In 'Levend over levend' vertelt de 18-jarige dichteres Marina Tsvetajeva (1892-1941) over de veel oudere dichters Maximilian Volosjin, met wie ze een onopgeloste affaire had, en Koezmin. Eerst over het mutsje van de eerste: 'Zou het misschien niet... af mogen zodat ik de vorm van uw hoofd kan zien? Niets zegt zoveel over een mens al de vorm van zijn hoofd.'
'Zoals u wilt.' Maar voordat ik mijn hand omhoog kan brengen heeft hij het al - voorzichtig - zoals mannen en beren kunnen zijn, met beide handen afgezet.
'U hebt een voortreffelijk hoofd, zeer regelmatig van vorm, ik begrijp niet...'. Hij kijkt met de blik van een beeldhouwer - of zelfs van een houtsnijder naar een houtblok - overigens, zijn ogen zijn precies die van Pan van Vroebel: twee lichtende punten - en, vragend: 'Zou u dan niet meteen ook...'
Ik: 'Mijn bril af mogen?' Hij, verheugd: Ja, ja uw bril, want weet u, niets verbergt een mens zozeer als een bril.'
Ik, die hem deze keer voor ben: 'Maar ik moet u waarschuwen, zonder bril zie ik niets.' Hij, rustig: 'U hoeft niet te zien, als ik maar zie.'
Later meer over de mode in het Petersburg van toen.
(vertaald door Anne Stoffel)