Schoolplaten

 De namen van tekenaars Isings en Jetses blijven voor altijd verbonden aan de wandplaten van de ondergang van Floris de Vijfde of die waarom je aan de bovenkant een slootrand ziet en onder het wateroppervlak kikkervisjes, stekelbaarsjes tot zelfs een ringslang tussen de waterplanten.

 Daaraan dacht ik toen ik bij Kafka zijn fascinatie voor de prent van de 'Alexanderschlacht' van Albrecht Altdorfer vond, waar hij als jongen naar bleef kijken. Hij verwerkte het in 'De nieuwe advocaat'. W.G.Sebald ging er mee verder. Hij schrijft in 'Nach der Natur':

 'De dood is voor ons ongeveer als aan de muur in het klaslokaal een prent van de 'Alexanderslag'.

Op die prent zie je hoe Alexander de Grote Darius overwint nadat hij honderduizend infanteristen en meer dan tienduizend ruiters overwonnen had, en de moeder gemalin en kinderen van de koning gevangen had genomen. 

In 1529 schildert Altdorfer dit in tempera op lindenhout, grootte 158 x 120 cm. De Grieken in wit-blauw, de Perzen in het rood. De Slag bei Issos in 333 v. Chr..

Toen ik op Kattenburg woonde keek ik aan de achterzijde van de Kattenburgergracht tenslotte uit op een kale sloopvlakte, waar alleen nog een schoolgebouw stond. Daar heb ik tientallen schoolplaten gevonden en meegenomen. Ook een krijtjesbakje dat ik nog steeds bewaar. De platen zijn bij een brand verdwenen.

Tags: 

Vechtvriendschap

 'Een ongeneeslijk heimwee', de biografie die Nico Keuning schreef van Willem Brakman verschijnt in januari bij Querido, waar ook zijn andere boeken uitkwamen.

 In dat boek zal de bijna levenslange 'vechtvriendschap' van Willem met Nol Gregoor een weerkerend thema zijn. Geen boek van Brakman of er komen wel twee heren in voor die mekaar de loef proberen af te steken. Gregoor, de dichter van wie nauwelijks iets verscheen, ondanks zijn hoog van de literaire toren blazen, en Brakman, de jongen van mindere komaf die tegen de literatuur opzag en veel te lang wachtte met debuteren, maar daarna losbrandde in zo'n vijftig titels.

 Door radiowerk en fietstochtjes raakten we bevriend en 'Nollebol' bleek een weerkerend onderwerp, ook als komische pendant in de romans. Denk aan 'De Graaf van Den Haag' of 'De reis van de douanier naar Bentheim'. Brakman, zoon van een verpleegster en een wisselloper uit het Haagse Duindorp had de verwaten Gregoor nodig als onderwerp.

 Nico Keuning schreef eerder: 'Tijdens een gezame­nlijk bezoek aan de door beiden bewonderde Vestdijk in Doorn steekt de rivaliteit en animositeit bij Gregoor geregeld de kop op. Het komt zelfs bijna tot een handgemeen als Gregoor zijn vriend in het gesp­rek met Vestdijk voor de zoveelste keer naar de achtergrond dwingt. (...) Brakman: 'Ik had zelfs mijn jasje uitgetrokken en maakte in een wit overhemd brede en woedende gebaren. Na afloop krijtwit en uitgeput, hoorde ik Vestdijks commentaar: 'Prach­tig! Net de Franse Revolutie.'

Het wachten bij Pieter de Hooch

 Wat eerst? Dat is de vraag die je je stelt bij het werk van Pieter de Hooch (1629-ca.1679), nu te zien in Delft en bij lezing van het nieuwe Kunstschrift dat aan hem gewijd is.

 Er is een interieur, met tegelvloeren, er hangen gordijnen, een cape aan een haak. Een deur of raam naar buiten staat half open. De lichtval zegt het is middag.

 En dan? Meestal verschijnen in dit doodkalme interieur een vrouw, die verstel­werk doet of huishoudelijk bezig is, haar lieftal­lige dochtertje en een hond. Geen man. Op hem wordt kennelijk geduldig gewacht. Heel de voorstel­ling, het interieur, de lichtval, ademt dit wachten. Het is een huis om thuis te komen.

 Het is de diepte van de ruimten die het hem doet. Je kunt die huizen in.

 De werkwijze is bekend. De Hooch begon met het huis, pas als de voorstelling bijna klaar was schilderde hij de figuren erin.

 Natuurlijk komen op zijn doeken ook mannen voor. Maar die zijn van voorbijgaande aard, meestal op bezoek of ze komen iets brengen.

Grote dag

 Vanaf vanmorgen vroeg aan de BBC gekluisterd die op oorlogssterkte was uitgerukt naar Westminster. Gek genoeg bleef het in de rest van Europa stil. Er was ook geen nieuws.

 Vandaag zou de Grote Dag zijn dat het Lagerhuis de 'deal' van Boris Johnson met Europa zou tekenen. Maar niks. Er werd besloten tot een ingewikkelde vorm van uitstel. Wat doet vermoeden dat de Engelsen terugschrikken. Eerst hoog van de toren blazen en dan pas gaan nadenken en vooral rekenen. De zakenlieden die ik op de BBC zag waren niet bevangen door het Brittannia rules the waves, de eigen grootheid waarin de rest van het Verenigd Koninkrijk nog steeds blind gelooft.

 Maar de rijen vrachtwagens voor de haven van Dover zijn niet mis, de privatisering van Thatcher ziekt nog overal na. Brexit is er een direct gevolg van.

 Als het om milieu gaat of sociale wetgeving kun je Boris vergeten. Hij wil zijn vriend Trump achterna. Labour heeft hem al ervan beschuldigd dat hij de overheids-ziekenzorg NHS wil uitverkopen aan de Amerikanen.

 Maar wat staat er in Johnsons deal dan wel over de economie? Vreemd, helemaal niets.

Ongesigneerd

 Vriend Dave Meijer, de schilder uit Goes kwam vanmiddag langs en wij praat­ten als vanouds over alles. Hij had een paar schilderijen voor me meegebracht, waaruit ik onmiddellijk dit koos. Wijlen Jan Zembsch (1953), die zijn leven lang schilderde en spaarzaam in Vlissingen exposeerde.

 Dit is opgezet in vele lagen, er zit een groene onder het blauw, zelfs ook bruin. Het raam is later toegevoegd en wat een vitrage lijkt in de linker raamlijst is ontstaan uit morsen. Na lang piekeren kwam Zembsch uit op de hemel met roze ballen.

 Jan Zembsch leeft niet meer. Hij was een fanatieke rechtsbuiten in het Zeeuwse elftal waarin ook Dave voetbalde. Hij signeerde zijn doeken niet.

 Wat me steeds weer doet kijken naar dit schilderij zijn de suggestieve raadselen. Behalve de 'vitrage' is er rechtsonder het trapezium met de drie witte ballen. Alles is er in een razend tempo op gezet, weet Dave. De ruwe kwaststreken waarmee de 'raamlijst' is opgezet over het blauw deed me een last minute ingreep vermoeden. Dat klopt, wist Dave. Op Internet is meer moois te zien van Jan Zembsch.

 Ik dacht aan Hans Heesen en zijn museum voor ongesigneerde kunst in Zutphen. Dave Meijer exposeert naast zijn succesvolle panorama in het Wassenaarse Voorlinde momenteel ook in Vorden. En heeft aan land en lucht nu ook water toegevoegd aan zijn repertoire. Iets nieuws bij hem.

Het onontdekte land

 De roman Het Slot van Franz Kafka bestaat uit wat je niet weet. W.G.Sebald schreef er een essay over in 'Die beschreibung des Unglücks', een bundel over Oostenrijkse literatuur met beschouwingen over oa. Thomas Bernhard, Peter Handke en Adal­bert Stifter. Hij opent met dit citaat:

 'De dood ligt voor ons, ongeveer zoals in het klaslokaal aan de muur een plaat van de Alexanderslag.' Een schoolplaat van oor­log­voering door Alexander de Grote waar Kafka meermalen op terug­komt.   

 Tegen het eind van het boek heeft K. eindelijk een gesprek met de waardin van de 'Herrenhof' het stamcafe van de hooggeplaatsten op het slot.

 De vraag luidt wat en wie hij nu eigenlijk is. 'Heb je zelfs niet leren kleermaken?' vroeg de waardin 'Nee, nooit, zegt K. 'Wat ben je dan eigenlijk?' 'Landmeter.' 'Wat is dat dan?' K. legde het uit, de uitleg liet haar gapen. 'Je spreekt de waarheid niet. Maar waarom spreek je niet de waarheid?' 'Jij doet het ook niet.'

 - K. is dus geen landmeter, hij heeft niets bij zich wat zijn bewering bevestigde. Hij is maar een wandelaar die net opkomt met een kleine rugzak en een knapzak.' Symbolen van de dood, zegt Sebald. Zoals heel Het Slot over de dood gaat. K. bevindt zich tussen leven en dood.

Tags: 

Trekker

 Het gezin reisde op een zondag naar Tholen, naar oom Kees en tante Mien. Die woonden op de eeuwenoude boerderij de Kettingshoeve, omdat hij aan het eind lag van de Kettingdijk, die daar doodloopt op de Oosterschelde.

 Het was warm, oom en tante zaten in het prieel en verveelden zich. Oom Kees, de dijkgraaf, wees in de verte over de Schakerlose polder en zei 'Da's allemaal van mie'.

 Dan naar het water. Eerst keek ik vanaf het betonnen muurtje op de dijk uit over de Oosterschelde. En kreeg uitgelegd dat daar Reimerswaal gelegen had. Dat er soms nog knekels van het kerkhof gevonden werden. De bakstenen waren met platte schuiten afgevoerd en in de buurt weer gebruikt.  

 Met Maris, de meesterknecht kwam ik we bij de oude tractor, de 'trekker'. Of ik erop wilde rijden? Er werd toch gier uitgereden, De aanhanger stond nog aangekoppeld. Ik was twaalf en wist van niks, maar eenmaal op het ijzeren zadel was ik mijn nieuwe zondagse terlenka broek en mijn colbert van Peek en Cloppenburg vergeten en kende nog maar drie versnellingen. Keek ik achterom dan zag ik het brede spoor van pis dat ik achterliet.

 'Beetje netjes verspreiden,' zei Maris.

 Toen het werk gedaan was kwam mijn moeder kijken. Van schrik kon ze alleen 'helemaal bedorven' uitbrengen.

 Later vond ik het boek 'De ondergang van Reimerswaal' van J. Stamperius, waarin feestende edelen verzuimen de dijken te versterken.

Halfslaap

 De toestand halverwege waken en slapen in het schemerduister is weinig beschreven, zover ik weet. Meestal gebeurt het in bed. Achter het stuur van een rij­dende auto soms bij korte momenten. Je merkt het als je 'een stoepje meepikt'.

 Wat zit waar? Een warboel is het.

 Weerkerend is de manier waarop het eigen lichaam wordt gevoeld en waar­genomen. De laatste tijd heb ik vaak twee neuzen. Ook wel twee monden. En alleen door in de halfslaap met mijn vingers af te tasten kom ik langzaam bij wat werkelijkheid moet zijn. Al blijft het onwaarschijnlijk. Is dit mijn linkerbeen? De kleuren zijn die van vergeelde kleurenfoto‘s.

 Wat ik daarbij zie heeft vaak wel een zekere logica. Niet dat ik meteen aan gezichten van Picasso denk. Zou hij 's nachts ook wel eens met zijn handen over zijn gezicht zijn gegaan? Of kwam het meervoudige zien bij hem puur voort uit de waarneming

Doden sta op!

 In zijn verzameling van '500 historische oneliners' van Paul Claes vond ik 'Debout les morts!', een citaat uit de 'Echo de Paris' van 18 november 1915, tekst van een Franse adjudant vanuit een met lijken gevulde loopgraaf bij Verdun.

 Hij sommeerde zijn regiment de tegenaanval in te zetten. Ik ben een keer vanuit het Maasdal afgeslagen richting het Os­suaire de Douaumont', wellicht het grootst knekelhuis ter wereld. Wat me overkwam was alleszeggend: naarmate de weg iets bergop ging werd ik omringd door doden. Ze zijn daar overal om je heen. En ik kreeg het zo benauwd dat ik moest omkeren.

 In het Ossuaire zelf, dat beenderenpakhuis, ben ik dus nooit geweest.

 Door de stad Verdun met zijn griezelarchitectuur reed ik snel heen. Op sommige plekken kun je beter niet zijn.

 Ik eindigde bij het ondergrondse kanaal, bezuiden Commercy, waarlangs geschut en munitie werd aangevoerd. Door schuiten met een electrische bovenleiding. Het functioneert nog steeds, nu voor groente.

 Celine is daar, nog steeds.

Tags: 

P Haantje Luis

 Behalve konijnen en een uit het nest gevallen uil had ik op het dorp ook zes krielkippen, in een hok op het landje achter huize Schut. Hebben is een te groot woord. Je kunt dieren niet hebben. Ze zijn van zichzelf.

 Ik voerde ze, met ochtendvoer van P-haantje luis, zoals op de zakken van P.Sluis stond. Tot ze op zekere dag zo groot waren dat besloten werd dat ze verkocht moesten worden. Dat zou me meteen leren hoe dat in z'n werk ging.

En zo reden vriendje Evert en ik in de grote Opel met chauffeur van zijn opa, naar de markt in Apeldoorn. De krielkippen achterin, in een kistje. De markt bleek een enorm vierkant plein waar zeer veel kippen stonden uitgestald. Daar namen we een open plek in onder leiding van de chauffeur, en wachtten af.

Al vlug kwam er een boerse man op ons af en vroeg 'Wat moet het kosten'. Daarover was boven mijn hoofd besloten dat het drie gulden vijftig moest zijn. Dat bedrag herhaalde ik.

'Da's goed,' zei de man, overhandigde mij een blauwe papieren rijksdaalder en een bruine gulden. 'Verkocht.' En verdween met het kistje met mijn zes krielkippen in de menigte.

De terugtocht was bedrukt. Mijn krielkippen waren weg. En wat zou ik met dat papiergeld kunnen beginnen. 'IJsjes kopen,' zei Evert. Dat deden we, terug in het dorp, aan het loket van Nijk. Maar toen was er nog veel geld over. En mijn krielkippen die ik zo geduldig had verzorgd en die ik alle zes kende aan hun kleurtjes waren weg. Voorgoed.

Pagina's