Ischa 25 jaar later

 Binnenkort is het 25 jaar geleden dat Ischa Meijer stierf. Nota bene op een dinsdag, de dag dat wij van de radio klaarstonden op de bovenverdieping in Eik & Linde voor zijn wekelijkse uitzending: de band, Jan Robijns, Ton van Bergeijk, Gert Jan Blom en Theo Pieterse met een ingestudeerd chanson van Leo Ferre, Cor Galis met een tekst van Ischa en Leonie Smit als producer. En toen kwam dat bericht.

 Die bovenverdieping was eens de koffiekamer van de belendende Hollandse Schouwburg. En nog zat daar wekelijks een sociëteit van oude variétéartiesten en hing het vol affiches van vroeger.

 En ik als ja wat? Het redactieoverleg vond beneden vooraf plaats bij de flipperkast: 'Bing bing, ja doe maar.'

 In elk geval met het papiertje bij de hand waarop in het handschrift van Leonie stond '1 minuut'. Elke week haalde ik dat uit m'n portefeuille. De formule was 'drie-in-de-pan', drie interviewtjes van elk een kwartier. Tegen het eind van zo'n kwartier legde ik het papiertje voor zijn neus en dan maakte hij meteen een passend slot aan het gesprek.

 In '84 werd de vpro B‑omroep en kreeg Ischa een eigen show. Aanvankelijk in de studio. Dat liep niet goed. Wat hij wilde was 'instant response'. Tegelijk maakte hij in die jaren in het theater de ene mislukkende oneman‑show na de andere. Dat bracht me op het idee de twee te combineren: een interviewprogramma voor publiek.

 Een keer moest hij mee naar Hilversum voor een grote vergadering waar gestemd zou worden over de voortgang. Het was spannend.  'Maar wat moet ik dan zeggen,' piepte hij in de trein.

'Je moet helemaal niks zeggen. Kijk vooral gedupeerd!'

Dat werkte.

Schoenendozen

 Zijn onverbrekelijk verbonden met foto's van vroeger. Waarom juist schoenendozen? Omdat het denk ik allebei dingen van vroeger zijn. Op de schoenendoos vind je gewoonlijk een afbeelding van de schoen die erin verkocht werd.

 Als ik schoenen moest passen op de hoek van de Haagse Appelstr­aat was daar de attractie van de röntgenbeelden van mijn voet. Zodat je kon zien of hij paste. En inderdaad, ik kon  door mijn voet heen kijken en zag de botten van middenvoetsbeentjes en zo meer. Griezelig, ik heb nooit willen weten wat er in mij zat. Hoe chirurgen ook aandrongen.

 Maar de schoenendoos bleef de band met het verleden.

 Dit omdat ik in een interview met W.G. Sebald, 'Shoeboxes' van Christian Scholz uit 1997, opmerkingen vind over de foto's in zijn boeken. Oude - liefst zwartwitte - foto's uit zijn schoenendozen stellen hem vragen. Mensen  die allang uit dit leven zijn verdwenen zwerven er nog in rond, laten hem zich realiseren dat de werkelijkheid waarin wij leven maar een dun laagje ijs is waar we zo doorheen kunnen zakken. Twee jaar later kwam hij om in een auto-ongeluk bij zijn woonplaats Norwich. 'Het zijn de schijnbaar onbelangrijke details die de sleutel tot het raadsel bevatten.' Zelf maakt hij ook foto's. Soms als er een zekere dreiging hangt: 'Het gebeurde me dat de hele luchthaven van Amsterdam in de mist lag en geen vliegtuig kon opstijgen zodat iedereen daar op stretchers moest blijven slapen boven de vertrekhal, die bedekt waren met het soort van dunne blauwe dekentjes dat de KLM aanlevert. Een tamelijk spookachtig beeld leverde dat op, die mensen die daar lagen als doden, op hun rug of op hun zij. Met buiten het spiegelbeeld van dit tafereel. Moet je daar nu een foto van maken, of denken de mensen dan 'o, weer zo'n extravagantie van deze schrijver die er iets betekenisvols, symbolisch in wil zien?'

 Er moet wel een foto van zijn, anders geloven de mensen het niet.'

 Vanmorgen vond ik in een andere schoenendoos een foto van ons straatvoetbal-elftal.

In Memoriam Hans Keller

 Als ik een melancholicus heb gekend was het Hans Keller. Hij wilde in 1969 voor de vpro een film maken over het jeugdsentiment, waarvan ik een gangmaker was. Deels op te nemen in het Betondorp, waar zich Reve's jeugd deels had afgespeeld. Ik moest veel fietsen in die film, zijn cameraman Paul van den Bos had een engelen­geduld.

 Onderweg vanuit Hilversum moesten we van Hans opeens langs de stoep parkeren. Waarom?  'Een lampenwinkel,' zei Paul. 'Dat gebeurt vaker. Let maar op, dan blijft ie heel lang voor de etalage staan staren.'

En katholieke jongen was ie, en dat bleef ie. Ik leerde hem kennen ik denk in 1968. Hans Keller was net bij de VPRO komen werken en hij had vele ideeën. Een zo'n idee was de Grote Gedichtenwedstrijd. Kees Fens en ik zaten in de jury. Waarom ik? Ik was toen veelbelovend. De jury was typisch Hans Keller. Ik maakte kennis met de criticus Hans Gomperts, de dichter Huub Ooster­huis en Hella Haasse. We vergaderden in een zaaltje van Hotel Terminus tegen­over het Hollands Spoor in Den Haag, maar ook in het Amsterdamse priesterhuis waar Huub Oosterhuis woonde. Hella Haasse vertelde me van haar studerende dochter, voor wie ze sinaasappels had meegebracht in een boodschappentas. Toen kwamen de inzendin­gen. Hans bereidde ons wat beverig voor. Er stonden twaalf jute postza­kken met rood­witblauwe strepen in de kamer. Allemaal tot de rand toe vol met gedichten. We bekeken het topje van de ijsberg. En je zag het meteen: dit waren huisvrouwengedichten. Het moeten er duizenden geweest zijn. 'Dat zoveel mensen gedichten schrij­ven,' zei Hans. Een grote bedru­ktheid maakte zich van de jury meester. 'Als we nu allemaal zo'n zak mee naar huis nemen?', redeneerde Hans. Ik heb nog twee van die zakken in huis gehad. En er kleine hapjes van genomen. Het viel niet mee. We hadden ons volkomen vergist in het medium televi­sie.

 'Te veel en van een te geringe kwaliteit,' luidde tenslotte het oordeel van de jury. Maar die heeft hooguit een promille van de inzendingen gezien. Een ploeg werkstudenten stuurde alle inzendingen terug. Met een keurig briefje.

Tags: 

De overkant

 Heel schuin aan de overkant op de Haagse Frankenslag was een Heineken uithang bord van een café te zien. Een café In zo'n deftige straat! Volkomen ongepast. Mijn grootvader, de ouderling stond er wel eens in de erker naar te kijken. Een keer verzuchtte hij 'Daar zou ik nou wel eens een groot glas bier willen drinken.'

 We wisten allebei dat zijn vrouw daar een stokje voor zou steken. Een drinkende ouderling in het openbaar! Er zou een lid van de kerkeraad langs kunnen komen! Later, toen ze gestorven was stonden we daar weer eens en zei ik, wijzend naar de overkant, 'Opa, nou zou je toch wel eens. Zullen we?'

 Waarop hij zijn hoofd schudde en zei 'Nee, het zou me niet meer smaken.'

 De kerkdiensten werden toen gehouden in de aula van het Gemeentemuseum. Voorafgaand aan elke dienst preludeerde de organist elke week op Bachs 'Jesu joy of mans desiring'.

Op een kerstavond, dat opa bij ons kwam eten had mijn vader een cadeautje: een grammofoonplaatje van Bachs Jesu's joy. Ik moest de Perpetuum Ebner-koffergrammofoon uitpakken en het ep‑tje opzetten.

Verwachtingsvolle blikken naar opa. 

'Dit moet u toch bekend voorkomen vader.'

Maar hij reageerde niet. 'Nee,' het zegt me niks,' zei hij.

Later hoorde ik hoe dat kwam.

'Toondoof' was de verklaring van een bevriende musicus.

Niet schattig

 Een van de Middeleeuwse wonderen was dat het Christuskind in de baarmoeder van Maria al flink gegroeid was. Vandaar dat het in beelden en schilderijen al naar de volwassenheid neigt.

 Daarom zie ik een beeld als dit uit de Auvergne (1175-1200, notenhout) zoveel liever dan de latere vertroetelende moeder-zoon idylles. De verklaring luidt ook dat het tweetal hier 'In majesteit' is afgebeeld. Niks geen moeder met schattig k­indje, dit zijn mens-goden. En ze zitten op de 'sedes sapientiae', de troon der wijsheid. Christus is al bijna een man, die weet heeft van wat komen gaat. Hij mist handen, maar men denkt dat daarin een boek stak, de bijbel.

  Hij is al god en mens tegelijk. Het woord is notenhout geworden.

  En Maria in haar ritmisch geplooid gewaad staat aan het begin van de tijd dat ze in Europa alom vereerd zou worden.

Geringere schepsels

 Heet het bundeltje verhalende beschouwingen van Jan Postma, dat bij het nieuwe Tijdschrift Terras uitkwam. Een zeldzaam boekje, dat raakt aan het gewoonlijk onbesprokene in onze cultuur. Weer komt Postma terug op Junichiro Tanizaki's Lofzang op de schaduw' (1933).

 Het huis van de grote Japanse schrijver wordt verbouwd en gemoderniseerd. Daarbij komt het traditionele Japanse toilet ter sprake.

 'Het is waarlijk een plaats van spirituele rust. Het staat altijd los van het hoofdgebouw, aan het eind van een gang in een bosje welriekend door bladeren en mos. Woorden schieten te kort om de sensatie te beschrijven als je daar zit in het gedempte licht, bedekt door de vage gloed van de weerschijn van de shoji, verloren in meditatie of uitstarend over de tuin.'

 Tanizaki’s liefde voor deze plaats, zegt Postma, hangt samen met de geschiedenis van het genoegen, zijn besef van de wijze waarop dit zo cruciale onderdeel van de menselijke ervaring, het toiletbezoek, onder zijn voorouders een eigen vorm heeft vond.

 'Onze voorouders, die poëzie maakten van alles in hun levens, veranderden wat inderdaad de meest onsanitaire kamer van het huis was in een plaats van ongeëvenaarde elegantie, vervuld van hartstochtelijke associaties met de schoonheid van de natuur.'

 Postma: 'Als je zo veel genegenheid voelt voor dat waarvan je beseft dat het op het punt staat te verdwijnen is zelfs de aanblik van een simpele witte pot een affront.'

Tags: 

Straatnamen

 We hadden het er over hoe een van jongsaf gebruikte straatnaam een eigen leven gaat leiden, zich hecht aan de gebouwde omgeving. Wat lastig wordt als een straat, laan of weg - het verschil is enorm - halverwege breder of smaller wordt of een tram met zich mee krijgt.

 Dan volgt een nieuw onderscheid. En steeds weer uitleg.

 Waar straatnamen zijn, zijn ooms en tantes. Een vriend van mij had veel tantes die Jo heetten. Die werden in de familie onderscheiden door toevoeging van de woonplaats. Zo had je Jo Schiedam en Jo Delft, wier aanzien mee bepaald werd door de standing van die plaatsen.

 Mijn vader weigerde eens te verhuizen naar een overigens schitterend huis dat lag in de Polsbroekstraat. Een straatnaam die hij vol afschuw uitsprak.

 Voorbeeld was voor mij de Sportlaan. Waarin de nadruk was verschoven naar 'laan'. De naam leeft, los van zijn betekenis. Pas nu, na zoveel jaren fietsen besef ik dat de Sportlaan z'n naam dankt aan het houten Houtruststadion dat verdween, nadat het eerst klank was geworden.

 Een heel eigen leven leidden de vele bomen, struiken en bloemenstraten. De Zilverschoonstraat wist ik te vinden, maar wat een Zilverschoon was? Het gebruik verandert de betekenis. 

 Ik begrijp nu beter waarom Amerikanen hun straten nummeren en ze geen namen geven. Toch zou ik de Transformatorweg niet willen missen, de Processorstraat of de Analoogweg.

Rijnbar

 Marcel van Eeden is soms een Hagenaar in Amsterdam. Als tekenaar treft hij in de stad waar ik als oud-Hagenaar onderkomen vond de bouwsels van de Amsterdamse school, meest in Amsterdam-Zuid.

 En nu stuurt hij me zijn nieuwe boek THE RIJNBAR. Die bar moet in de Rivierenbuurt zijn, en ja, het adres is Rijnstraat nummer 1. De bar bestaat.

 Nu rij ik al jaren de stad uit langs de Van Woustraat, over het Amstelkanaal, met dan meteen links op de hoek de Rijnbar.

 Wie - zo iemand - daar vroeger kwam weet ik niet, vermoedelijk niemand. Zo goed als de kleine Berlagiaanse paviljoens op de bruggen in Zuid jarenlang leeg stonden. Maar nu is daar opeens leven. Zoals in de Rijnbar. Het dode Zuid - ooit vol goede Berlagiaanse moed gebouwd - komt tot leven. De bouwstijl wordt opeens interessant, zodat er Italiaanse studenten bouwkunde ziet rondlopen. De vreemde doodsheid is aan het wijken. Er verschijnen lichtreclames. Er wordt opgeknapt. Maar de Churchilllaan blijft griezelig, achterhaald modernisme. Een ideale omgeving voor Van Eeden om aan te vatten. Hij doolde er al eerder rond, verderop achter De Wolkenkrabber. Hoe Haags is Zuid?

 Ik lees. En uit Marcels tekst en tekeningen rijst een thriller op: hier gaat iets gebeuren wat in Nieuw-Zuid nooit eerder gebeurd is.

De huid bij Ina van Zyl en Michael Kirkham

 Een voor mij onverwachte ontmoeting van twee schilders, Ina van Zyl en Michael Kirkham. Wonderlijk wat ze op het tweede gezicht gemeen hebben als hun werk na 18 januari te zien zal zijn in de Ketelfabriek in Schiedam. 

 'Een ontmoeting tussen licht en huid', zegt Gerhard Hofland over het werk van Ina en Michael. Want voor beide schilders is de huid de fijne scheidslijn tussen binnen en buiten. Kwetsbaar, gehavend, waarin soms het licht weerkaatst.

 De levens van de figuren in het werk van Van Zyl en Kirkham voltrekken zich vooral onder de huid, zegt de toelichting. 

 Wat die daarvan laat zien komt in de buurt van de mensenhuid, die ook een enorme spanning kan opwekken.

 En de behoefte in een besloten intimiteit door te dringen.

 Alsof je het raadsel van de appel zou kunnen doorgronden door hem te schillen. Alsof je de gedachten van Kirkhams figuren zou kunnen raden door ze nabij te komen. Hun boodschap blijft 'weg jij, waar bemoei je je mee'.

 En juist dat maakt dat je altijd - zoals bij ieder goed schilderij - weer naar ze terugkeert om je vinger op het raad­sel te leggen. Dat zich glimlachend aan je nieuwsgierigheid onttrekt.

Garages

 Nu is ook de Binnenstadgarage gesloten en wordt gesloopt. Ik kwam bij de compagnons terecht op aanbeveling van de broers Roel en Karel, van Garage Bergsma, waar ik vele jaren onderdak was. En wier Heilige Hallen het loodje moesten leggen toen de Noord-Zuidlijn kwam. Een bedrijf van vader op zoon was het, de eerste garage van Amsterdam-Zuid.

 Ze wisten met de kwalen van al mijn oude auto's raad. Ik was altijd welkom. Karel leek op Stan Laurel. Roel deed zwijgzaam in o­ldtimers. Liet me eens een stokoude Porsche-motor zien, zeggende 'er zit geen pakking in die motor, als ie warm wordt kloppen de uitzetting- en inkrimpingscoëficienten precies'. Een verhaal voor Rudy Kousbroek.

 Maar Garage Bergsma sneuvelde onder de Noord-Zuidlijn. Ze rieden me toen de compagnons van de 'Binnenstadgarage' aan, die een naamstrip op mijn nummerplaat plakten. Aan de muren van hun bedrijf hingen eigengemaakte schilderijen, kubistisch, zo'n beetje. Tot die op een dag verdwenen waren. Kort daarna was hun garage veranderd in een bouwput.

 Ook mijn winterbanden waren weg. Niet erg. Ik heb een heilig ontzag voor oude garages. Vroeger had je er op de Simplon-pas wel elke kilometer eentje. Weet u wat het is? De auto's van nu gaan niet meer stuk. De mijne heb ik weggegeven.

Pagina's