Rondom aan de horizon gloeien de randen van
verwaande wolken grimmig als ijzer. Uit het land
zijn alle kleur en samenhang verdwenen. Als in een waas
zuigt het zand, huizen en stallen mee de vernieling in,
schuurt het elke tint van stenen af, wordt het dunste straaltje sap nog uit de boomgaard geperst. Zwaar van de nevel
zijn de bomen niet in winterslaap, maar dood.
Bekijk je het landschap in het strakke perspectief
van kraan, vrachtwagen, booglamp en de dreigende kalmte
moet je zien hoe op draagbalken de zeepok gedijt,
hoe rozen het tegen krabben en zeesterren hebben afgelegd
en de lente afziet van zijn rechten. Waar 's zomers het ritselen
van bladeren te horen was, wordt de oogst steeds magerder.
Alleen het groen van zeewier overleeft hier nog.
Sinds van alle kanten het water kwam en het jaar
door storm buit maakte, het land bezettte,
landerijen hun wezen en hun naam ontnam, is het winter geweest.
Het lijkt wel of ieders huis en haard zijn vol gewaaid met zand,
op alle verweerde grafstenen staat een identieke tekst,
toch speuren oude mannen in de gure wind tussen de troep
naar woorden voor wat verdwenen is, naar een sprankje hoop.
Vanaf de oceaan nadert met onheilspellend gerommel
nieuw noodweer. Stormen houden de zon op afstand,
steiger en loods kijken de hele nacht toe
over de verzande polders. Als bevroren golft zand zijn grijze
glans de aanbrekende dag in, en meeuwen patrouilleren
over de Kerkring, waar het kruis van het verleden in stukken ligt,
meegesleept door de modderige vingers van dode eiken.'
(Vertaald door Ad Zuiderent, Levenson hielp bij het opruimen in 1953.