De taal van cijfers

 Het nieuwe Terras nummer 17 is gewijd aan 'Theater'. Dit in de ruimste zin. Theater is overal. Zo ook in deze tekst van de Duitse Kathrin Roggla (1971), 'Buiten waart een duister cijfer rond (zes scenes),' vertaald door Ralph Aarnout. waaruit deze passage:

 'dat is mijn stelling, dat er een duister cijfer rondwaart, waar niemand zicht op heeft, wat je hoort is dat een op de tien huishoudens zus, of dat een op de acht huishoudens zo. en dan is het weer een achtste van de bevolking of opeens een vijfde, terwijl we uiteindelijk gewoon niet weten wat er aan de hand is, wat er echt aan de hand is. wat ik zeg, is: het duistere cijfer! we weten helemaal niet wat daar buiten aan de hand is, ja, daar buiten! omdat niemand ons de juiste data geeft. ondanks alle peilingen, ondanks de hele enquetecultuur, ondanks al die demografische instrumenten van ze, de marktsegmenten, die huiveringwekkende biometrische methodes van ze, we weten helemaal niets we hebben wel getallen, natuurlijk, we hebben eindeloze hoeveelheden getallen.'  

 Ik dacht aan mijn leraar wiskunde, die op zekere dag een grote papieren zak met spijkers mee had gebracht. Die hij uitstortte op zijn tafel. En ons vroeg: 'Hoeveel spijkers zijn dit, denken jullie? Honderd? Duizend? Tienduizend?'

 De klas zweeg. 

Telefoontje

 Ik was bezig met langzaam wakker worden. Een kwetsbaar proces waarbij ook de geestelijke vermogens maar langzaam bij de tijd komen. Routineus haalde ik het vuile wasgoed uit de wasmand, deed het in de wasmachine en zette hem aan. De dag was begonnen. Een ATAL-dag, de prikvrouw zou komen voor mijn bloedverdunning.

 Nu zocht ik mijn telefoontje om te zien of er nog Boris Johnson-nieuws was bij de Guardian. Maar kon het nergens vinden. Ook mijn vriendin die allang op was kon het na alles, boeken, beddegoed, ondersteboven te hebben gekeerd nergens vinden.

 De dame van de ATAL kwam om in mijn vinger te prikken en ging weer. Maar waar was het telefoontje? Paniek. Ik had vast iets doms gedaan. Maar wat? Ik ontwikkelde een in­gewikkelde een theorie, ik had het de vorige avond waarsc­hijnlijk tezamen met het vuile wasgoed alvast in de wasmachine gedaan. En nu draaide het apparaat vrolijk zijn rondjes met mijn telefoontje in zijn trommel. Kon ik hem nog stilzetten? Dat bleek onmogelijk. Het programma moest kennelijk geheel afgewerkt worden.

Het was mijn vriendin die op het idee kwam mij op te bellen. Ik hoorde mijn eigen stem al door bubbelgeluiden heen. Voorgoed onbruikbaar. En daarna ontrolde zich wat er allemaal mis zou gaan. Afspraken, nummers, alles was weg.

Maar, o wonder, ergens in huis ging nu mijn telefoontje. De ontknoping bespaar ik u. Het was, natuurlijk, mijn eigen stomme schuld.

D'Annunzio en zijn leerling Mussolini in 1925

 Mussolini bedolf de bewonderde dichter onder de gunsten, als hij zich alsjeblieft maar niet meer met politiek zou bemoeien.

Vittoriale

 Het was in de tijd dat het tonen van een professionele Sen­nheiser microfoon volstond om je overal in Italië toe te laten. 'Si professore.' Je was al vlug in­geniere of dottore. In mijn hotel logeerde een 'mareschiallo' die als een god bediend werd.

 De dag dat we d'Annunzio's Vittoriale degli italiani boven het Gardameer bezochten vlogen de deuren van de villa vol door de dichter bijeengestolen oudheden open. Losgezaagde stukken kerkinterieur of paleizen. In zijn leven heeft hij meermalen huizen gevuld met gestolen kunstschatten. De piano van Liszt staat er.

 De badkamer was onvergetelijk. Omdat d'Annunzio kouwelijk was moest de centrale verwarming daar midden in de zomer op 35 graden blijven. De oppasser opende voor mijn vriendin en mij alle kleerkasten met de garderobes van de vele vriendinnen van de dichter. Wat een tule, zijde en brokaat!

 In de tuin stond en staat nog het vliegtuigje waarmee hij folders uitstrooide. Hij bezette de stad in 1919 anderhalf jaar met een eigen legertje.

 Dit is de ansicht waarop hij met Mussolini converseert, zijn leerling, die hem garandeerde dat zijn verzameld werk goud-op-snee werd uitgebracht en een vorstelijk jaargeld tot zijn dood in 1938. Hij ligt er begraven. in een luxe mausoleum.

Tags: 

Westland

 Randje Den Haag, waar ik opgroeide grensde de stad aan het Westland. Op zondag kwamen jongens op Kreidler-brommers naar ons Bethel-kerkje, waar ik de nu befaamde organist René Rakier hoorde terwijl ik naar de weerschijn van de glas-in-lood ramen op de vloer staarde.

 Uitwedstrijden in Monster of 's-Gravesande spelen was geen pretje. Je kon beter verliezen, er werd gevochten.

 Ik bezocht er mijn tantes Dien (Dingena) en Bella, die les gaf aan de huishoudschool in Naaldwijk. Ze woonden tussen de kassen, bij de veiling van Honselersdijk. Je kreeg altijd een trosje druiven mee. Voor mij stond het asbakje in de vorm van een vis en het pakje Peter Stuyvesant klaar.

 Een wereld die Babette Wagenvoort en Lokien de Bie hebben gevat in de tekst en tekenin­gen van hun boek 'Een wereld apart'. Ondertitel: 'Een avond bij de vrouwenvereniging'. Eens waren er vele verenigingen van plattelandsvrouwen, hervormd of katholiek, Maar het wordt minder. Lezingen ook, zoals die over hoeden van Wil (64) van het hoedenmuseum in Andijk: 'Vrouwenverenigingen in het Westland zijn best vlot. Er heersen verschillende sferen, dat komt door de geloven. Bij de katholieke vrouwengildes schenken ze een borreltje en frisdrank, bij de christelijke vereniging Passage beginnen ze met gebed en alleen koffie of thee met een koekje. Daar zijn er echt nog die naar de kerk een hoed dragen. En hun haar niet afknippen, altijd een rok dragen en geen televisie bezitten.'

 Mijn tantes waren er nooit. Te eenkennig, en ze kwamen uit Zeeland.

Wunderschönes Seidenkleid

 Een gedicht of prozastuk opzoeken is op internet eenvoudig. Muziek waarvan je de titel niet weet bijna onmogelijk. Nu is het de kleine Elizabeth die me niet meer loslaat. Maar waar vind ik haar tekst?

 Ik weet dat het liedje geschreven werd door Friedrich Hol­lander omdat Dick Swidde het me voorzong. De zoon van de kachelsmid uit Purmerend, bekend als de Boze Buurman uit Ja Zuste­r­... Dick gluurde als kind al door een kier naar het variete. En zag de moeder van Fien de la Mar, genaamd Pien de la Mar met schlage­rs als Die tolle Lola.

 Later kocht hij ze op papier. We namen zijn Duitse liedjes voor de radio op. En zo kwam Die Kleine Elizabeth van Friedrich Hollander in mijn hoofd. En ging er nooit meer uit.

 Eens, toen de Stopera gebouwd moest worden was er een theater­tje in de bouwput. Met een tent voor optre­dens. Daar zou Dick zijn Duitse liedjes doen. Het regende zacht. Halverwege kwam een klein zwart jongetje door het zand naar de Boze Buurman toegelopen. Die hem midden in een liedje streng aankeek en zei: 'Zo kind, ga jij maar weer terug naar je moe.' Het kind deinsde terug.

 Maar nu Die kleine Elizabeth. Een paar regels weet ik, de rest kan ik nergens vinden. Elizabeth gaat zo:

'Was ich von dir weiss kleine Elizabeth..

Na na..

Mir wirds kalt und heiss kleine Elizabeth..

Na na..'

 En daar houdt het bij mij op, de melodie gaat door. Iedereen heeft het over haar. Vooral over haar 'himmlische Bescheide­nheid' wat rijmt op haar 'wunderschones Seidenkleid'. Maar de tekst?

Een keurig meisje die Elizabeth, maar als je eens wist. Tekstdichter Friedrich Hollander vluchtte in 1933 als jood naar Amerika maar hij stierf in München in 1976.

Tags: 

Uil

 Laat-middeleeuwse kunst zit vol verwijzingen en grapjes die we nu vaak niet meer kunnen volgen. Het boekje 'Rebus, van duivels tot Bosch van Jos Koldeweij gaat op een aantal in. Onder het motto 'Wat baat kaars of bril, als de uil niet kijken wil.' De rebus (letterlijk 'over de dingen') bestaat nog, maar de Middeleeuwers gaven ook graag raadselen op, vaak vol dubbelzinnigheden.

 Jeroen Bosch hield er van. En zo verwijzen de vele uilen in zijn werk naar de stad waar hij woonde. Hier een slapende vrouw, detail uit het rechter luik van de Tuin der lusten (1495-1505), de hel. Ze wordt belaagd door oa. een zwarte panter, een pad en een duvel die naar haar kijkt uit een spiegel, die tussen de benen van een onbekende verschijnt.   

 De uil, altijd een dubbelzinnige verschijning, van de uilogige Pallas Athene' tot mijn grootmoeder die me schold voor 'uil' als ik iets doms deed.

Ondergronds

 Het heeft jaren geduurd dat je bij de bakker op de hoek groep­jes mannen met helmen tegenkwam die de taal spraken die iets als 'Swizzidutsch' genoemd wordt. Dat dat waren de Zwitserse tun­nelbouwers van de Noord-Zuidlijn.

 Ze zijn weg en de tunnel loopt onder mijn voeten. Maar tot vandaag had ik er nooit in gezeten. Dat komt, ik heb mijn auto nu pas afgedankt. En slecht ter been of niet, ik moest de nieuwe onderwereld betreden. Op de hoek van de Ceintuurbaan drie etages omlaag en dan naar Centraal.

 Waar ik uitblies in het Noord-Zuidhollands koffiehuis, dat eens aan het randje stond van een diepe bouwput, met daarin een geïmproviseerd terrasje, waar ik eens met Johnny van Doorn belandde: 'Een glaasje drinken in een Amsterdamse krater.'

 Het wrakke groenhouten bouwsel, ooit neergezet om wachtende passagiers, die per boot naar de eindhalte van de Blauwe tram in Noord zouden worden gebracht een consumptie te schenken was veranderd in een witgeverfde ballentent van het Loetje-concern met op ieder schoteltje een ministroopwafel. En toen weer terug. Voorbij mijn jaren in lijn 24, waar ik eens een wagenvoerster van haar plaats gehaald zag worden omdat ze - dronken - zich ontpopte als een discjockey, met dubbelzinnige toespelingen op haltes en in- en uitstappers, vooral bij de Dam. Amsterdam was een keurige wereldstad geworden.

Schrijfmachine

 Nog pasgeleden had ik contact met een zoon van de werkster en vriendin van mijn moeder, die zich 'juffrouw Molewijk' noemde. Mevrouw dat was mijn moeder. Maar vriendinnen waren ze. Er werden brieven geschreven. En ook larter, na de verhuizing kwam juffrouw Molewijk op bezoek.

 De werkster is van veel vrouwen haar beste vriendin. Haar man. Eef was reparateur en onderhoudstechnicus van de schrijfmachines, bij verschillende bedrijven.

 Op een dag besloot mijn vader dat hij moest leren typen. Eef kreeg de opdracht op de uitgezochte tweedehands L.C.Smith & Co - met lint in twee kleuren - alle ontbrekende leestekens te monteren, de accentcirconflex, de accent grave, en natuurlijk de umlaut.

 Na twee, deels schriftelijke lessen gaf mijn vader het typen op. En de machine verhuisde stilletjes naar mijn kamer, waar ik er in acht carbon-doorslagen mijn eigen krantje op maakte.

 Juffrouw Molewijk was erg dik. Ze hield van eten. Als ze 's middags de boterham meeat kon ze met gretigheid vertellen hoe ze alleen thuis voor zich zelf soms aardappelen kookte en die dan opat met veel jus.

 'Ja, ik vind het zo lekker he'.

 Nog feestelijker waren de avonden in huize Molewijk in Loosduinen, als werd besloten 'nog wat te halen'. Dat konden moo­rko­ppen zijn, tompoezen of wat ook. Het dee me goed haar zoon te spreken. Er ging van de familie Molewijk iets bevrijdends uit, waarvoor het woordje 'halen' stond.

Paraplu’s

 Dat het in Hongkong veel en vaak regent wordt je met de dag op tv ingepeperd. Een paraplu kan behalve een regenscherm ook een bescherming zijn tegen een vijand, De paraplu straalt onschuld uit. Dat buitje waait wel weer over.

 Sinds ze in de Hongkong-opstand van 2014 als 'wapen' werden ingezet door de 'Umbrella soldiers' zijn ze een symbool van ironische strijdbaarheid.

 In de film 'Shadow' van Zhang Yimou die ik onlangs zag is de paraplu een oeroud strijdwapen, met rondzwiepende messen op de baleinen. Een historisch‑fantastisch drama, zich afspelend in een bergkloof, in de nooit ophoudende regen, in de Chinese voortijd. Bloed en regen.

 En dan de paraplu. Een symbool van bescherming en strijdbaarheid. In Hongkong tegen pepperspray. Of water vermengd met blauwe verf uit waterkanonnen zodat een demonstrant later geïdentificeerd kan worden.

 Met het diepe, ironische inzicht dat de Hongkong-studenten op de lange duur toch machteloos zullen blijken tegen de Chinese almacht.

 Een nieuwe film van Zhang Yimou is intussen verboden.

Tags: 

Pagina's