Ozu's Vroege zomer

 Deel twee (1951) na Late lente (1949), van Yasujiro Ozu, die ik vorige week zag. Het Japanse leven tussen het dorpje of voorstadje aan zee en een klein stukje Tokio. Een achterstraatje vol Amerikaanse auto's tussen hoogbouw waar Noriko op kantoor gaat. Kleine werelden.

 Het meisje Noriko dat al aarzelde of ze haar vader in de steek mocht laten, aarzelt nu of ze wil trouwen.

 De kleine wereld in het huis met de schuifdeuren wordt in beeld gebracht uit voor ons ongewone camerastandpunten. Niet die van de staande mens maar van de heuphoogte van de vrouwen, die zo extra nadruk krijgen. Ook door de kleine stapjes waarmee ze lopen.

 Noriko en haar al getrouwde zusje consequent in Westerse kleren. Noriko in ofwel een doorknoopjurk met grote knopen en een wit meisjeskraagje, ofwel - om uit te gaan - in een rok die strak om de heupen sluit en daaronder tot aan de knie in brede plooien. Waarbij dezelfde witte pluistrui als vorige week.

 Andere vrouwen in klassieke Japanse dracht. Een groot deel van de vrouwenlevens wordt ritueel doorgebracht met wassen, koken en huishouden.

 Het huwelijk van de mooie Noriko zal de grote doorbraak worden in dit rituele familieleven. Ze heeft niemand wat gevraagd en na een leven van braafheid kiest ze voor een oudere man die al een kind heeft.

 De familie protesteert, maar Noriko heeft gezien dat het zo moet zijn en blijft onverzettelijk. Men pruttelt maar berust. In emancipatie op z'n Japans rond 1950.

Tags: 

Langs de weg

 Tussen ergens en nergens. Als je in een dorp opgroeit en het is een stille dag ga je naar een plaats waar de buitenwereld voorstelbaar wordt. Langs de kant van de weg. Om in de verte te staren. Ze heet Dorien de Vylder, werd geboren in Zaffelare nabij Gent in 1988 en heeft nog geen bundel uitgebracht. Jozef Deleu zette haar vijfdelige cyclus 'Gesprek' in het nieuwste Liegend Konijn. Waarvan hier de eerste twee:

 I

 Jij zit op een bank aan de kant van de weg,/ van ochtend tot ochtend schik je de schaduw van de dingen.

 Ik ga naast je zitten, en hoor mijzelf iets zeggen./ Ik weet niet of het waar is, wat ik zeg.

 Maar jij knikt, dus voor even is het waar

 

 II

 Wat doe ik hier, op deze weg zonder banken./ Mijn enige hou­vast zijn de zon en de haltes/ van een tramlijn die niet meer bestaat.

 Ik sla het daglicht gade, hoe het de dingen/ dwingt tot aanwezigheid. Het twijfelt niet, pocht/ als een macho, zonder mij bestaan zij niet.

 Ik gniffel in de schaduw van een wolk,/ stel mij het licht voor, zonder de dingen, zonder/ iemand om niets te zien dan licht.

De meisjes van Caesar van Everdingen

 De droom heeft een slechte naam. Altijd gehad. 'Net echt' is wat het altijd weer wint. Vanmiddag in het Alkmaars Museum langs de dromen van Caesar van Everdingen, een van oorsprong Alkmaarse schilder (1616-1678). 

 'Net echt' is niet wat je daar bij te binnen schiet. Zou je kwaad willen dan werden de meisjes van Van Everdingen draaiorgel-beelden, met perzikgezichtjes. Maar dat is niet vol te houden. Zijn vrouwen geven heel precies de menselijke huid weer, en daarvan in het bijzonder de vrouwenborst. Waarbij de 'vleeschachticheit' die Samuel van Hoogstraten in zijn schilderboek aanbeval. En een 'poezele zachticheit'. Dit moet denkelijk voeren naar een 'inner light' dat ze optilt.

 In het vorige nummer van Kunstschrift, dat aan Van Everdingen was gewijd wordt door Arjan de Koomen heel precies ingegaan op zijn levenslange borstenstudie. En het licht en schaduwspel, de kleurbewegingen waarmee dat gepaard gaat.

 Hij begint als classicist. Dan zijn borsten niet meer dan een welving, het mag niet te veel doen denken aan werkelijke borsten. Maar na 1650 maakt hij ze groter en steviger. Bij Jupiter en Callisto uit 1655 bijvoorbeeld - hij grijpt vaak naar Ovidius.

 De Koomen zegt: 'Het bijzondere aan zijn naakten is dat hij ze door een fel zonlicht laat beschijnen: een sterk gelig licht dat gecontrasteerd wordt met diepe slagschaduwen.’

 Licht en schaduwtinten om naar te blijven kijken. In zijn helderheid en benadering is hij een volstrekte tegenpool van tijdgenoot Rembrandt. Het leuke van zijn modellen is daarbij dat ze bij alle verkleedpartijen toch boerse of stadse meiden blijven.

 In kleren die afzakken of zoetjes uitgaan. En met vuile teennagels, ik zag kalknagels bij Venus en rouwranden.

Struikgewas

 De straat en het struikgewas, als de titel van Armando. De bosrand als bij A.Alberts. Anouk Griffioen raakt ze in haar tekeningen allemaal aan.

 Je verbergen. Zien zonder gezien te worden. 

 Struikgewas is het zomerse opschot onder de bomen van planten en struiken. Waar alles door elkaar groeit. En eindeloos variërende vormen aanneemt.  Je vindt de fascinatie met het gebladerte al in de schilderkunst van de renaissance.  Juist nu kijken we naar de foliages van Hercules Seghers.

 Anouk Griffioen lijkt geobsedeerd door het spel van zichtbaar-onzichtbaar. Ze kent heel precies de texturen van wat groeit. Geeft ze weer in houtskool op grote formaten. Alsof ze zich er doorheen worstelt.

 Het kind is in dit struikgewas nooit ver weg.

 Je kunt er verstoppertje spelen zoals het dochtertje van Anouk doet, temidden van bosschages. Een in een lichtende kubus geprojecteerde animatie.

 Een huppelend klein meisje dat zich nu eens laat zien, dan weer wegkruipt.

 Dat meisje danst binnenin een met beeld beprojecteerde kubus, een onbegrijpelijk ingenieus werkstuk dat bestaat uit zes schermpjes.

 Griffioens grootste tekening strekt over 18 meter, panoramisch. Een andere wordt in drie dimensies geprojecteerd. Er klinken stemmen. Kortom haar tekeningen komen tot leven.

 Ze zijn te zien in het Rotterdamse TENT, in de Witte de Withstraat. Die daarmee een 'uitvergrote kijkdoos' is geworden. zegt ze.

De andere Aagje en Betje

 Betje Wolff en Aagje Deken, maar wat schreven ze? Romans, veel brieven ook. Het tijdschrift Extaze heeft een opmerkelijk nummer uitgebracht over Nederlandse schrijvende vrouwen aller tijden. Van Hadewijch tot Carry van Bruggen, van Annie Schmidt tot Aya Zikken.

 Uit een brief van Elisabeth Wolff. In 1785  schreef de dan 46-jarige Betje aan een jonge Friezin, een fan die haar raad vroeg inzake trouwen; 'Ik ben te veel een vriendin van de fraaie natuur om niet sterk voor het huwelijk te pleiten - niet voor mijzelf, dat bleek; 8 jaar weduwe nooit meer van datte mijn kind; maar jonge gezonde mensen moeten trouwen als er een basis is voor een gelukkig leven..'

 Wolff en Deken en seks? Er was in hun tijd geen andere decente weg dan langs het huwelijk. Maar toch. Marleen de Vries legt het bondig uit: 'Al even libido verlagend zijn enkele gravures waarop de auteurs oud, tandeloos en met kanten huismutsen zijn af­gebeeld. Dat de eerste seksuele revolutie plaatsvond in de achttiende eeuw, en dat die eeuw in essentie libertijns was wordt licht vergeten.'

 Saartje Burgerhart, de heldin van hun bestseller maakt een ‘misstap’ die lijkt op wat Elizabeth zelf op haar zeventiende overkwam. Ze neemt de benen met een minnaar: ‘Ik zou niets God ter wereld gedaan hebben dan mijn lieve jongen beminnen en nacht & dag mijn hersenen hebben gebroken, om toch zijn hele hart te behouden, want ik zou er geen klein stipje van hebben kunnen missen, al was het nog zo groot als een speldeknop.’ Maar de volgende dag keert ze alweer naar huis terug. ‘Gebroken.’

 Van Annie M.G. is er de regel die een generatie vormde: 'Ik ben lekker stout' (1954). Zonder Annie geen Provo, denk ik dan. De bibliothecaresse die Nederland omkeerde. Toepasselijke tekeningen van Wendela de Vries door het numer heen!

Dylans Nobelprijs

 I was so much older then,

 I'm younger than that now

 Deze regels uit Dylans My back pages (1964) zijn een defini­tie van zijn gener­atie gewor­den. De generatie van de oorlogskinderen, niet die van de luidruchtige babyboomers. Ook ik ben geboren als een oud man­netje.

 En vandaag die Nobelprijs, nooit bedoeld voor populaire cultuur, maar toch. En dus de vraag is het kunst? Wanneer een liedjesschrijver en zanger hem krijgt, komen letterkundige beoordelaars voor een ongekende opgave.

 Een liedje moet in een paar bondige, rijmende regels op een eenvoudige, onthoudbare melodie met een passend ritme een gedachte uitdrukken die je niet meer verlaat.

 De olieman heeft een Fordje opgedaan. Ach, was ik maar bij moeder thuisgebleven. En het ei zei. Daar heb je het al. Wanneer de gedachte iets verder gaat kom je in het grensgebied waar Dylan (1941) pionier was. Opeens is het poëzie. Maar kitsch blijft nooit ver weg.

 Eerder al waren er dichters als Howlin' Wolf, Cole Porter, Chuck Berry en Jimmie Rodgers - All around the watertank, waiting for a train. Maar zonder muziek blijft zo’n tekst hangen.

 Veel begonnen er als schrijver, zoals Randy Newman. Dylans liedjes werden door anderen uitgevoerd, vaak beter. Wat had ik hem graag z'n mondharmonica afgepakt.

 Maar heel goed dat de prijs nu eens deze kant op gaat. Aandacht voor het vak. Voor wat 'frasing' heet: hoe zet je woorden op muziek.

 Een goed liedje heeft het in de eerste regel al gezegd: 'They call it stormy monday, but tuesday's just as bad.'

 ps. Wat in de inmiddels losgebrande Dylan-discusie vergeten wordt is dat hij past in een oeroude traditie, waarin tekst en muziek veel meer samen gingen dan nu. Sinds de boekdrukkunst zit literatuur tussen twee kaften. Maar daarvoor waren er troubadours en Ovidius kende heel zijn Metamorfosen uit z'n hoofd en droeg ze voor.. Nee, die had nooit de Nobelprijs mogen krijgen..

Tags: 

Koninklijk

 Het paleis. Ik was er nooit in, fietste er honderden keren langs. En nu? Het voormalig stadhuis heeft een enkele aardigheid, een ernstig engeltje, de gestrafte vrouwen in de hal voor, maar verder louter v­ormelijkheid.

 Het stadhuis is van buiten vooral nietszeggend. De benede­nverdieping blijft te laag waardoor het hele gebouw in de grond lijkt te zakken.

 Goed passend bij de nietszeggende Oranjes. Of je de volmaakt invulbare Willem Alexander nu tussen kunst zet, in de Ridderzaal of bij volleybal, zijn lach blijft dezelfde.

 De winnaars mochten hun werk aan zijne majesteit uitleggen. Die gesprekjes had ik wel willen horen.

 Weinig kans dat er iets zou ontsporen. Zoals toen Maarten Biesheuvel eens bij een kunstenaarsontvangst met Claus von Amsberg in gesprek raakte. Dat duurde nogal, zodat zich een lange rij vormde van mensen die ook nog een handje wilden schudden­. Het was Jan Meng die Maarten achteraf vroeg waar ze het al die tijd over hadden gehad.

 Zei Maarten: 'O, die man slikt de zelfde pillen als ik.'

 Maar wat verlang je van een Koninklijke prijs voor Schilderkunst, in 1871 ingesteld door de liederlijke maniak - 'koning gorilla' - Willem III. Waarom? De Oranjes hadden nooit veel met kunst. Amalia en Consta­ntijn Huyg­ens regelden het Huis ten Bosch voor Frederik Hend­rik en stad­houder Willem V had zijn galerij, nu te zien naast de Gevangenpoort. En dan dit nog.

 Vorsten staken elkaar de ogen uit met kunst, door dure adviseu­rs uitgezocht. Wat hadden ze zelf te bieden?

 Prijzengeld? Deze prijs is dunnetjes, vier keer 6500 euro. Ik betwijfel of Willem Alexander dat uit eigen zak betaalt. 

Fuocoammare

 Lampedusa, het rotseiland halverwege Sicilië en Afrika, dat bij de broers Taviani nog zo'n idyllische plek was is een nieuwshotspot geworden. Gianfranco Rosi liet er bewoners en vluchtelingen hun leven spelen. Je ziet reddingswerkers van de kustwacht in volle actie naast spelende vissersjongetjes.

 Levens naast elkaar. Dat kan, dat werkt. Ook doden en net nog levenden uit zee halen is een vak. Intussen draait het lokale radiostation verzoekplaatjes voor tante Maria en krijgt Samuele een behandeling voor zijn luie oog. Lampedusa is en blijft een vissersdorp. Met maar een enkele arts.

 Rosi, die ook de memorabele film over de rondweg om Rome maakte komt dichtbij gezichten en bezigheden. Zoals een potje voetballen op het schunnigste veld ooit, met als doel twee lege colaflesjes. waarbij Syrië tegen Eritrea speelt, en zowat alle Afrikaanse landen een half team hebben. Wat ze drijft? Ik zal niets meer kunnen aanhoren over 'economische vluchtelingen', dit gaat om overleven. En velen halen het niet. Je ziet ze sterven. Waarom dan? Omdat, zegt er een, blijven nog gevaarlijker is.

 Wat Fuocoammare ('Vuur op zee') zo goed maakt is de nevenschikking van de facts of life. Een vijftigjarig huwelijksbed opmaken of halfdode drenkelingen behandelen, zoals de kunstwacht doet, het moet gebeuren. En het moet netjes gedaan worden.

De codes van Van Oudshoorn

 In de dagboeken van J. van Oudshoorn uit de jaren 1943-1947 kom je af en toe het woord 'ananas' tegen. Zijn biograaf Wam de Moor sprak al het vermoeden uit dat dat staat voor onanie. Jan Paul Hinrichs, die de uitgave van de dagboeken verzorgde beaamt dat.

 En noemt nog meer 'codewoorden' als: lawaai-saus, gedonderjaag, druk- en draaiwerk, geharrewar en half-om-half. Waarin, lijkt me, de soort of kwaliteit van de zelfbevrediging wordt aangeduid.

 Verder noemt Hinrichs het regelmatig voorkomen van 'het blauwe licht'. Een waarneming van een 'intens, zeer helder hemelsblauw licht [...] nadat hij gedurende korte tijd de oogen uit­gewreeven had en dan nog gesloten hield'. Dit blauwe licht dat hij soms wel, soms niet kon laten ontstaan ging gepaard met een zekere extase.

 Ik kende het verschijnsel uit het verhaal 'Het pauwenoog' van Monika Sauwer. Meer mensen kunnen het met oogwrijven bereiken.

 Maar het grootste raadsel uit de dagboeken van Van Oudshoorn - die ook veel dromen beschrijft - blijft onbesproken, namelijk dat van de zwemvliezen (van een eend?). Ze komen vaak voor, zomaar tussendoor.

 Zo staat er op 15 juni 1946, na notities over zijn manier van denken en over ruimte en tijd, die we met ons meedragen: 'Uit-eengevallen - Hier het water, daar de zwemvliezen enz. Naast elkander. Maar zoo ook na - elkander in den tijd. En ook uit-eengevallen in ruimte en tijd zelf. Binnen buiten.'

 Geen onderwerp schuwt hij: weerkerende droom-WC's., de begrafenis van Mozart, het niet meer gehoorde zangvogeltje in de tuin, wat hij 'uit-eengevallen' noemt. En daarna, ook op 27 juli 1946: ''s avonds - bijna uitzinnig'.

 Maar daarna gaat het weer heel praktisch over de voedselschaarste.

 Ps. Er komt bij de Statenhofpers nog een deel (1934-1943) van deze dagboeken.

Blote voeten

 Hoe kom je als schilder of beeldhouwer aan een model? In de arme tijd rond 1900 was het nog moeilijk. De monografie over Frits van Hall - nu in Beelden aan Zee - leidt je binnen in de Amsterdamse artistieke kringen van toen.

 Men vond elkaar. Jonge beeldhouwers als Frits van Hall en z'n vriend Mari Andriessen vonden balletdanseressen die zich bevrijdden van de klassieke dans, onder invloed van Isadora Duncan en Loïe Fuller, die met Rodin en Medardo Rosso werkten. Voorbij de tijd dat je prostituees moest huren. De danseressen wisten wat 'gaan staan' was en een houding volhouden. legt Frits Schol­ten uit.

 Ook Darja Collin, de vrouw van Slauerhoff poseerde, en de jonge Van Hall verzuchtte, toen hij een buste maakte naar levend model: 'Ik voel me als beeldhouwer alleen in het groote lokaal met heerlijke kachel en met Lientje die iedere dag mooier wordt.' Deze Lientje stond vaker model op de Rijksacademie. Misschien was zij de actrice Jacqueline Sandberg.

 Van Hall moest het meest in z'n omgeving zoeken, zoals z'n vrouw Jeanne. Maar toch, toen ie in 1924 in de buurt van Rome terechtkwam had hij geluk: 'M'n signorina Lucia ontplooide haar naaktheid al voor ik de kachel aan had.'

 Een fotograaf als Jacob Merkel­bach maakte in zijn studio bovenin het Hirsch-gebouw artiestenfoto's van ze.

 Zo grepen de kunsten in elkaar. Uit Duitsland kwam de Ausdrucktanz, de expressie. Dans en sculptuur ineen, kortom de Nieuwe Dans. 'Vrije, natuurlijke bewegingen'. vaak op blote voeten en in losse gewaden. 

Pagina's