De schilder Rousseau's afvaart uit het leven.

Geschreven door de dichter Werner Aspenstrom.

 'De leeuw, de panter en de vredig weidende lammeren,

de apen, de slangen en de schelle junglevogels,

de laatste nacht waakten wij bij zijn kist,

wij, zijn rouwende kinderen.

De zigeunerin was er ook,

Yadwiga, de fluitspeler en het jonge paar

dat net van het carnaval huiswaarts keerde.

De nacht reisde langzaam verder.

De gele maan waakte met ons mee,

de verstijfde bomen langs de oever

en de duizend groene bladeren.

 

's Ochtends even over zeven

kwam de raderstoomboot plonzend de rivier af­gevaren.

Wij droegen hem aan boord. De kapitein

blies de aftocht.

 

Gij, God van twijfel en van catastrofen,

stoor de schilder Rousseau niet in zijn gedachten,

laat hem geloven dat alles onveranderd blijft

en dat wilde dieren zich alsnog door fluitspel

laten temmen.'

Oor

 Direct na de oorlog, kwam ik tot bewustzijn in Zutphen, in een straat met nogal wat gebombardeerde en ver­woeste huizen. Mijn vader verdween naar Indië in oktober '46. Ik speelde oorlog en droeg de hele dag een ijzeren helm die ik op zolder gevon­den had.

 Mijn loopbaan als geheim agent begon in de derde klas van de Lagere School in Den Haag. Voor mij zat René Pasanea, een bijzon­der mooie Molukse jongen. Keurig gekleed in een duidel­ijk door zijn moeder gemaakte grijze korte broek met omslagen aan de pijpen.

 Hij droeg een lichtgele pullover. Wanneer de zon het klas­lokaal binnenviel scheen die soms op zijn linker­oor. Ik zag, van achter af, dan een verlichte oorschelp van bruin-roze albast, met heel kleine haartjes erop.

 Op zekere dag mocht ik met René mee naar zijn ouderlijk huis op een bovenwoning in de Vlierboomstraat. Zijn oudere broer moest mij spreken, zei hij. Die zat bij een 'bende'.

 De Pasanea's bewoonden een portiekwoning met een granieten bui­tentrap, die liep naar een étage waar zo goed als niets stond, behal­ve wat kisten. Op de stoep stond een glimmend gepoetste brommer. Het gezin kwam net uit Indië. Ze leef­den op de planken vloer. In sommige kamers lag geel zeil.

 De oudere broer zat in een zijkamertje op een opklapbed en vroeg mij waar ik woonde.

 'Dan ken je Els van Gelder,' concludeerde hij. Ik wist wie Els van Gelder was. Een dikkig blond meisje dat op de zelfde zondagsschool ging als ik. 'Van nu af aan ben jij agent BK 3,' zei de broer. 'En je opdracht is om Els van Gelder in de gaten te houden. Je rap­porteert alles wat ze doet aan mij.' 

 Het verhaal van het oor vertelde ik aan Gerard Reve, die er dromerig van werd.

Ischa verder

Over de Prinsengracht liepen we, producer Leonie Smit en ik en daar stond Ischa voor onze neus. Hij bekeek ons aandachtig en zei toen: 'Ik wil ergens bij horen, kan ik niet bij jullie horen?' In een impuls zei ik 'Ja dat is goed en met en blik op Leonie 'Ja toch?' 'Ja hoor.' En zo liepen we gedrieën verder. Na een kopje koffie was er een radioprogramma. Vanuit de bovenzaal van Eik & Linde, zijn stamcafé.

 Bevriend zijn we nooit geraakt, als dat al mogelijk was. Wel kwam hij vaak langs, in De Pijp, Op een van zijn vaste wandelingen langs het Joodse schooltje aan de Van Ostadestraat. Eerste woorden altijd: 'Kan ik even bellen?' Er waren nog geen mobieltjes. Ik zag hem voor het eerst bij een cabaretwedstrijd in het AMVJ-gebouw aan het Leidseplein. Andre van Duyn won, Ischa werd derde. In 1965.

 Hij werd de man met de meeste doorgestreepte adressen in m'n agenda. Vrouwen, die hij na een tijdje met 'Mammie' aanriep. 'Mammie, zal ik ijs halen?' Zo kwam hij in het zaaltje boven Eik & Linde steevast binnen voor de repetitie van zijn liedjes met 'Hier ben ik jongens, leuk he'. Ischa schiep zijn eigen gezin waar hij kwam. Met vrouwen was hij 'serieel monogaam'.

 Wat hij ook uitspookte, iedereen vergaf hem alles. Behalve de kunstenares Ida Lohman. Ze had in het buitenland gewerkt en geen idee wie Ischa Meijer was. Die vermoeid aan het interview begon met z'n psychotherapeutische graproutine. 'Nou vertel het maar. Hoe was het vroeger thuis? Pappie, mammie?' Na drie vragen schoof ze de microfoon weg, zeggende 'Nou als het zo gaat, dat doe ik niet hoor.' Nu was er nog een kwartier zendtijd over. Maar de band had nog wel drie liedjes in voorraad en er was altijd nog het melodietje van Jacques Tati uit 'Mon oncle' dat je eindeloos kon rekken. Na afloop hebben Ischa en Ida nog lange tijd gepraat. Maar dat is niet uitgezonden.

 Op den duur was duidelijk dat hij toch ook op de VPRO-televisie zou moeten verschijnen. Met chef Roelof Kiers werd gepraat en goed, hij mocht langskomen in de televisie-villa. Op het afgesproken uur zat hij daar. Kiers liet hem een half uurtje wachten, kwam toen de gang op en vroeg 'Wat kom je doen?' Niet lang daarna was er Joop van den Ende. Een producente kwam de band keurige nieuwe jasjes aanmeten.

PS. Op 14 februari brengt de Human in de ‘grote’ OBA een programma over Ischa. Aanvang 20.30

 

 

 

Elftal

 In de tijd van het straatvoetbal was de voornaamste zorg van de oudsten, Jaap en ik, een straatelftal bij mekaar te krijgen. Met iden­tieke shirts en broekjes. En liefst voetbalschoenen. Het bewijs van ons bestaan als elftal ligt in deze foto.

 Bewaard door Jan Hein Schouw. Met handgeschreven onderschrift. geformuleerd zoals het hoorde, dat begon met de letters v.l.n.r.. Hoe sta je op een elftalfoto? Wat voor gezicht trek je erbij? We bestudeerden het blad Sport en Sport­wereld van Geudeker, vier pagina's op krantenformaat.

 Om te beginnen hadden we een dis­sident, zodat het een tiental werd. Helaas, er moes­ten een paar jongens opgesteld worden die nauwelijks konden voet­ballen. Maar dat zag je op een foto toch niet.

 En hoe moest je gaan staan? De kleintjes, van de leeftijdsgroep die tegenwoordig 'boomers' genoemd worden zetten we vooraan en lieten we hurken. 

 We speelden op de oude ijsbaan aan de Sportlaan, waar deze foto gemaakt is.

 De tegenstan­der, de Kijkduinse Boys had nog meer opstellingsproblemen dan wij.

 Maar we hebben gespeeld. En gewonnen, ik dacht met 6-0.

Merel

 Omdat ze er nu nog niet zijn, in februari pas, denk ik aan ze. Vooral hun muziek. Als het buiten nog donker is. Er zijn meisjes die Merel heten. Niet omdat de merel zo mooi is, eerder omdat hij zo goed zingt. Merels zijn jazzmusici. Geen van hun muziekjes lijkt op het vorige. Vooral in het onverwachte afbreken van hun melodie­tjes, hun noten­reeksen onderscheiden ze zich. Niet dat ik iets van vogels weet. Wat me bij merels ook treft is hoe zacht ze musiceren, zich onderscheidend door terughoudendheid. Deze 'Ode aan de merel', de vroege vogel van Godelieve Prantl, zegt het, in haar bundel 'Geen weet van vallen'.:

 O minstreel van het vogelrijk/ Ik draag mijn oren wijd

 uw melodieën glinsteren/ nog voor de dag begint

 wil mij uw snavel lenen/ uw vleugels voor de hoogste tak

 leer mij hoe rond de vogelrug/ de borstkas vrij, de poten losjes

 naast elkaar zo wil ik fluiten/ al was het maar een halve toon

 en dat de mensen stil gaan staan/ en tussen hen Marie en hoe ze kijkt

 als ik een wijsje samenstel/ ut louter bessen

 maar als ik naar haar zwaaien wil/ dan is ze weg

 de klok slaat zeven, nog even/ en de bakkerszoon heeft mijn Marie

 haar halfje bruin gegeven.

Bijpunten

 'Alleen bijpunten, niet te kort.' Je haar of je leven, dat was de strijd op de kappers woensdagmiddagen. De nieuwste, in de Appelstraat was geheel ingericht op het zo snel mogelijk zo veel mogelijk jongens knippen.

 Vier of vijf kappersbedienden daar de tondeuses die aan gecap­ittonneerde snoeren van het plafond afhingen. Die ton­deuzes konden over een rail aan het plafond heen en weer rijden.

Het was een volautomatisch continubedrijf. Elke beurt eindigde met een spuit uit de fles haarwater - ik denk van Dr. Dralle - en het ophouden van de spiegelaan je achterhoofd. Je zag het meteen: weer te kort. Gereformeerde kopjes was wat het meest verafschuwd werd.

 De koude wind in je nek was wat je - eenmaal weer buiten - het meest vreesde.

Eens in het uur werd een luik in de vloer geopend, waar het knechtje de bergen jongenshaar in veegde.De zaak bestaat niet meer. Toch moet ergens in de Appelstraat nog een kruipruimte zijn vol jongenshaar. Toen ik dit aan Gerard Reve vertelde was hij een en al oor.

 Later vond ik in de Azaleastraat een zeer morsige jongenskap­per die het voor een kwartje minder deed. Maar daar lag de Panorama niet.

Sebald en de dood

 Toen ik in Wertach, Sebalds Schwabische geboortedorp was en het huis bezocht waar hij opgroeide zag ik wat hij bedoelde met zijn aanklacht tegen de vernietiging van het Alpen­landschap.

 Het gezin Sebald bewoonde kamers aan de voorkant van wat nog steeds een massieve herberg is. Zelfs met - aan de achterzijde - nog steeds een zaaltje voor films en bijeenkomsten. Maar zoals hij het zelf beschreef, het is onherkenbaar gewor­den. Zoals alle boerenhuizen in Beieren en Schwaben, onherken­baar gemoderniseerd. Het oude houtwerk eruit, alles strak wit gestuct. Niet omdat het in de oorlog verwoest zou zijn, het is de 'Veschönerungsdrift' waarvan je ook de resultaten in Zwitserland vindt.

 In 'The emergence of memory' de verzameling stukken van Lynne Sharon Schwarz over Sebald is er geen ontsnappen aan, de grenzen tussen leven en dood, heden en verleden. 'Grenzen die niet hermetisch zijn afgesloten,' zegt Sebald in een van de interviews. 'Er is verke­er, een grijze zone. Als er een gevoel is, in het bijzonder onder ongelukkige mensen, dat zoiets bestaat als levende doden, dat het omgekeerde ook mogelijk is.' Toen hij met z'n ouders in 1947 als driejarige uit het ongeschonden dorp voor het eerst in het verwoeste München kwam dacht hij dat alle steden er zo uitzagen.  

Tags: 

Neil Innes

Neil Innes is gestorven. In de krant wordt hij herdacht als medewerker van Monty Python. Maar waar het om ging was de Bonzo Dog Band. Met Doo-Dah ertussen in ’t begin.

 Ik ontmoette ze  in Paradiso in een zomernacht ik denk in 1969. Op het eind van een van hun laatste toernees. Groter chaos zag je zelden op een podium. En dat moesten wij opnemen.

 Hun busje was volgeladen met kartonnen dozen vol onduidelijke attributen. Onvergetelijk was de met een tuinslag verlengde trompet waarvan Vivian Stanshall de beker boven zijn hoofd rondzwierde onder het spelen.

 Je moet weten, ze kwamen van de kunstacademie en hadden daar besloten een orkest op te richten. Helaas kon niemand een instrument bespelen. Dus kochten ze in een pawnshop een heleboel afgedankte blaasinstrumenten. Daarmee gingen ze de Londense pubs langs en vroegen om verzoeknummers. Stanshall tikte af en iedereen blies zo hard hij kon. Maar muziek was er niet in te ontdekken. Dan werden ze het cafe uit gesmeten. Dat was hun opvatting van Da-Da.

 Op den duur kwam er eentje bij die echt gitaar kon spelen: Neil Innes. Die liedjes voor ze schreef als I’m the urban spaceman. Neil werd ook de huistherapeut, die mensen als de voortdurend depressieve, maar geniale voordrachtskunstenaar Stanshall kon bemoederen.

 Hij was bevriend met Freek de Jonge, met wie hij nog gezongen heeft bij ons op de radio. Het was de dag dat mijn moeder stierf. Ik vertelde hem dat. En hij zei ‘You need a hug’, waarna hij me langdurig omhelsde.

Zonder Neil Innes had de Bonzo Dog Band nooit bestaan. Ze kwamen net uit de Verenigde Staten na een mislukte toernee. Uitgeput. De band stond op het punt van uiteen vallen. Het concert in Paradiso eindigde in de vroege ochtend. Toen gooide men de zijdeuren open, waardoor de ochtendzon het gezelschap onverbiddelijk bescheen: Innes en Stanshall, maar ook drummer ‘Legs’ Larry Smith, Rodney ‘Rhino’ Slater met z’n sax en natuurlijk de ‘mad professor’, robotbouwer Roger Spear, bij ik thuis nog een tv-filmpje gemaakt heb dat op Avondlog staat.

Tags: 

Vallottons raadsel

Van Félix Vallotton weet ik sinds mijn bezoeken aan het oude Parijse Art Moderne. En nog kan ik niet benoemen wat er spookt in zijn werk. In zijn roman die vertaald werd als Het moor­dende leven doet het dat zeker.

 Félix Vallotton (1865-1925) is voor mij vooral de schilder van het tussenbeide, het net niet. Kamers en suite, vestibules, anti-chambres. Er gebeurt iets, even verderop in dat zelfde huis. Je weet ook eigenlijk wel wat, maar durft - als buitengesloten kind - niet te gaan kijken.

 Een hoed en een wandelstok op een stoel. Een deur op een kier. Het zicht op een fragment van een bedrand. En steeds de omineuze schaduwkleur rood, tegen het paars aan. Er is meer en anders van hem, maar het raadsel ligt hier. En wordt versterkt door de patronen in behang, tapijten en goed-burgerlijk meubilair.

Nu dat boek dat hij schreef, 'Het moordende leven'. Als jongetje richt de hoofdpersoon al onbedoeld rampen aan, juist in de levens van mensen van wie hij houdt, of denkt te houden.

 Het lijkt erop dat door zijn toedoen een vriendje verdrinkt, dat de schrijnwerkende buurman door wat hij als een grapje bedoelde jammerlijk sterft. Later brandt een schildersmodel zich door zijn toedoen fataal aan een kachel. Wat is dit voor een Koning Midas-doem?

 In bijna alle schilderijen van Vallotton ligt dreiging besloten. Er zal iets gebeuren, er is iets gebeurd. Het toneel is vaak een huiskamer, bij hem de gevaar­lijkste plek. Onheilspellender kunnen meubels en gordijnen niet zijn.­ Vooral tussen 1889 en 1899, als Hélène Chatenay zijn model en geliefde is. Zij is het die je ziet, of niet‑ziet op de doeken uit deze grote 'rode' periode: de tijd van de rode stoel en de kolen­haard.

 Tot hij haar onverklaarbaar in de steek laat voor een rijke dame uit de kunsthandel van wie hij niet hield.

Johnny's vuurwerk

 Oudejaarsdag, dat betekende jarenlang nog snel wat vuurwerk kopen voor vanavond bij Johnny van Doorn. Zijn zoontje Sindbad rekende erop. Johnny niet die was als de dood voor vuurwerk , hoewel hij zijn carrière als voordrachtskunstenaar was begon­nen thuis op de keukentrap met het fameuze 'Vuurwerkgedicht'.

 Een levensecht klankgedicht

 Maar nu was het menens. Na het eten stonden we op de stoep voor Het Laagt 145 in Noord, waar de nu al overspannen Selfkicker de boel zou afsteken. Iedereen een stapje achteruit en daar ging de eerste gillende keukenmeid de lucht in.

 'Denk aan Theo Eerdmans', riep Johnny nogeens. Dat was de beroemde tv-quizmaster die het sigarenpeukje, waarmee hij zijn vuurwerk afstak eens per ongeluk had weggegooid en het rotje met brandend lont in zijn mond gestoken. Te laat!

 Nu gebeurde er iets heel anders. Opeens stond Johnny's bekende warrige haardos in lichterlaaie.

 Even stonden we als aan de grond genageld rond de man met het vlammend aureool. Een onvergetelijk gezicht. Daarna kwamen er jassen over zijn hoofd die het vuur doofden.

Pagina's