Zelf

 Het keerpunt in mijn leven kwam toen ik twaalf was, met mijn eerste bril. Het montuur was het standaardmodel voor jongens van toen, van boven iets bruiner, naar onder verlopend naar iets geler. Opeens kon ik in alle scherpte mezelf zien, een onbekende jongen zoals je er zo veel zag.

 Al viel niet te achterhalen, anders dan op oude foto's hoe ik er voor die tijd had uitgezien. Ik wist voorgoed hoe anderen me zagen. Zo erg was het dus. Vanaf dat moment bepaalde de bril mijn zelfgevoel. Spiegels ging ik mijden.

 Wat eraan vooraf was gegaan? Eerst het niet goed 'op het bord kunnen kijken', daarna de botsingen op het voetbalveld. Waarna de bril met gebroken glazen In twee stukken in het gras lag. En dan maar weer naar de brillenwinkel die het celluloid van de 'brug' met een verwarmingsapparaat weer aan elkaar kon smelten en nieuw glas inzetten. Zijn zaak lag op het hoekje naast de tramremise Lijster­besstraat.

Je hebt twee soorten mensen, die met bril en die zonder. De enige schrijver die er werk van heeft gemaakt is Remco Campert.

 In de loop der jaren werd gezocht naar oplossingen. De dubbeldikke monturen a la Roy Orbison kwamen en gingen. Lensjes kwamen en gingen.

 Zo werd ik een brildrager, op alle foto's, in alle winkelruiten. De straten zijn intussen ook volgeraakt met brillenwinkels. Waarom dat is weet ik niet.

Pas keek ik nog naar de grotere en kleinere letters. 'Rechts toch iets achteruit gegaan,' luidde het oordeel. En ja, weer een reuzenbedrag. Met korting, dat wel. Altijd korting.

De Metamorfosen van Jeroen van Kan

 Ovidius beschrijft nergens hoe mensen, dieren of planten nu precies veranderen in heel andere dieren, planten of mensen. Willem Frederik Hermans was tot nu toe de enige Nederlandse schrijver die zo'n veranderingsproces heeft aangedurfd. In Ruis­end Gruis, zijn laatste roman wordt de 'handplant' opeens mode onder verveelde jongelui.

 In 'Hoe Matt een dode vis werd' van Jeroen van Kan, waarin ik nieuwsgierig zit te neuzen, blijkt het menselijk lichaam tot veel ongedachts in staat. Het boek begint zo: 

 'Ooit zag een godheid het licht langs het voorhoofd van een god, ooit schiep een god een mens uit een rib, maar aan een kaakbeen groeien doorgaans alleen tanden. Philip Verstaggen-Molenbreet verandert niet in een tand. In wat wel is moeilijk te zeggen.'

 Deze Philip moet naar een tandarts, omdat er vreemde dingen gebeuren in zijn mond. Nu is de mond, het gebit een gebied waar alternatieve werelden  zich vormen. Vooral bij pijn. Er zijn mensen die hun kiezen namen geven. De tong, de trouwe waakhond kent er iedere uithoek, elk scherp randje. Als in de kaak een gekarteld bot zich verheft weet de tong dat hel precies. De inmondige wereld is groot.

 En nu ben ik nog maar drie pagina's ver. Waar deze metamorfose heen voert? Goddank bestaan er nog boeken over het ongewisse.

 Later hopelijk meer.

Tags: 

Stegman

 Weg is ie, voorgoed. Hij staat niet meer in de straat. Wat herinnert aan de keren dat ik vergeten was waar ik hem had achtergelaten  dan werd het steeds verder van huis. En zo werd ik een bekende van Therese Schwarze, Willem Pastoors, Lutma en Bur­gemeester Tellegen.

 Maar het kon ook de vorige keer geweest zijn dat ik bij de goudsmid Lutma terecht kwam. Dat gebeurde vaak, de eervorige keer onthouden. Zodat ik door de nachtelijke Pijp bleef dwalen, op zoek naar verloren voetstappen.

 Tot ik bij de fourniturenzaak van de gebroeders Stegman in de Lutmastraat aankwam.

 Een stokoude winkel. En dan dacht ik dan aan Lodewijk Stegman, uit 'Ik heb altijd gelijk' van W.F.Hermans. Die daar ook vaak voorbij gefietst moet zijn in de tijd dat hij over De Wolkenkrabber schreef. 

 Heg en steg, een prikkelende naam, die hij leende. Fantaseer ik.

Aqua alta

 In '77 op de zesde verdieping van de parkeergarage op de Piazza Roma en daarna een kamer zoeken. Die waren er niet. Tenslotte bood een oude vrouw een kamer aan die ze over had. Een opslag, stikvol oud meubilair, spiegelkasten, geen ramen. Ik werd gewekt door het geluid van een stof­zuiger beneden in de steeg. Deze stad was een woonhuis. Toen mijn eerste kopje koffie. 'Un buon cappuccino e un opera d'arte', zei de ober.

 Mijn vriendin en ik maakten een radiorepo­rtage over Lord Byron, die hier woonde.

 Venetië, een stad van geluiden. Omdat er geen auto's rijden hoor je het andere. Het Canal Grande oversteken kon met een pontje van gondolieri. Met twee stereomicrofoons. Wat een akoestiek. Eerst de steeg, daarna het aan boord gaan, het Canal Grande met z'n vaporetto's. En toen was het twaalf uur 's middags. Links, rechts, overal sloegen kerkklokken. 

Het spektakel kwam nog. 

'Maar nu moet u afrekenen, het wordt hoogwater,' zei de ober. ‘Aqua alta. Anders haalt u het hotel niet meer.'  We liepen haastig in het halfdonker en zagen het water in groeiende vlekken omhoog komen door de gleuven in het plaveisel. Net op tijd.

's Ochtends werd ik gewekt door geklots onder het raam. 

Tags: 

Duister

 Toen ik in november 1976 op het station in Praag aankwam trof ik 's ochtends al een restauratie vol bierdrinkers. De pullen werden aangevoerd met drie of vier tegelijk aan elke vinger van de diensters.

 Het Olympik Hotel was luxe voor de broedervolken uit het Oostblok. Ik trof er Russinnen met enorm gespierde kuiten, naar Praag gekomen voor luxe boodschappen. Laarzen die hun kuiten niet konden omvatten, zodat de ritsen van boven deels open moesten blijven.

 Het voedsel kreeg je door het in leveren van bonnen uit de stapel die bij aankomst was uit­gereikt. Suiker in de koffie? Een bon. Zout in de soep? Net zo. Na een uitputtende dag waarop ik had geprobeerd de wan­deling bergop uit 'Beschreibung eines Kampfes' terug te vinden landden reisgenote en ik in een café in de Altstadt, waar nog plaats was tussen een groep doodgravers. Wat dat voor werk was? 'Eine traurige Arbeit'. We kregen elk een speldje van de doodgraversvereniging. Een dag later naar Mariënbad in een treintje met wel heel smalle coupés. Kafka was lang, Tsjechen zijn klein.

 In het hotel was de luxe inrichting van de jaren '20 nog bewaard. Het eten bestond zoals overal vooral uit schnitzel met augurken. Toen we om groente vroegen was dat er niet, maar.. Er kwamen luxe kristallen bokalen, elk met een halve sinaasappel. De ober glunderde. Er was juist een wagon uit Roemenië aangekomen en hij had relaties.

 Uit Kafka's dagboek: 'Het is november. Het lijkt hem dat wel iedere maand een bijzondere betekenis heeft maar november nog een bijzonder toevoegsel van bijzonderheid. Voorlopig is daarvan weliswaar niets te zien er valt alleen maar een met sneeuw vermengde regen. Maar dat is misschien slechts de uiterlijke aanblik die altijd bedriegt want daar de mensen zich als geheel onmiddellijk aan alles aanpassen en men toch in de eerste plaats naar het uiterlijk der mensen oordeelt, zou men eigenlijk nooit een verandering van 's werelds loop kunnen waarnemen...'

 Het Joodse kerkhof, Kafka's graf, dat hoefde niet meer. De stad sprak geheel voor zichzelf.

 Overal in de Altstadt stonden huizen in de steigers. Niet, hoorde ik van een dame die bij Radio Praag gewerkt had maar daar weggewerkt was, niet om ze te restaureren maar om voet­gangers te behoeden voor vallend puin.

Tags: 

Radio

 Omdat we allebei stammen uit de tijd dat de meeste jongens Wim heetten kreeg ik vanmorgen van Wim de Bie opgestuurd het boek 'Radio Nederland' uit 1946. Het was Wim Schippers die me eens zei: 'Vind jij het ook zo erg om Wim te heten.'

 Behalve een buurtje aan de rand van Den Haag delen we de radio. Hij eerst bij de VARA, ik wat later bij de VPRO. 

 Die uitzond vanuit de villa aan de 's-Gravelandseweg 65. Beneden was de studio, boven woonde de directeur, dominee Spel­berg - bekend van zijn rubriek waarin hij problemen van luisteraars besprak - met zijn vrouw Laura, die aan beide benen verlamd was, zodat assistent Cor Galis haar de trap op en af moest dragen. Ik heb haar wel eens gesproken. Op zondagochtend deed ze het 'Zondagshalfuur' voor de kinderen, met publiek, waarvoor ook koningin Juliana met de prinsesjes uit Soestdijk kwam aangefietst.

 Mooi in het boek dat ik van Wim kreeg is het verhaal over een oorlogsreportage. De verslaggever moest een machine meevoeren waarmee tijdens een oorlogsvlucht 78-toeren platen gesneden konden worden, die dan naar Londen gevlogen werden en vandaar uitgezonden via Radio Oranje. We zijn boven Normandië: 'Ik begon een reportage te snijden en keek over het breede Normandische korenveld dat tusschen ons en het verscheurde woud rond Maltot lag..' (...)

 Ik had juist mijn tweede plaatje gesneden toen ik een salvo hoorde komen aanhuilen. Met vingers die niet al te zeker waren , nam ik een derde plaat, legde haar op en draaide de snijnaald in positie. Maar ik had ternauwernood een paar woorden commentaar gesproken toen de mortieren de heg onderhanden begonnen te nemen  (...) Door het eerste salvo sprak ik heen, al was mijn stem volkomen ten onder gegaan door het lawaai maar toen het tweede salvo dichterbij kwam, liet ik de machine alleen verder draaien hing de microfoon aan een tak en dook op de bodem van de greppel.'

Kafka in 1976

 'Het stadje waar de tijd stilstond' van Bohumil Hrabal las ik pas toen ik in november 1976 terug was uit Praag. Nu schijnt het een kleurige toeristische kermis te zijn. Ik moet mijn grauwe, duistere herinnering beschermen. Toen ook las ik in de krant dat in Praag de protestbeweging Charta '77 was opgestaan.

 Cafés vond je door op het geluid af te gaan. Eenmaal liet ik daar mijn NAGRA-recorder zien en de microfoon ging in het dronken gewoel van hand tot hand. Iedereen zei z'n zegje. De meest voorkomende kreet was 'Husak, de toenmalige communis­tische machthebber. Tot een oudere heer me apart nam en vroeg dat gekrakeel te wissen, want 'ze zitten overal, ook hier'.

 Voor Kafka kwam ik, maar die was in geen boekhandel te vinden. Een ober vertelde hoe zijn Kafka's van de bibliotheek, die hij gehouden had, bij hem thuis door de politie waren opgehaald.

 Ik at in de 'Vegetarna', een vegetarisch restaurant dat gevestigd was in de Zeltnergasse, waar de familie Kafka eens woonde en dat uitzag op de ramen van de Teinskirche er achter, waar licht brandde.

 Een dag later ging ik op goed geluk, met draaiende recorder het gebouw binnen in de Celetna waar Kafka eens werkte en nu een bedrijf in elektronica zat en liep de trappen op tot een heer me vroeg waar ik heen wou. Ik liet  mijn recorder zien. Hij dacht dat de NAGRA stuk was en verwees me naar een ander stadsdeel.

 En zo ben ik nooit in die erker op de tweede verdieping geweest waar Kafka met Gustav Janouch heeft staan kijken naar een demonstratie, Kafka's vaste werkplek.

 Ik sliep in het Olympik Hotel, luxe voor gasten uit het Oostblok in een buitenwijk, tegenover de tramremise, vol roodwitte spandoeken met slogans. Daarna reisde ik naar Mariënbad, waar het sneeuwde, omdat Kafka daar ook eens logeerde met Felice Bauer. Met maar een gedachte: 'hoe kom ik hier weg'.

Tags: 

Primitief

 De tentoonstelling 'North & South' die nu in het Catharijne Convent te zien is en later verhuist naar Vic in Catalonië vertelt van de uithoeken van Europa, waar het Christendom tenslotte ook wortel schoot.

 Om dat daar 'primitieve' kunst bewaard is gebleven die vertelt van de eerste stappen die eenvoudige ambachtslieden als hout­snijders, steenhouwers, schilders en smeden, zetten op het pad van het weergeven wat ze bezielde: hun religie. Meestal zijn die pogingen verdwenen onder de dwang van vakkundigheid, modernisering en versiering. Wat zal eindigen in routine en zielloze massafabricage.

 Daarom blijf ik staren naar die eerste pogingen, omdat bezie­ling en oorspronkelijkheid het daar vaak winnen van vakmanschap.

 De vondst van deze tentoonstelling is dat in verre uithoeken als Noorwegen en Catalonië op een overeenkomstige manier gepionierd werd. Vaak in hout, makkelijk te bewerken en eenvoudige vormen. En dat er nog geen door de kerk opgelegde conventies waren, zodat originaliteit kansen krijgt. Het is de fase van de ontdekkingen die je eeuwen later in de popmuziek ook ziet. Alles kan en mag nog. Er werd ook veel gereisd ideeën circuleerden door heel Europa.

afb.: Hoofd van een Noorse madonna uit ca. 1230.

Brassaï

 Het oude Parijs is me bekender dan het moderne. Merk ik aan de foto's van Brassaï. En ook bijvoorbeeld bij het lezen van de Parijse verhalen van Sarah Hart.

 Het met je neus erop gedrukt worden: dit is het dus, Parijs, je bent in Parijs. Zo reed ik met het buurttreintje van Versailles naar de stad, in bogen hoog over de bidonvilles, met rond me Parijzenaars die aan een lus hangend boeken lazen zonder omlaag te kijken.

 Zo kwam ik met de vleeswagen aan bij het slachthuis van de Porte de la Villette, met ervoor de halve cirkel cafés die De vergulde os of Het gouden kalf heetten, waar elk kwartier een ploeg slachters binnenviel met bebloede voorschoten voor hun glas wijn. En waar de tegelvloer na hun vertrek bestrooid werd met vers zaagsel. Deze heeft Brassaï niet gemaakt.

Of het Gare d' Orsay, nu museum, toen nog overdekte parkeerplaats waar Orson Welles voor zijn film van Kafka's Proces opnamen maakte.

Noem het schilderachtig. Het is weg. Dat is waar Brassaï aan lijdt, na vele jaren een teveel aan overbekend pittoresk. 's Ochtends zien hoe het water van de buttes door de goten naar beneden stroomt. Wat ontroert is de herkenning.

Tags: 

Chlebnikovs Zangezi

 In de jaren 1920-1922 - de Revolutie woedde - schreef de Russische futurist Velimir Chlebnikov zijn laatste grote tekst 'Za­ngezi'. Zangezi, die meer is dan 'iemand'. Ik dacht aan Nietzsches Zarathustra. Een prediker, filosoof, wiskundige en dichter die gezeten op een rots de geheimen van de taal en de geschiedenis een vorm geeft, aldus vertaalster Aai Prins.

 In het twintigste en laatste segment, een dialoog tussen 'Leed en lach' gaat dat zo. 'Lach' is aan het woord:

'Als een gems over bergen van rede/ Trippelt de lariekoek luchtig./ Dat is het credo/ Van mij, een speknek, machtig en lustig./ In ijzeren zeeleeuwendraf/ Volbreng ik mijn reizen./ Bloeiend is mijn lach/ In het flonkerend ijzer./ Met mijn machtige hand in de zij,/ Schud ik mijn enige oorring./ Met schaterbrokken brand-/ Hout stook ik mijn blauwe verstand./ En klaterlachend wijs ik naar degeen/ Die achter het gordijn verdween./Uit, die schoenen van de rede!/ Hier heb je mijn zwetende tenen!/ En jij? Als een regenpijp strek/ Je je uit naar de hemelboog,/ Maar ik ben anders, een gek:/ Een duivel, vettig van oog./ Smeul als een laaiende tempel/ Brand als kapellen van leed!/ Mijn nek draagt een vet lachend stempel,/ Omdat hij door jou werd omarmd,/ En door je kussen gebrand./ Als een degelijk pannendak/ Ga ik onder geen ontij gebukt. Maar jij, wier ziel zo zwak/ De beul heeft uitgerukt,/ Bent een martelares op het rad/ Wier botten hij stuk voor stuk brak./ Je bent als een zin, achter komma's verscholen,/ Van alle genoegens verstoken./ Terwijl ik mijn glimlachdraden trek,/ Daar waar ik ben, en jij/ Krijg jij in het folterweb van mij/ Een bloemenboeket./ Wij zijn twee fouten, zij aan zij/ In de nachtelijke glimlachwei. (...)'  

Tags: 

Pagina's