Multatuli's muziekideeën

 En weer verzink ik in de Ideën van Multatuli. Niet vanwege het kolonialisme maar omdat ie zo goed, geestig en puntig schrijft. Over wat hem maar voor de voeten valt. Wat een stilist! Nog steeds vind je geen stukjesschrijver of columnist die hem in de verte evena­art. Neem dit uit 1880.

 'Er was onlangs kermis in Amsterdam... nee, vrees niet, er komt niets in van de Westermarkt. Gij weet dat ik veel van muziek houd, muziek is mij een ware behoefte, en meermalen offerde ik mijn middagmaal op, om een concert bytewonen. maar in mijn smaak ben ik burgerlyk. Bravourstukken bevallen my niet, en een vol orkest doet me zeer. Ik loop groote kunstenaars uit den weg, en toen ik eens half gedwongen, Winawsky hoorde, wekte hij maar eene gedachte in my op: wat zou die man met z'n snelvingerigheid een carrière hebben gemaakt als zakkenroller.

 Ik kan niet goed beschrijven hoe de muziek moet zijn om my te behagen. En al kon ik dit, dan nog zou ik my daarvoor wachten, om niet door alle dilettanten te worden uitgemaakt voor een barbaar. Maar sommige meesters zouden my vriendelijk toeknikken. Met zang gaat het my evenzoo. 

 Een nietige romance zal my treffen maar ik blyf koud bij veel kunstig geluid. Koud is het woord niet, want ik heb altyd innig medelyden met de menschen die hun klanken moeten uitpersen met zooveel moeite. Myn eenige indruk by zooveel: arm schaap ik schenk u die noot. (...)'

 En nog is de gekgewelde mimiek van solisten onuitroeibaar.   

Tags: 

Hoover

 De employé van de Reinigingsdienst droeg kaplaarzen en beenkappen. De vuilniszak was nog ver.

 Op maandagen kwam de stationcar van de Hoover-service, die in overal in de straat Hoover wasmachinetjes langsbracht, die voor zessen weer werden opgehaald nadat de was was opgehangen. Nog voel ik de geribbelde deksels en hoorde de geluiden. De vrouwen in het straatje grepen ook dit aan voor een praatje. Vooral over wasmiddelen, waarvan Omo de voorkeur had.

 Tegen half vier kwamen de kinderen uit school en rees de geluidssterkte in het straatje. Er werd gevoetbald met een tennisbal waarbij het de kunst was die met zijkant schoen over stoepranden heen te wippen naar de metalen tuinhekjes die als doel dienden en bij een doelpunt prachtig klonken. Berry Hulshof en Sjaak Swart wisten daarvan. Ploink. Het wippertje.

Vrouwen van de nieuwe tijd

 In Den Haag, waar ik na mijn vroege jaren in het Oosten des lands aankwam, was de Nieuwe Tijd al ruimschoots begonnen. Het waren een paar vrouwen die in het straatje als voorgangsters optraden.

 Want optreden was het, wat tante Sheila deed, met haar Brusselse vriendjes in hun tweedehands Amerikaanse auto's. Beppie, die tot drie keer toe met de zelfde man trouwde, een beroepssergeant die heel het weekend onder zijn Ford lag en hun bewonderaarsters, vaak gescheiden en wonend op een kamertje boven, zoals de moeder van Ronald. Je herkende ze aan het blonderen van hun haar.

 Ik zag ze zitten in de erker van tante Fini, de erfgename van een schildersbedrijf, waarvan de autootjes vaak voor haar deur stopten. Het zitcomfort waarin ze diep wegzakten liet hun knieën uit de korte rokken de wereld in steken. De andere vrouwen zagen het aan, ik vermoed vol jaloezie, want al spoedig ging het blonderen de straat door en werden de rokken, ook van tevoren nog degelijk geklede vrouwen korter. Die van mijn moeder niet, o nee. 'Ordinair' was het woord. Als de mannen naar hun werk waren dronken ze koffie of maakten praatjes met elkaar, leunend op de tuinhekjes of riepen elkaar toe vanaf de balkons waar ze de was ophingen.

 'Bep, hoe gaat het met de liefde?'

 De Indische mensen die terugkeerden na de politionele acties brachten modernismen mee als de eerste elektrische gitaar en de petticoat voor hun dochters. In andere huizen heersten nog gereformeerde of katholieke regimes. Er ontging mij vanuit mijn bovenkamertje weinig.

Notenboom

 De notenboom waarmee ik ben opgegroeid stond achter het landgoed 't Huis te Eerbeek. Uit mijn raam aan de achterzijde keek ik er op uit. Het was een zeer oude boom. Hij werd aan wel drie kanten gestut.

 Zonder twijfel was deze boom geplant door de zoöloog professor Weber die tot kort na de oorlog eigenaar was van heel het landgoed en overal zeldzame bomen had geplant.

 Elk jaar was het afwachten of de boom ook noten zou laten vallen op het grasveld dat eens de bleek was en waar kleden uitgeklopt werden. En dat deed hij. Walnoten regende het in de herfst op de hoofden van wandelaars die de professor toeliet in zijn park. Zelfs in zijn gestutte hoge ouderdom hield hij daar niet mee op. Maar toen ik een paar jaar terug ging kijken was hij weg.  Hopelijk in handen gevallen van een houtsnijder. Notenhout is zeer gezocht.

 De laatste notenboom in mijn leven stond achter het grootouderlijk huis in de Haagse Frankenslag, in de tuin van het eerste huis aan de Van Beuningenstraat.

 De jaarlijkse notenregen in de grootouderlijke achtertuin - ze vielen van de overhangende takken net over de schutting - heeft tot groteske burenruzies geleid. De rijdende rechter was er nog niet maar de ladders met zagende mannen verschenen, zodat van dan af noch de buren, noch mijn grootouders meer noten toevielen. Toch, er staat op die plek nu weer een boom. Of het een notenboom is weet ik niet. Hij staat aan de muur langs de straatkant. Ik ga in het najaar toch eens kijken.

Achterkant

 Nog steeds zal ik in een afgesloten ruimte als een restaurant in een uiterste hoek gaan zitten, liefst met zicht op de ingang. Aan alle kanten gedekt. Bedacht op een frontale aanval. Achterkanten laten zien wat kwetsbaar is. Toen treinen nog dwars door binnensteden reden zag je rijen verwaarloosde achterbalkons, meestal met een opgehangen zinken wasteil. Zoals de in Rotterdam de achterkanten van de Oranjeboomstraat, waar mijn moeder geboren werd. Of in Amsterdam de Haarlemmer Houttuinen.

 In het Artisblad lees ik over het stekelvarken, dat zijn gevaarlijke pennen in een plotselinge draai naar de vijand toe kan keren.

 Maar meestal worden achterkanten nog gecamoufleerd. Behalve bij de menselijke vrouwen, voor wie de kont een nieuwe uitstalkast aan het worden is. Soms extra verstevigd. Er werd al mee gedraaid en gekeerd op podia, maar tijd is niet ver dat vrouwen je nog slechts zullen benaderen met een enkele blik over de schouder.

 In de oude tijden waren de hooggeheven achtersteven van de oorlogsschepen van Tromp en De Ruyter al een soort sierlijke, met beeldhouwwerk versierde pronkstukken, van waaruit deftige gasten het krijgstoneel op hun gemak konden gadeslaan. Toen al was achter een soort van voor.

Dolen met Multatuli

 Net als bij Montesquieu of Heine vroegen lezers zich bij Multatuli vaak af wat het doel van zijn reizen was. Er was geen doel. De plaats waar ze zich bevonden was het doel. De plaats bracht indrukken en overwegingen met zich mee. Die ze noteer­den. Vaak was geldgebrek de reden om zich te verplaatsen. 

 Nu we in een jubileumjaar leven tref ik Multatuli volgens zijn Milloenenstudieën in zijn geliefde Wiesbaden en omgeving. Eerst heeft hij ongegeneerd het samenvloeien van Rijn en Moezel bij Koblenz bezongen als was het een omhelzing, een liefdesmenuet.

' Ik was dan te Wiesbaden en voor 't eerst sedert vele weken verruimde zich myn borst. Indien niet m'n geboorte-akte over de vijftig jaren oud was zou ik nog altijd in verzoeking komen te hopen op 'n jongen dood aan romantische tering. En wie weet wat er nog gebeurt  Maar ik vrees er voor als ik te Wiesbaden blyf want de lucht is hier zoo zacht dat doodgravers en bidders hun patienten van elders moeten ontbieden, om niet genoodzaak te zyn zichzelf te begraven uit armoed.

Al m 'n lezers kennen zeker de ruine Sonneberg. Dat is 't overblijfsel van 't slot. (...) Een deel van 't geheel, 'n toren is minder geschonden dan de rest, en dit is bij veel ruinen het geval. Misschien wel omdat mosplantjes, struik en boom - die overijverige vernielingswerktuigen van den Tijd - meer moeite hebben om naby, tegen, op, of in torens vasten voet te krijgen.

En - o gruwel! - alweer als bij veel andere ruinen zijn sommige brokken muur... gerestaureerd!'

 Nb. Bezoek Wiesbaden, beklim de Neroberg en zie het betoverende mausoleum van de Russische prinsessen 'Die liebe horet nimmer auf'.

Tags: 

Wegtimmeren

 Eerst was er in mijn huis een verlaagd plafond geweest. Ik ontdekte dat al verbouwend. Het oorspronkelijke plafond moest een gestuct meesterwerk in gips geweest zijn. Guirlandes, kunstige figuren en zelfs een enkel engelenkopje dat omlaag de kamer in had gekeken. Onthoofd door de vorige verbouwer.

 Het egaliseren was gebeurd met een latwerk, betimmerd met zachtboard. De resten gipskunst herinnerden aan Suske & Wiske tekenaar Willy Vander Steen, wiens vader immers 19de-eeuwse huizen had verbouwd en voorzien van bloemslingers en engelen. Zo had de jonge Willy leren tekenen.

 Maar de verbouw-evolutie schreed voort. En nu waren de gipsplaten aan de macht: 'lekker strak'. Het Mondriaan -evangelie - alle versiering is uit den boze - heerste nog.

 Wat niet strak was werd weggewerkt met KNAUF geel- en roodband. Die met zakken vol uit de Elzas kwam. Stuccen is een kunst, denk erom. Een stucplank, en dan het juiste mengsel en een handje van vaardig aanstrijken. In de woorden van Vivian Stanshall van de Bonzo Dog in zijn epos 'I'm bored'. En dan 'mortarbored'.

 Afmaken met latex op waterbasis en je ziet er niets meer van.

 Wie kan wat engeltjes in gips voor me maken?

Regenkleding

 Het opvouwbare, doorzichtige regenkapje voor dames is verrdwenen. Ik althans zie het nergens meer. Je kon ze heel makkelijk ineenvouwen tot een strip, met lintjes aan weerszijden die onder de kin gestrikt konden worden. Klein en zeer makkelijk opbergbaar.

 De verdwijning moet te maken hebben met het gebrek aan elegantie. Het werd iets voor oude dames.

Zelf heb ik lange tijd regenkleding geweigerd. Ook om stilistische redenen. Naar school fietste ik zodoende in mijn gewone korte jek, zodat ik daar aankwam met een doorweekte pantalon. Het werd dan dringen bij de centrale verwarming om een plekje waar je je kon drogen.

Het ergste was de uitvinding van een regenponcho die over de schouders moest en dan omlaag viel in de richting van het fietsstuur. Daarin het schoolplein op fietsen was sociale zelfmoord.

Om van de capuchon niet te spreken.

Te erg. En nu weer terug nota bene, en heet een hoodie, verlengstuk van een sweater. Een gezichtsverhullende kap met een middeleeuwse effect.

Zelf heb ik nu wollen schaatsmutsjes. Zonder letters!

En voor noodgevallen een bejaard regenhoedje.

Vanouds wordt de strijd tussen regenval en stijl op straat beslecht. En gewonnen door modebewuste vrouwen die hun kapsel graag aan de elementen blootstellen. Er bestaat zelfs shampoo met een weer-en-wind effect.

Het zwijgen van de sirenen

 Franz Kafka is thuis in wat niet is, In niet-schrijven
bijvoorbeeld, voor hem een verschrikking. Mark Baltser schreef
in Extaze over zijn verhaal 'Het zwijgen der Sirenen'.
 
In Kafka's versie heeft heeft Odysseus zich niet aan de
mast van zijn schip laten vastketenen, maar ook zijn
kameraden was in de oren laten stoppen, zodat ze
betoverd op de klippen zullen lopen.
Nu dus niemand aan boord de sirenen hoort zingen rijst de
vraag of ze wel gezongen hebben, of deden alsof.
Volgens Kafka hebben ze helemaal niet gezongen.
Baltser zegt: 'Dat de sirenen zijn gaan zwijgen heeft te
maken met Odyseus zelf. De uitdrukking op zijn gezicht van
verrukking, zijn gelukzaligheid, omdat hij het
was met zijn list, deed ieder gezang verstommen.
Ze vallen stil, ze zwijgen, het gezang is blijven steken in hun keel. 
De wil om te verleiden is verdwenen. Alleen de ogen van Odyseus doet er nog toe.
En dan schrijft Kafka het zinnetje waardoor het
kantelt: "Maar Odyseus, om het zo uit te drukken hoorde hun zwijgen niet, hij geloofde dat zij zongen, en dat hij
ertegen beschermd was het te horen. Vluchtig zag hij het
draaien van hun halzen, het diepe ademen, de de half open monden, maar hij geloofde dat dit er bij
hoorde, bij de klanken die ongehoord langs hem wegstierven."

Slaap

 Zo goed als je bij het ontwaken ongelovig de dag, de wereld binnengaat, omdat de nacht je 

in z'n greep had. Er niets anders was dan de droom. 

Als met pijn, er is niets anders.

 2:34 5:23 6:31

Het voorgeborchte.

Ongelovig naar het eerste licht kijken. Dat door het gordijn schemert.

Toegelaten worden tot de wereld.

Op sokvoeten.

Je moet je er wel op kleden.

Een wereld waar je tenslotte na lang uitstel heen mag.

Waar de spieren zullen ontspannen uit kramp, de schouders en onderarmen hun plek zullen gaan zoeken.

De heupen verschikken zich al.

Het krieken begint zich over me te buigen. Met beloftevolle leugenverhalen.

Een bril op zetten.

Pagina's