Uitzicht

 Van een eerder ziekenhuisverblijf herinner ik meneer Loghies, die de scepter zwaaide over het uitzicht uit het zaaltje. Hij besliste wanneer ons het gordijn open mocht op de zevende. Hij opende dat als een toneelmeester.

 Er ontstond een rolverdeling onder zes mensen die elkaar nooit eerder zagen. De gesluierde vrouw die 's nachts werd binnengebracht huilde zodra haar bezoek binnenkwam. Dan begon ze te snikken en nam de prullaria - glimballonnetjes, hazen met smilegezichtjes - in ontvangst. Zodra het bezoek vertrokken was hield haar snikken op.

 Ook was er een vrouw die over de bloemen ging en wegdeed wat in haar ogen verlepte. Ik hou juist van uitvallende tulpen, maar nee. Het uitzicht over Amsterdam-Oost hielp weinig. Hijskranen in de verte en veel dakterrassen. Een bevriende fotografe die voor bed & breakfast werkt signaleerde die trend. Overal nieuwe dakterrassen. Die zelden gebruikt worden omdat het ofwel te warm of te koud is, teveel waait of de puf ontbreekt alles, kratten drank, voedsel de trap op te sjouwen. In Italie dienen ze alleen om de was te drogen, of voor zeldzame ontmoetingen als die van Loren en Mastroianni in Giornata Particolare.

 Dakterrassen in Nederland. Om met Gerard Reve te spreken, 'het is het idee'.

Afwezigheid

 Het was Jerom die bij het huis van zijn vriend Lambiek aan­gekomen daar een briefje aan de voordeur trof met de tekst 'niet thuis uit reden van afwezigheid'. Ja, ik was er niet uit reden van ziekte, nu weer genezen.

 Dit uit het hoofd wat ik gisteravond laat kon oproepen in een ziekenhuisbed met te weinig dek. Het is een manier om slaap te roepen die niet wil komen: in de wereld van Willy Vandersteen komen absur­dismen voor die zelden zijn opgemerkt omdat Suske & Wiske te veel werden gezien als voor kinderen waar de belevenissen van Kuifje en Guust volwassen trek­jes hadden.

 Maar de snibbigheden dan, tussen Sidonia en haar buurvrouw Celestine, die zich ver boven haar verheven voelt? Met scenes als deze: Sidonia heeft een nieuwe jurk gekocht en de buurvrouw kijkt over de schutting. Ze zegt iets als: 'Ach Sidonie wat een aardig kleedje heeft u daar. Ik heb ook een keu­ken­gordijntje van die stof.'

 Ik heb Vandersteen een keer ontmoet. Belgischer kon een meneer er niet uit zien. Een bruin pak, een naamloos brilmon­tuur en een glimlach voor alle gelegenheden.

 Hij had leren tekenen, vertelde hij, in het atelier van zijn vader die plafond-ornamenten ontwierp met engeltjes voor in de nieuwbouw van de jaren rond de vorige eeuwwisseling.

 

Ongelukkig

 Mijn tweede ziekenhuis was - na het Juliana kinderziekenhuis - het Haagse Zuidwal. Allebei afgebroken, maar de witte jassen, dee tegelwanden en de geur van lysol blijven.

 Ik kwam er met een voetbalknie, op het zondagspreekuur, het voetbalspreekuur. De knie was gezwollen, en niet zuinig.

 De arts, eens een bekende voetballer bij HBS, zette met ballpo­int een kruisje op de forse zwelling. En sommeerde de coassis­tent: 'Hier, hier moet je zijn.'

De naald ging erin en kwam terug met een grote een buis bloederig vloeistof. Daarna werd mijn knie ingezwachteld en mocht ik weg. Op twee krukken. 

 In de volle tram terug sommeerde de moeder die naast me zat haar zoontje om voor me op te staan. 'Laat die meneer eens netjes zitten. Dat zie je toch zo, die man is ongelukkig.'

 In 1882 lagen Vincent van Gogh en Breitner hier, met ges­l­achtsziekten. Vincent had tekengerei meegebracht.

Komende week wacht me een volgend ziekenhuisbezoek

Tags: 

De Lier

 Ik weet niet wanneer 'ze' hun intree hebben gedaan in onze en andere talen. Met verzuchtingen als 'ze doen maar wat’, of ‘ze doen ook maar'.

 Iets is altijd iemand z'n schuld. Juffrouw Molewijk, onze werkster die uit Loosduinen kwam, had een Westlands synoniem voor 'de dader ligt op het kerkhof'. Was de vraag wie z'n schuld iets was en de dader onbekend, dan zei ze 'jaja, Piet Pieltjes uit De Lier'.

 Nu zijn er veel - en steeds meer - kennelijk van overheidswege ingevoerde m­aatregelen of ingrepen in het dageli­jks leven waarvan niet te achterhalen is wie - 'welke idioot' in de woorden van mijn vader - ze heeft bedacht. Mag je 120, 130 of nog meer kilometers rijden op bepaalde wegen, en zo ja of nee, tussen welke tijdstippen?

 Een mooi oud gebouw wordt afgebroken om er een lelijk nieuw voor in de plaats te zetten (Nescio). Op last van wie? Juist, van 'ze'. En 'ze' heeft geen telefoon of mail. En er zijn nog onafzienbaar veel wachtenden voor u.

 Een legertje van rijdende rechters, dat zou de oplossing zijn. Tot Piet Pieltjes eindelijk eindelijk op het scherm verschijnt en het schavot beklimt als een moderne Van Oldebarnevelt.

 Daarna is het wachten tot er een rijdende rechter sneuvelt op het veld van eer.

Colette en Proust

 Het lijkt een 'odd couple' maar het tegendeel blijkt waar als je de stukjes leest die ze over Proust, die ze kende, schreef. Je ziet verwante geesten. Ze stuurden elkaar hun nieuw verschenen boeken met opdracht. In de stukken die Kiki Coumans verzamelde en ver­taalde ontmoeten ze elkaar op de woensdagen van madame Arman de Caillavet. En na jaren, in de oorlog, ziet ze hem terug in de Ritz:

 'Toen ik hem terugzag, hadden de jaren van ziekte diepe sporen achtergelaten. Zijn onrust en zijn bleekheid leken het resultaat van een schrikwekkende kracht. In zijn rokkostuum, midden in een verduisterd Parijs, in de schaars verlichte lobby ontving Marcel Proust me met een wankele vrolijkheid. Over zijn kostuum droeg hij een openhangende bontmantel. Ik schrok net zo van de expressiviteit van zijn gekreukelde witte plastron en zijn stuiptrekkende stropdas als van de roetbruine vlekken onder zijn ogen en rond zijn mond, die door een achteloze kwaal in het wilde weg op zijn gezicht waren geklad. De voorkomendheid en hoffelijkheid die hij zijn hele leven behield, waren met zijn woorden en gebaren vergroeid als de macabere sporen van een uitzonderlijke jeugdigheid. Hij bood ons drankjes en lekkernijen aan met de onhandigheid van een zestienjarige jongen. Zoals veel mensen met een uiterst broze gezondheid voelde hij zijn vermoeidheid niet meer op momenten dat gezonde mensen bekenden dat ze moe waren.' 

Spookhuis

 In deze dagen van Brexit denk ik aan spookhuizen. Die vooral in Engeland voorkomen. Zelden hoor je van Duitse of Franse spookhuizen. Ze ontstaan doordat de geest van bewoners zich niet wil losmaken van zo'n huis. Vaak ook gaat het lijken op de bewoner, ook na diens dood

 Zo zal de geest van Boris Johnson ten eeuwigen dage blijven rondwaren door het Lagerhuis en tussen de groene bankjes, waar ook Theresa May huist en John Bercow, om te zwijgen van Nigel Farage. Geesten kunnen niet berusten in wat ze tijdens hun leven niet konden volbrengen en moeten steeds terug naar de plaats des onheils. Het neogotische gebouw staat er - na vele branden - overigens pas sinds 1870.

 Later, als van de Houses of Parliament niet meer over is dan een ruïne met een parkje eromheen zullen wandelaars nog cite­ren 'Brexit is brexit'. En fluisteren, 'om middernacht kun je in de ruïne soms nog horen 'Order, order'. Of 'Thatcher, Thatc­her.'

 Dickens schreef dat architectuur de materiele expressie is van de menselijke geest, voor altijd versteend.

Er zijn

 Er zijn, op een ochtend. Onder omstan­dighed­en die het geval zijn. Maar dan? Zo beginnen vaak de gedichten van Jan Baeke in de bundel 'Houvastverankelijkheidsleer.' Ze beginnen nog niet eens, ze zijn er.

'Houvastvergankelijkheidsleer.' Dit is 'Oplossing'.

 'Een miskende morgen

Zo zijn de meeste morgens

zei de voorzitter, juist aan die morgen

en het negeren van

kunnen we een voorbeeld nemen.

Neem bijvoorbeeld het opzichtige

voorbeeldig genegeerde meisje

dat ik van mezelf beschreven had

als voorbeeld van een meisje zijn

dat met miskende morgens raad wist

zei de voorzitter die een meisje was

en meisjeswaarheid sprak.

 

Misschien is dit wat we nog kunnen doen

een voorbeeld zijn voor iedere

denkbare goede oplossing?

Het probleem is

dat er geen goede oplossingen meer zijn.’

Tags: 

Gekken

 In een verzameling Middeleeuwse stukken uit de New Yorkse Cloisters, met tekst van Wendy Stein, vind ik wat ik op al m'n reizen zocht. Ze zitten vaak half verscholen onder de steunen van een balkenplafond, Als terzijde, als decoratie. En daardoor ook weer als commentaar op de grote voorstelling in de kerk. De wereld is vol gekken, vergeet dat nooit!

 Deze steun laat twee acrobatische clowns ziet die over elkaar buitelen en bij hun baarden te pakken nemen. De beroemde abt Bernard van Clairvaux (1090-1153) nam het op voor die gekken in heilige ruimten: 'Daar in het klooster onder de ogen van de broeders die daar zitten te lezen, wat voor zin hebben deze belachelijke monsters, met hun gedeformeerde, sierlijkheid?'

 'Toch zijn marginalia niet zonder betekenis, zelfs als ze geen  deel uitmaken van een religieuze voorstelling.'

 In een andere brief vergelijkt Bernard zichzelf en zijn religieuze orde, de Cisterciënzers met jongleurs, acrobaten van de geest die de waarden van de wereldse en materialistische mensen op hun kop zetten.

 Je vindt ze overal waar de roomse religie heerst, in de marge van manuscripten, op de nok van kathedralen. Toen het Calvinisme kwam was het afgelopen. Een jammerlijke vergissing.

Kussens

 In tijden van slecht slapen, 'tossing and turning', zoals nu, denk ik aan zulke essentialia als kussens. Bij geen van mijn alleenwonende tantes ontbrak het aan kussens. Mijn vader was tegen kussens, vond ze week en vrouwelijk. En lelijk. Toch verschenen er steeds nieuwe in huis. Er waren er al een paar voor de al te ongemakkelijke stoelen aan de eettafel, meer niet.

 Daarom hecht ik aan interieurs vol kussens en aan het ritueel van stompen in het hoofdkussen voor het slapengaan. Zinloos omdat je in je slaap steeds beweegt. Wat vooral komt, lijkt mij, doordat wie op z'n zij slaapt - wat de meesten zeker een deel van de nacht doen - de opening moet vullen tussen het matras en het hoofd. Je kunt daar een arm onder leggen, maar dat leidt tot kramp. Niets helpt.

 Kussens worden al duizenden jaren gebru­ikt, lees ik. Van zacht en vormbaar, tot hard en zwaar, Geen wonder, ze zoeken een oplossing voor een constructiefout in de menselijk lichaam.

 Van houten, stenen of porceleinen neksteu­nen, tot leren zakken gevuld met zacht materiaal, naar donzen kussen.

 Ook het oppervlak, het materiaal telt, en de geur. Eigenlijk wil je door een kussen gekust worden, dat zich koel en soepel tegen je aanlegt als een vrouwenwang. En lavendel kan geen kwaad.

 Maar dan komt de steun nog. Ik slaap al jaren op een zak boekweit, dat ook in m'n slaap de vormen aanneemt die ik verlang.

Bleibe bei mir

 Dick Swidde, bekend als 'Boze Buurman', met wie ik veel hoorspelletjes opnam heeft een keer een uitzending voor me volgezongen met de Duitse liedjes die hij van huis uit kende - hij was de zoon van een kachelsmid uit Purmerend – zijn zusje begeleidde hem dan.

 Hij was zeer thuis in de liedjes van Friedrich Hollander, die Marlene Dietrich bekend maakte als Jonny, wenn du Geburtstag hast'. Maar mij zijn vooral bijgebleven 'Bleibe bei mir' waarvan ik de bladmuziek vond. En het prachtige liedje over de Kleine Elisabeth. 'Was ik von dir weiss kleine Elisabeth.. na na. Elisabeth staat vooral bekend om haar 'wunderschönes Seidenkleiden haar 'seltsame Bescheidenheid' maar ondertus­sen... Het komische Berg und Talbahn bleef me ook bij, seks bij wijze van een rit door de achtbaan. 'Dann gehts hinab, dann gehts hinauf'.

 Ik dacht aan Dick, bij wie ik elke week tekst kwam opnemen op het Suikerhofje, waar hij woonde. Eerst naar het zaalvoetbal kijken op tv, met zulke leuke jongens, die hij altijd 'ze'  noemde: 'Kijk nou valt ze alweer aggut'. En dan klaarmaken voor de rit naar Hilversum: 'handjes wassen, tandjes plakken'.

 En altijd opmerkingen naar Ischa Meijer die vaak meereed, als die weer wat moest eten: 'Maar kind, je bent al zo dik.' Ischa had groot respect voor hem.

Tags: 

Pagina's