wat mankeert er? Het is er vervelend: 'Den Haag maakt mij slaperig en suf, er hangt iets soezigs in de lucht...'. staat in Eline Vere, verpersoonlijking van Den Haag. Je moet Hagenaar zijn om gevoel te hebben voor de grote aantrekkingskracht van ver­veling. Hagenaar Willem Brakman kon lyrisch worden over deze nu vergeten kunst.

 Vriend Frans Netscher beschreef Couperus in zijn altijd op­geruimde kamer aan het Nas­sauplein: 'Het leek wel dat hij, er nooit iets aanraakte, zoo was en bleef alles op zijn plaats. 's Zomers lag hij meestal op een rustbank, een vouw­been in de hand, een boek te lezen, en hij keek dan uit zijn ven­ster het lage, verlaten Alexanderveld op. 't Was soms broeie­rig warm in zijn kamer, bijna niet om uit te houden, zoodat de benauwing op de longen sloeg. Maar dit was juist waar hij naar verlangde; dán voelde hij zich lekker, in zijn element, gezelligjes, gestoofd, als liep zijn bloed warmer en luier door zijn lichaam.' 

 Tijd voor een Ver­velingsnummer van het tijdschrift Extaze, dat toch zijn naam dankt aan Couperus.

Kindermoord

 Drie bij vier meter groot is deze versie van De kindermoord te Bethlehem van Cornelis van Haarlem (1562-1638), aan wie nu een grote ten­toonstelling is gewijd in het Frans Hals Museum.

 De kindermoord - er zijn er twee uit 1590 en 1591 - is daar altijd al, eerste zaal rechts, en nooit sla ik ze over. De schilder had 't niet zo op kinderen, lijkt me. Er wordt nobel omheen gekletst over de Spaanse onderdrukking maar hij had duidelijk schik in het onderwerp. Op het doek Caritas zijn een paar ettertjes te zien, waarvan er eentje een kat pest.

 Cornelis van Haarlem was ook nog eens een groot tenenschilder, zoals hier weer te zien. Heel de voetzool!

Aristide Maillol (2)

 Elk jaar bracht hij de winter door in z'n geboortedorp. Net als Rodin was Maillol een vrouwengek, hij zag ze flaneren door de straatjes van Banyuls, pootjebaaien in zee.

 Vandaar zijn vele baadsters, een weerkerend beeld is het dijbeen halverwege in het water. Een vriend met diens vrouw kreeg bij een eetafspraak het advies: 'Na het eten de liefde bedrijven in het struikgewas.' Maar in zijn werk wilde hij meer dan 'schoonheid door begeerte op­geroepen'. Maillol wilde zich niet 'laten meeslepen', zoals Rodin.

 Bij hem moet het vrouwenlichaam alles uitdrukken. Innerlijk spreekt voor hem uit het uiterlijk: 'Ik gebruik de vorm om gestalte te geven aan iets wat geen vorm heeft, wat niet tastbaar is, niet aangeraakt kan worden.' Zijn beelden heten wel 'De berg', 'De lucht' of 'De rivier' maar die titels bedacht hij niet zelf. Het zit er allemaal in, trots, melancholie, mijmering.  In 1908 ging hij naar Griekenland om zijn bronnen te zien: 'Ik maakte de reis om de Kariatiden, de meisjes.' Het ontging hem trouwens niet dat mannen en kinderen daar naakt zwommen als in de Oudheid en vrouwen gekleed.

 Hij leefde in de tijd van de grote vormexperimenten maar deed er niet aan mee. Ging tegen tijdgeest in, meed extraverte expressie, de koortsige zoektocht naar het nieuwe: 'Ik introduceer de stilte in de beeldhouwkunst.'

 Morgen na 22.00 meer in de Avonden.

Tags: 

Jantien Jongsma

 Verzonken in bekende en nieuwe tekeningen van Jantien in het Amsterdamse C&H art space.

 Je raakt letterlijk niet uitgekeken op haar levensverhaal als geïllustreerde Middeleeuwse kroniek. Waarin bijvoorbeeld kan voorkomen dat het bed waarin een oude patiënt (haar vader?) verpleegd wordt een voetene­ind heeft met - in smeedijzeren letters - het woord PSYCHIATRIE.

 Haar naar eigen inzicht vormgegeven plattegronden - nu ja plat, het tegendeel - van steden en streken, van Friesland tot Amsterdam en Suriname, waaruit huizen oprijzen, vaak opengewerkt' zodat je door de daken heen bij de bewoners naar binnen kijkt. De tekeningen zijn bouwwerken van talloze scènes, die met elkaar elk toch een organisch, en grafisch geheel vormen. De personages, de plekken die Jongsma op papier zet hebben een duidelijke herkomst, dat vertelde ze me eerder. Zodat ik al rondlopend en kijkend van veraf en met m’n neus erop steeds weer denk 'wat gebeurt dáár Jantien?' Waar staat dat huis, wie is die vrouw? Wanneer was dat?

 Wetend dat op al je vragen een heel precies antwoord gegeven kan worden. Want in de Middeleeuwse stad die haar hoofd herbergt heeft, en krijgt alles z'n plaats.  

Tags: 

Pagina's