Straatje verder

 Sinds ik over het Haagse straatje schreef waar ik opgroeide komt het verleden elke nacht over me. Vannacht in de vorm van de stoep voor ons huis waar ik met Harmen de Bruin eindeloos sleutelde aan onze tweedehands Mobylettes. Het type met twee kettingen dat liep op mengsmering.

 De verhoudingen ben ik kwijt, maar aan de pomp kon je benzine krijgen met een scheut smeerolie.

 Twee kettingen. De ene voor het fietsgedeelte waarmee je hem moest starten. Kaptein Mobylette, de Franse vinding voor het 'rijwiel met hulpmotor'. De andere ketting ging van de motor naar het achterwiel en dreef de brommer aan.

 De stoep voor ons huis lag vol olievlekken. Daaraan herkende je de adressen van brommerjongens. Voor de volmaakte Puch hadden we geen geld. Maar dit was genoeg.

 Veel omkijken had je naar de bougies. Als hij niet startte de voornaamste oorzaak. Je draaide hem eruit en zag meteen dat hij 'vet' was, wat betekende nat van de niet ontstoken ben­zine. Teveel gechoked natuurlijk. En dan poetsen en de afstand tussen de puntjes nakijken. De puntjes waartussen de vonk moest overspringen die het mengs­el van benzine damp en lucht zou doen ontbranden. Soms was een blokje aanduwen nodig, maar dan toch kwam het bevrij­dende gesputter. Of niet.

 Wat er al niet mis kon gaan! De kettingen konden breken of eraf lopen. De bekroning kreeg je tenslotte aan het eind van een uitputtende middag als hij liep en het goeie geluid maakte. Ontzettend vieze handden dat wel. Dat is nou adel.

Een ongeneeslijk heimwee

 Heet het 478 pagina's grote boek dat Nico Keuning schreef over 'Leven en werk' van Willem Brakman (1922-2008) Waar gaan de pakweg 175 brieven over die Willem en ik wisselden? Altijd volgens zijn strikte regel 'komt er een brief, dan schrijf je meteen terug'. Zijn doktershandschrift op de mat onderaan de trap wenkte. Ik daalde af en begon meteen te pennen.

 Niet zozeer als antwoord, nee, over alles ging het bij ons, over Johan Cruyff net zo goed als koningin Astrid van België op wie hij levenslang verliefd was. Ons beider credo was: 'brieven schrijf je over alles.'

 En zo kwamen we eens op juffrouw Vernède, zijn lerares Frans op de MULO, die ik kende al passante in ons Haagse straatje. Op en top een Parisienne, op hakken, in een grijs pakje met een hoedje met voile, en make-up waaraan rouge niet ontbrak. Ze woonde om de hoek. Mijn vader kende haar ergens van en zei dan 'Kijk daar heb je Francoise’.

 Ook in het meeslepende boek van Nico Keuning ontbreekt ze niet: ' In een adem door schrijft hij euforisch over het Scheveningse Bosch. De Bataaf! De ruiterpaden, de geur, het licht. (...) In een andere brief keert hij terug naar de mulo in de Paulus Buysstraat,' waar wij onder leiding van Madame Vernède 'Le petit homme lazen van Alphonse Daudet. Het was donker in de klas, sneeuw hing in de lucht, de klas boog zich in de schemer over het boekje en ik het diepst. En o wonder! Mad­ame liet het licht niet aandoen en de grote, grote kachel 'liet zijn kooltjes in de asklep korrelen op een mystieke wijze.' (...)

 De wereld van Willem Brakman, je kunt hem zo betreden.

Tags: 

Ontsporing

 Hans, mijn eerste vriendje met wie ik uit op het Perzische vloerkleed hele steden liet oprijzen en van meccano vreemde hijskranen bouwde had een voorkeur voor het woordje 'ingewikkeld'. 'Dit wordt een heel ingewikkeld toestel.'

 Vandaag was een mannendag. Eerst kwam Marcel mijn twee computers omzetten op Windows 10. Ingewikkeld! Anders dan Hans prevelde hij bij het hanteren van de schroevendraaier niet dat woord. Wel maakte hij af en toe zacht zoeme­nde geluiden.

 Het woei en regende buiten. De kachel stond vrij hoog. Het woordje 'ingewikkeld' wees naar de wereldheerschappij van iemand die alles begreep.

 Maar Hans was al bezig zijn spoorbaan uit te leggen: Fleischmann, geen Märklin. Hij verfoeide het onechte drie railsysteem. Ook moesten er bergen komen. Ze ontstonden uit een kleedje met blokken eronder. En tunnels.

 Ik begreep waar Hans naartoe wilde. De kruising was zijn pronkstuk. En zo ontstond vlak bij de uitgang van de tunnel de gevaarlijke kruising, waar vroeg of laat zijn twee locomotieven met wagonnetjes op elkaar zouden botsen.

 Het spoorwegongeluk was magistraal.

 En Windows 10 doet het nu. 

Straatje

 Een groot deel van Nederland bestaat uit straatjes. Vooral met ongeveer 25 rijtjeshuizen aan beide kanten. Aan het eind van het straatje is een steegje waaraan schuurtjes liggen, vaak in gebruik als fietsenberging, vaker nog als rommelhok of kinder­domein, geschikt voor seksuele inwijding of geheime clubs.

 Aan de uiteinden van mijn straatje huisden de sekten. Aan de ene kant een kinderrijk gereformeerd gezin dat je op zondagen in het gelid naar hun kerk zag fietsen. Binnen een paar jaren was hun huis compleet veranderd. De kinderen hadden de benedenver­dieping overgenomen en omgebouwd in een repetitielokaal voor hun jazzclub. De geraniums waren weg, tussen de schuifdeuren stond het drumstel. Henk en Bert waren de ritmesectie van het trio Henk Alkema, een later bekende jazzpianist en componist. Waar waren de ouders gebleven? Ik denk boven. Je zag ze nooit meer. De kerkgang was afgeschaft. Henk ontmoette ik tijdens een straat­vechtpartij. 'Ben ie een Fries of een Ollander' blies hij in m'n oor. Ik gaf niet toe.

 Er waren meer gereformeerden. Bij de familie Van der Wiel kwam ik wel over huis. Ze hadden geen radio - tv bestond nog niet - en er werd veel gezongen door de dochters. Een vrolijk gezin. Halverwege de andere kant woonde de familie van dominee Viss­er, die in z'n huiskamer zondags preekte voor een gehoor van oude dames, waarvan een deel aan de overkant woonde op een verdieping.

 Wij jongens wisten er wel raad mee. Tijdens de met harmonium begeleide diensten zaten we op het tuinhek en keken vrijmoedig naar binnen. Met Jaapje Visser, die ons wilde verdrijven heb ik ook nog moeten vechten.

 Gewone mensen woonden er ook in het straatje, zoals de latere geleerde Gerard 't Hooft, die nooit mocht buitenspelen.

 In het laatste huis voor de hoek woonde een groot katholiek gezin. De jongens voetbalden bij het katholieke LenS, Lenig en Snel, lichtblauw met wit.

Oom Donald in Nieuwerkerk

 De Engelsman Christopher Levenson schreef een gedicht over Nieuwerkerk. Het dorp waar ik in 1953 logeerde bij Oom Jacques. Ik sliep  op de oude zolder van zijn boerderij op Schouwen-Duiveland, waarvan de bened­enverdieping toen al vernieuwd was tot een nieuwbouwhuis. Zo hoog was het water gekomen. Buiten rondom lag een maanlandschap van grijsgroen slik. Op die zolder lagen alle nummers van Donald Duck vanaf het begin, eigendom van mijn neefje. Ik begon als een razende mijn achterstand in te lezen. Oom Donald was bij mij thuis namelijk taboe. 'Hoogstaande lectuur' in de smalende woorden van mijn vader. Dit heet 'Landschap met kranen'.

 Rondom aan de horizon gloeien de randen van

verwaande wolken grimmig als ijzer. Uit het land

zijn alle kleur en samenhang verdwenen. Als in een waas

zuigt het zand, huizen en stallen mee de vernieling in,

schuurt het elke tint van stenen af, wordt het dunste straaltje sap nog uit de boomgaard geperst. Zwaar van de nevel

zijn de bomen niet in winterslaap, maar dood.

 

 Bekijk je het landschap in het strakke perspectief

van kraan, vrachtwagen, booglamp en de dreigende kalmte

moet je zien hoe op draagbalken de zeepok gedijt,

hoe rozen het tegen krabben en zeesterren hebben afgelegd

en de lente afziet van zijn rechten. Waar 's zomers het ritselen

van bladeren te horen was, wordt de oogst steeds magerder.

Alleen het groen van zeewier overleeft hier nog.

 

 Sinds van alle kanten het water kwam en het jaar

door storm buit maakte, het land bezettte,

landerijen hun wezen en hun naam ontnam, is het winter geweest.

Het lijkt wel of ieders huis en haard zijn vol gewaaid met zand,

op alle verweerde grafstenen staat een identieke tekst,

toch speuren oude mannen in de gure wind tussen de troep

naar woorden voor wat verdwenen is, naar een sprankje hoop.

 

 Vanaf de oceaan nadert met onheilspellend gerommel

nieuw noodweer. Stormen houden de zon op afstand,

steiger en loods kijken de hele nacht toe

over de verzande polders. Als bevroren golft zand zijn grijze

glans de aanbrekende dag in, en meeuwen patrouilleren

over de Kerkring, waar het kruis van het verleden in stukken ligt,

meegesleept door de modderige vingers van dode eiken.'

(Vertaald door Ad Zuiderent, Levenson hielp bij het opruimen in 1953.

Eten met Ischa

 Nu het steeds over Ischa gaat nog een belevenis, waar verder niemand bij was behalve de eigenaar van het Chinese restaurant in Ankeveen, aan de binnenweg langs de vaart naar Hilversum. Dat er nog is, even voor de molen. Chinese restaurants leven lang.

 Omdat Ischa en ik er uit Hilversum komend of er heen gaand vaak iets over fantaseerden dit:

'Daar zou ik nog eens willen eten,' zei Ischa meer dan eens. En somde alle denkbare Chinese gerechten op. Maar we hadden haast of waren moe. Tot het er van kwam.

'Wat wil je dan eten,' vroeg ik voor we binnengingen.

'Gewoon alles,' was het antwoord.  

Het was leeg binnen. We waren de enige klanten.

Met de kaart erbij was bestellen niet moeilijk. Dat werd zowel haaievinnensoep als een loempia vooraf en daarna niet alleen Foe Yong Hai als Tjap Tjoi en vooral sateh.

Kroepoek ook, veel kroepoek.

De eigenaar en zijn assistente - vermoedelijk zijn dochter - vertrokken geen spier. Onze tafel werd beladen met rechauds waaruit weldra de bekende geuren opstegen. Ischa leunde voldaan achterover.

'Dat bedoel ik nou,' zei hij, en barstte in een tomeloze lachbui uit.

Van eten kwam niet veel. Een enkel hapje hier en daar. Het was het idee. En de aanblik.

De Chinees en zijn dochter keken onbewogen toe.

En Ischa rekende af.

Tags: 

Evenwicht

 Mijn houvast in de wereld is allereerst het evenwicht dat ik als peuter bereikte bij het leren lopen. De niet ernstige ziekte die ik nu heb heeft onder meer evenwichtsverlies tot gevolg. Terug op de evenwichtsbalk in het gymlokaal. Kinderspel bestaat voor een deel uit evenwichtsoefening.

 Het wankele evenwicht blijft bewaard in de kunst. Vaak wordt er mee gespeeld, door mensen als Alexander Calder. Nu pas weet ik dat wat hij doet niet ernstig genoeg is. Immers, je leven hang er van af. Een moment van onoplettendheid op straat maakt van een voetganger een verkeersslachtoffer. En zo wandel ik met hulpmiddelen en een blik steeds gericht op het plaveisel om obstakels tijdig in het oog te krijgen.

 Kleine afwijkingen moeten meteen gecorrigeerd worden. Ik heb Mondriaan wel een maniakale evenwichtszoeker genoemd. En eigenlijk veel schilders doen dat. Als het niet lukt raakt het evenwicht van de toeschouwer uit balans. En daarmee vervalt alles. Je voelt het.

 De acrobate en kunstenaar Isabelle Wenzel overtreft iedereen.

 Hoe dit zo? Judith van Meeuwen die in Amersfoort de tentoonstelling 'Balancing act' (2018-2019) maakte zag de ernst.

 De geblinddoekte vrouwe Justitia zag het al, evenwicht blijft precair. Je leven hangt er vanaf. De rechters die een uitspraak over Wilders moeten doen staan alle dagen oog in oog met de geblinddoekte vrouw met het zwaard.

Onleesbaar

 Hoe kwam het dat ik op het gymnasium proefwerken nagekeken terug kreeg met eronder in rood 'onleesbaar'? Dat ik nog steeds geen bruikbare handtekening heb om dat ie steeds anders wordt?

 De daders zijn de onderwijzers Tazelaar, Evers en Matthijsse, uitvinders van het koordschrift, ofwel 'verbonden blokschrift'. Een halfhartige naoorlogse poging om schuinschrift en blokschrift tot een stijl te smeden, die ik in mijn eerste leerjaren kreeg opgedrongen. Onder de onbegrijpelijke kop 'Eerst duidelijk... dan snel'. Je schreef het met een soort kroontjespen met op het eind een omgekeerd half bolletje waarin je inkt moest scheppen. De bedoeling was: een overal even dikke lijn.

 Het verbinden van de letters tot een soort vloeiend schrift was vrijwel onmogelijk. 'Eerst onduidelijk, dan langzaam en onleesbaar' was wat er van kwam. Ik maakte er maar wat van. Om me heen zag ik klasgenoten wanhopig hoofdletters schrijven midden in woorden.

 Resten ervan zie je nog dagelijks bij ouderen. Sommigen maakten er een primitief blokschrift van, anderen iets als het schuinschrift van hun ouders.

 Dat er in de naoorlogse jaren een generatie van analfabeten is opgegroeid danken wij aan Tazelaar, Evers en Matthijsse.

Geheugen

 'The emergence of memory' doopte Lynn Sharon Schwartz haar bundel van verschillende ondervragers die W.G. Sebald spraken over het geheugen. Dat komt goed uit. Zelf word ik in het laatste deel nachten bestormd door onsamenhangende flarden vroeger.

 Die zich meest afspelen in Zutphen of Den Haag. Personages, gezichten, straatbeelden en scenes met familieleden. Alles haarscherp en in kleur, zoals ook de laatste tijd meer en meer oorlogsbeelden in kleur opduiken. Pijnlijk scherp ook.

 En er is moeilijker aan te ontkomen naarmate je ouder wordt, zegt men in het boek.

 Waarom is herinnering zo onontkoombaar?

 Geen prettige beelden zijn het. Onaangename mensen vaak ook. En dat in een tijd waarin televisie het ophalen van zonnige jeugdbeelden zowat verplicht heeft gesteld.

 Sebald zegt: 'Grote delen van je leven verdwijnen in vergetelheid. Maar wat in je geest overleeft verkrijgt een heel grote dichtheid, een heel specifiek gewicht. En natuurlijk, als je wordt terneergedrukt door dat soort gewicht, is het niet onwaarschijnlijk dat het je omlaag duwt. Herinneringen van die soort hebben een neiging je emotioneel te bezwaren.'

 Een doorgaande lijn in de gesprekken is de stoomtrein. Die waarmee Sebald in de vroege tijd van zijn 'ballingschap' in Engeland af en toe zijn geboortedorp Wertach bezocht. Treinen zijn speciale voertuigen van het geheugen. Of ze nu naar concentratiekampen rijden of naar je geboorteplaats. Zelf rijd ik in lijn 1 van Staatsspoor door een gedeelte waar links en rechts bergen puin verrezen zijn. Een elegante bocht en daar is het Gemeentemuseum.

Tags: 

The End?

 Op de achterflap van zijn nieuwe boek The End, over de late en laatste werken van beeldend kunstenaars citeert Carel Blotkamp de schilder James Brooks, die zegt: 'Je moet een schilderij opgeven als het nog leeft en beweegt'.

 'Misschien met opzet,' zegt Blot­kamp, 'zijn zijn woorden een echo van een beroemde opmerking van een beroemde opmerking van de Franse schrijver Paul Valery: 'Een gedicht is nooit af, alleen opgegeven.'   

 Voorlopig dan. Ik dacht aan de lade met onaffe gedichten, aanzetjes, van Frank Koenegracht, waarin hij stapels op goedkoop kladpapier van de Hema genoteerde regels bewaart. Dat 'voorlopige papier', dat moet zo bij hem.

 Rijst de oude vraag, bij hem net zo goed als in het boek van Blotkamp: 'Wanneer is iets af? En wie bepaalt dat?'

 Wat mijzelf in de weg zit is vaak de vraag of het niet te af is. Anders gezegd, laat het nog ruimte voor de toeschouwer, voor mij? Of kan het heel best buiten mij.

 Waarom zijn er schilderijen in musea waar ik altijd naar terugkeer, zonder te weten waarom eigenlijk. Om te ontdekken wat er ontbreekt?

 Zo'n schilderij is de Mariaplaats van Saenredam in Boymans (schets uit 1636, voltooid 1659) in Rotterdam. Wat houdt het verborgen? Op het kerkgebouw groeien planten, ontsproten uit vogelstront. Het bestaat intussen niet meer. Er zijn wat wandelaars en spelende kinderen rondom, naar wiens woorden je mag raden. Nogeens raden dan.

Pagina's