Want optreden was het, wat tante Sheila deed, met haar Brusselse vriendjes in hun tweedehands Amerikaanse auto's. Beppie, die tot drie keer toe met de zelfde man trouwde, een beroepssergeant die heel het weekend onder zijn Ford lag en hun bewonderaarsters, vaak gescheiden en wonend op een kamertje boven, zoals de moeder van Ronald. Je herkende ze aan het blonderen van hun haar.
Ik zag ze zitten in de erker van tante Fini, de erfgename van een schildersbedrijf, waarvan de autootjes vaak voor haar deur stopten. Het zitcomfort waarin ze diep wegzakten liet hun knieën uit de korte rokken de wereld in steken. De andere vrouwen zagen het aan, ik vermoed vol jaloezie, want al spoedig ging het blonderen de straat door en werden de rokken, ook van tevoren nog degelijk geklede vrouwen korter. Die van mijn moeder niet, o nee. 'Ordinair' was het woord. Als de mannen naar hun werk waren dronken ze koffie of maakten praatjes met elkaar, leunend op de tuinhekjes of riepen elkaar toe vanaf de balkons waar ze de was ophingen.
'Bep, hoe gaat het met de liefde?'
De Indische mensen die terugkeerden na de politionele acties brachten modernismen mee als de eerste elektrische gitaar en de petticoat voor hun dochters. In andere huizen heersten nog gereformeerde of katholieke regimes. Er ontging mij vanuit mijn bovenkamertje weinig.