Ik voerde ze, met ochtendvoer van P-haantje luis, zoals op de zakken van P.Sluis stond. Tot ze op zekere dag zo groot waren dat besloten werd dat ze verkocht moesten worden. Dat zou me meteen leren hoe dat in z'n werk ging.
En zo reden vriendje Evert en ik in de grote Opel met chauffeur van zijn opa, naar de markt in Apeldoorn. De krielkippen achterin, in een kistje. De markt bleek een enorm vierkant plein waar zeer veel kippen stonden uitgestald. Daar namen we een open plek in onder leiding van de chauffeur, en wachtten af.
Al vlug kwam er een boerse man op ons af en vroeg 'Wat moet het kosten'. Daarover was boven mijn hoofd besloten dat het drie gulden vijftig moest zijn. Dat bedrag herhaalde ik.
'Da's goed,' zei de man, overhandigde mij een blauwe papieren rijksdaalder en een bruine gulden. 'Verkocht.' En verdween met het kistje met mijn zes krielkippen in de menigte.
De terugtocht was bedrukt. Mijn krielkippen waren weg. En wat zou ik met dat papiergeld kunnen beginnen. 'IJsjes kopen,' zei Evert. Dat deden we, terug in het dorp, aan het loket van Nijk. Maar toen was er nog veel geld over. En mijn krielkippen die ik zo geduldig had verzorgd en die ik alle zes kende aan hun kleurtjes waren weg. Voorgoed.