Brexitology

 Mijn eerste Haagse straatgevecht was met een Henk die uit Harlingen kwam en pas in de straat was komen wonen. Hij snauwde: 'Ben ie een Fries of ben ie een Hollander?'

 Hij praatte inderdaad een beetje met een accent. Maar verder? Zelf kwam ik net van de Veluwe en werd uitgelachen om mijn accent. Ik had er drie jaar gewoond en inburgeren was moeilijk geweest door het praten. Ik verstond ze niet.

 Het duurde voor ik uit 'Gojmet' 'Ga je mee' kon opmaken. In Eerbeek zei men dat dat 'Eerbeeks' was. In Loenen, een dorp verderop, spraken ze, zei men weer hel anders 'Loens'.

 Al in de twaalfde eeuw haden mensen uit het Noorden aan mensen uit het Zuiden. Die je herkende aan hun tongval. Ik leer dit van Eveline Koolhaas-Grosfeld in haar boek 'De ontdekk­ing van de Nederlander. In 1763 kwam Engelbertus Engelberts als antwoord op Engelse schotschriften - tabloids waren er toen al - zijn 'Verdediging van de eer der Hollandse natie': 'Iedereen weet dat de eigendunk van de Engelsen geen grenzen kent evenals hun minachting voor het buitenland.'

 Deze week is het met Brexit erop of eronder. Het spook van de identiteit waart rond. Michael Flanders en Donald Swann Swann hebben het begrip foreign haarfijn onder worden gebracht in hun 'Song of patriotic prejudice'. Wat maakt die vreemdelingen zo vreemd: 'It's knowing they're foreign that makes them so mad'. Ik denk aan Haagse Riet en Kees met hun onsterfelijke uitspraak na een avondje televisie: 'Het buitenland is toch niet meer te redden.'

The Looming Storm

 Het regent van het begin tot het eind in de Chinese krimi van Dong Hue waarin het decor de handeling overneemt. We zijn in een reusachtige hoogoven, die bestaat uit betonrot en roestend ijzer.

 Het stadje eromheen is een en al rotting en schilfer. Het licht binnen en buiten is duisternis bij dag. Het is 2008, en meer boos weer is op komst. Sinds In the mood for love van Wong Kar-wai zag ik geen mooiere regenfilm.

 Er is een jong meisje vermoord, de waker Yu vindt haar en gaat op z'n eentje achter de dader aan. Waar wie? De ware dader ontsnapt hem. Er zijn meer onopgeloste moorden in de stad. En de politie tast in het duister.

 Zo gaat het daar. De prostituee Yanzi waar hij op valt zit er ook vast. Haar fantasie is een beautysalon in Hongkong.

 Zoals de titel zegt, tenslotte wordt de fabriek opgeblazen in het kader van de vooruitgang. Dat zal de reden zijn dat hij de censuur kon passeren.

 De prachtige kleuren van de natte kleren, de verzopen landjes rondom, de fabriek, de interieurs, de doorgroefde gezichten, dat zijn de redenen om de film te gaan zien.

Witte Jurken

 Er is een tijd geweest, in de jaren '20, dat meisjes levensblij rondfietsten in witte jurken. De fiets, het symbool van emancipatie. Isaac Israels heeft ze geschilderd aan de oude pier van Scheveningen, ze waren afgebeeld op de koektrommels van de Bahlsens Cakes.

 Willem Brakman - dit najaar komt zijn biografie door Nico Keuning - laat in zijn meesterwerkje De reis van de douanier naar Bentheim twee heren in dat kuuroord steeds weer opkijken van langsfietsende meisjes, die hij dan ook 'De Bahlsen Cakes' noemt. Mijn moeder was geabonneerd op het meisjesblad 'Zonneschijn' waarin ze werden afgebeeld.

 Ik had ze verwacht in de biografie van Cissy van Marxveldt, met de tekeningen van Hans Borrebach, maar Monica Soeting heeft weinig oog voor hoe de tekeningen van Borrebach een wereld opriepen en een stijl neerzetten. Brakman des te meer:

 'Schaduwen gleden over hun witte bloesjes en de zon vonkte nu en dan in een fietsbel gelijk een vrolijke knipoog. Het waren de Bahlsen cakes, wit en gesteven, rok bijna tot op de fietslaarsjes, de mouwen breed en smetteloos, en hun strooien hoedjes zeilden hoog, kuis en koel door de zomer (...) De banden ruisten voorbij, even nog de geur van nergens meer te krijgen zeep en de heren hadden het nakijken.'

Tags: 

Daniel Vis

 Zoals wanneer een vogel op de stoep met zijn snavel in een berg afval rondzoekt naar iets eetbaars, pikkend, schijnbaar zonder logica. Zo sta ik in boekwinkels te bladeren in juist verschenen dichtbundels.

 Afgaand op geur en smaak van woorden of zinsdelen, tot ik de bundel met mijn snavel van de tafel haal en ga bladeren. Zo kwam ik bij 'Insect Redux' van Daniël Vis. En ontdekte, pikkend tussen de bladzijden, tekenen van een ordening. Maar welke? Ik bleef snuffelen, maar kwam niet verder. En besloot dat dit genoeg was. Zodat ik bleef bij de oorspronkelijke stukjes en beetjes die mijn snavel hadden aange­l­okt. Zoals dit, genummerd V:

 'er zit een insect in de afvoer van de wasbak in de kamer/ ik weet zeker dat het nog leeft.

 ik kan z'n pootjes horen op het pvc.

 ik ga onder de wasbak zitten, leg een oor tegen de buis./ 'kom maar,' zeg ik, 'kruip naar boven.'

 VI

 ik hoor voetstappen de klink wordt vastgepakt,/ beweegt langzaam naar beneden.

 het metaal klikt open.

 ik zit naakt op de koude tegels./ de douche staat aan.

 er staat een man op de overloop./ we kijken naar elkaar

 ik maak een vuist, trek m'n mondhoeken en oogleden/ een beetje omhoog.

 'ik denk dat ik me wil wassen,' zeg ik.

Fijne Tafelzuren

 Fabrieken in de stad, ze zijn er nog. In een van de laatste, Kesbekes fabriek van Fijne Tafelzuren, brengt de Revisor, samen met oa. Gus­taaf Peek, Alma Mathi­j­sen, Anne Vegter en Simone Atangana Bekono op 21 maart een literaire avond met rondleiding. Ga erheen.

 Het familiebedrijf Kesbeke's augurkenfabriek is een nazaat. In de Pijp rook je de bierlucht van Heineken, in Zuid Blookers chocoladege­ur, afhankelijk van de windrichting. In de Jordaan waren Klene's suikerwerken. Naast het slachthuis de leverworstfabriek van Kips. In alle Amsterdamse cafés kon je een portie Kips bestellen waar soms nog botsplinters in zaten. Je zag hem uit de trein. 

 De Bruins fabriek van gevulde koeken en rondo's stond op Sloterdijk. Mijn vriendin moest er halve amandelen op de koeken leggen die op de lopende band voorbij kwamen.

 Door heel de stad reden goederentreinen. Van het verdwenen Weesperpoortstation staken locomotieven en goederenwagons over via een bruggetje ‑ dat er nog is ‑ naar de Sarphatistraat. En vandaar verder naar het Oostelijk havengebied vol fabriekssporen.

 Eens ben ik in dat verdwenen industriegebied doorgedrongen samen met een nachtwaker. Voor een radioreportage in 1968 in het Oostelijk Havengebied, dat toen nog bestond. Met een reusachtige sleutelbos gingen wij langs directiekamers, opslag en machines. Langs trappenhuizen met tegeltableaus voor de directie van het dankbare personeel tgv. een jubileum.

 En overal waren kastjes aan de muur waarin kleine sleuteltjes zaten, die hij in de trommel op zijn buik moest omdraaien zodat werd vastgelegd hoe laat we ergens waren geweest. Van tien uur tot het licht werd.

 Kaarten voor 21 maart kunnen gekocht worden via www.hetpersonage.nl of aan de deur. Omdat er beperkt plaats is, raadt men aan ze online te kopen.

Behang

 'Bij ons staat op de keukendeur, het is niet al tijd rozegeur. En mijn vader schreef op het behang, lekker is maar ene vinger lang.'

 Het lied van de Twee Pinten, onverslaanbaar. Ik paste op het Bredase huis van mijn ouders die het carnaval waren ontvlucht. De melkboer kwam 's ochtends in een boerenkiel met een roodwitte halsdoek, maar wel stipt met de bestellingen en zei vermoeid 'adde maar leut het'.

 Ik las het Carnaval der burgers (1930) van Menno ter Braak. Zou deze oosterling ooit het Carnaval hebben meegemaakt? Hij gunde de burger zijn jaarlijkse ontsnapping.

 De stem van Ter Braak was lang onbekend maar werd teruggevonden op een ansichtkaart met geluidsgroeven. Een wat boers, oosters accent. Weinig leut. Ik las over de burger, de dichter en hun verzoening bij het ca­rnaval, het individu en de feestende menigte. Buiten klonk muziek, ik ging weer in bed liggen. En dacht aan wat de vader op het behang schreef. Behang stond niet in aanzien. 'Lul de behanger' was een gangbare verwensing.

 En toen aan Vincent van Gogh. Altijd een roze en blauw krijtje in de zak van zijn jasje. Als ie in Parijs bij mensen langs ging tekende hij soms schetsen van waar ie mee bezig was op het behang. Nette mensen, met duur behang op tengel. Op den duur prikten ze er vellen papier op als ze wisten dat ie kwam. Maar waar heb ik dit vandaan? Onvindbaar.

Tags: 

Vijzelstraat

 De Vijzelstraat is de de meest veranderlijke straat van Amsterdam, de stad waar ik, hoe lang ik er ook woon, maar niet kan wennen. Dat komt door aberraties als de Vijzelstraat.

 Ik dacht aan de verbondenheid van Arjen Duinker met zijn stad, Delft. Zou Delft voor hem zijn als een jas? Ik vroeg hem wat zijn band met Delft bepaalde. Hij antwoordde: 'Wim, afmetingen, verhoudingen, licht, krommingen en de in­timiteit van dat alles.' En voegde toe: 'Overigens schreef ik erbij dat de stad niet zozeer een jas is, maar voor mij veeleer een zuurstofapparaat of aanreiker van ritmes!'

Daar kom ik verder mee. Het ritme van de Vijzelstraat is vele malen verstoord. De ene straatkant verschilt sinds de bouw van een rij banken hopeloos van de andere, waar kleine huizen en winkels staan.

De Vijzelstraat is te breed ook daardoor waait het er altijd. Er zijn wat merktekens zoals de scheefgezakte brillenwinkel van Azijnman, die na jaren herbouwd is in de oorspronkelijke stijl.

Het ritme is grondig verstoord. Van krommingen geen sprake. Om met Han Bennink te spreken 'het swingt keihard achteruit'. En om Arjen te volgen, de afmetingen zijn verstoord, de verhoudingen zoek en het licht valt schel, zodat er van de beschutting die je in een binnenstad hoopt  niets over is. Het autoverkeer is verdwenen, de banken verhuisd, alleen lijn 24 rijdt nog, de rest van het openbaar vervoer zit onder de grond. En ik sta op de tocht.

Tags: 

Museale snelweg

 'De museale snelweg af' heet het lumineuze boek van Karel Schampers waarin hij de weg wijst naar half vergeten of over­geslagen musea in België en Noord-Frankrijk. Een ideale zwerf­gids.

 Het museum-zwembad in Douai noemde ik al, maar in de Leiestreek bijvoorbeeld vind je behalve het Museum Dhondt Dhaenens met zijn verzameling Tytgats, Van den Berghes en Van den Woestijnes ook zo'n uniek woonhuis dat na de dood van de schilder (1943) tot museum gemaakt werd, zoals dat van Ensor in Oos­tende. Dit Museum Gust De Smet in Deurle, aan de Gust De Smetlaan nummer 1, heeft honderden werken die in zijn nog steeds intacte atelier achterbleven.

Een zijstraat, en dan. Zoals het oorspronkelijke Magritte museum in zijn woonhuis (1930-1954) in de Esseghemstraat in Jette-Brussel. Even voor­bij de bizarre replica van de grot van Lourdes die boven op de berg van Jette staat, geheel op z'n Magrittes. Zoveel beter dan de zalen die nu in de Kunstberg zijn ingericht.

Het achterhuis waar hij met z'n broer een reclamebedrijfje dreef staat er nog. En de keuken waar hij bij gebrek aan een atelier schilderde. De kolenhaard waart Magritte een stoomtrein uit liet rijden is er ook. Ik herinner me dit verhaal: Magritte komt thuis en treft een hem onbekende deftige heer aan, kennelijk besteld door Geor­gette, die nog een boodschap doet. De heer zegt boe nog bah, het wordt pijnlijk. Dan neemt René­ een korte aanloop en geeft de man een enorme schop voor zijn kont. De man reageert niet, klopt zich af. Ze blijven zwijgend staan wachten op Georgette.

Tags: 

Oedipus

 In het boek 'Moederskinderen' van Jan Fontijn worden vooral moederszonen beschreven. De klassieke moederszoon Oedipus, die zijn vader doodde en met zijn moeder trouwde is de eerste die mij te binnen schiet.

 Ja, ze koos de verkeerde man om mijn vader te zijn. Maar na zeven jaren verloving - met onenigheid - trouwde ze hem toch. Hij bedroog haar, ze bleef hem trouw. Heel haar leven stond in dienst van hem.

Tegen mij beschreef ze haar levensdoel zo: 'Hem erger­nis besparen'. Hij was nogal vlug geërgerd. Toen ze op het eind in het bejaardenflatje na veel attaques alles omgooide en hij steeds kwaad naar haar uitviel zei ze eens waar ik bij was 'maak me dan maar dood'. Daar schrok hij toch wel even van.

Ik had dus met haar moeten trouwen. En hem om zeep moeten helpen. Ik, geboren moederszoon, heb haar in de steek gelaten. Lees mijn verhalenboekje 'De gabardine regenjas' (uitgegeven bij Avanti, yolnus@xs4all.nl), waarin onder meer mijn moederverhaal verteld wordt.

Bij Jan Fontijn heb ik geen Oedipus gevonden.

Tags: 

Jij bent van mij

 Mijn moeder zei het en ik vergat het nooit. Met haar zachtmoedige, omarmende stem. En meteen welde verzet in me op. Op foto's zie je het jongetje zich vastberaden losmaken uit de omhelzing. Ik was niet van haar, ik was van mezelf.

 Ik moet een jaar of vier gewest zijn, toen mijn vader terugkeerde van de politionele acties in Indië en een einde maakte aan de moeder-zoon idylle.

 Dit komt boven bij het lezen in 'Moederskinderen', de meeslepende studie die Jan Fontijn maakte van moeders en zonen in de literatuur, Van Stendhal, Nietzsche en Baudelaire tot Gerard Reve en Lodewijk van Deyssel. En zovelen meer. Ik ben er nog maar net in begonnen en het blijkt tussen moeders en zonen steeds anders.

Vaak is ze gestorven en onbereikbaar geworden zoals bij Roland Barthes. Dat sterven, onder veel pijn is soms 'het ergste wat ik ooit had meegemaakt' zoals bij Jan Fontijn zelf, die het terugvindt bij Stendhal. Een geborgenheid die voorgoed verloren gaat. De vergeefse pogingen van Gerard Reve in 'Moeder en zoon' om zijn moeder met de maagd Maria te vereenzelvigen. Tegen mij zei hij na een betoog over zijn familie en het communistisch geloof: 'Misschien had zij toch nog iets menselijks behouden'.  Het katholicisme: '...een leer die zulk een gebrekkige, verkitschte, infantiele en soms aan godslastering grenzende vertolking kon doorstaan, moest wel, naar haar inhoud, iets verkondigen van grote, dwingende kracht en evidente geloofwaardigheid..'.

Gerard zou de kerkschandalen van nu zonder twijfel zien als een godsbewijs. Later meer.

Pagina's