De beelden van Frits van Hall

 Hou het eenvoudig: om een beeld kan je heenlopen, om een schilderij niet. Al nodigt het daartoe uit. Maar al doe je nog zo je best, de achterkant van de maan zul je niet zien.

 Hoeveel gezichten en houdingen een mens al niet in zich herbergt. Ik zag het werk van Frits van Hall (1899-1945) in Beelden aan zee. Op een tentoonstelling die ‘Gereserveerde gratie’ gedoopt werd. Waarmee nog niets gezegd is over zijn manier van portretteren, gezichten uit duizenden beeldhouwde hij, zo eigen dat je ze zou willen aanspreken. Hij moet zijn modellen goed gekend hebben

 Ook werd ik getroffen door zijn vele blikpunten. Het voorrecht van de beeldhouwer ten volle benut. Wat een schilder moet zien onder te brengen in het vlak komt nu van alle kanten. Je blijft maar om die koppen en figuren heen draaien. Denkend over hoe mensen zich alle dagen aan je vertonen.

 Er zijn er met twee of drie gezichten voor sociaal gebruik, die je steeds weer worden getoond. En meer niet. Een versleten glimlach die ze 's avonds mogen afleggen, waarna ze uitgeput over hun wangenen wrijven. Of een moedig voorwaartse blik waar ze uit alle macht zelf in proberen te geloven.

 Maar zelden zie je, en daar is Van Hall heel goed in, verzonkenheid, vermoeidheid, tegen het dommelen aan.

 Goddank zijn er ook die over oneindig veel gezichten beschikken, die een scala aan stemmingen en gemoedstoestanden kunnen uitdrukken. Zodat raden blijft. Er lopen meer Mona Lisa’s rond.

 In de houdingen van zijn vrouwen gaat het bij Van Hall net zo. Van willen behagen tot een verbergen dat om onthulling vraagt. 

 

Tags: 

Antimaterie

 Van Marcel van Eeden kreeg ik het zeldzame boek Anti-materie, waarin hij vijf tekeningen maakte bij het gelijknamige, het laatste gedicht van Gerrit Achterberg (1905-1962). Waarin een 'ik' terugkeert naar zijn oude huurkamer en gebeurtenissen daar. Geschreven kort voor zijn dood. Marcel tekent de wereld van voor zijn geboorte (1965). Gedicht en tekeningen tonen de kracht van meubilair, stille getuigen van erotiek en meer. De eerste twee strofen, de eerste tekening van deze Anti-materie:

 'Onder de laag van het verhuurde,

in het oorspronkelijk gemuurte

knip ik de lichten aan. Het pand

tekent zich af naar alle kanten

intact; het toewegezen quantum

huisvesting van destijds

zoals het uitgemeten stond

binnen de leggers bij 't kadaster;

een strook particuliere grond

 

Van het plafond valt een stuk pleister,

eens in de zoveel jaar. De beits

aan radio en tafelvlak

vertoont de wasem mijner hand,

het vloertapijt een dameshak,

krassen de kachelglans;

de politoer schemertoestand

tussen weefselstructuur en geest.

Handvatten zijn ontvleesd,

drempel en sleutelgat aftands.

Gangmatten rafelen nog steeds

(...)'

 uitgegeven door de Statenhofpers in een oplage van 120 exemplaren. 

Slau

 Alle schrijven begint met brieven. Bij mij tenminste. Omdat het je richten tot een enkele lezer die je kent helpt. Omslachtigheid verdwijnt, de geest wordt over je vaardig.

 De pas verschenen selectie die Hein Aalders uit de brieven van Slauerhoff maakte laat het goed zien. Als hij met vriend Roland Holst schrijft is hij op z'n best. In januari 1936 kuurt hij als tb-patiënt in Merano en neuzelt tegen Jany voor zich uit:

 'Om te beginnen: met de danseres is het afgelopen. Vandaag gaat ze naar Venetië. Het was trouwens al uit. Het eindigen op tijd is altijd mijn zwakke punt geweest (hoewel ik de eerste coitus dikwijls ook een hachelijke onderneming vind, maar goddank tot nog toe...). Dus leg ik mij speciaal op dat onderdeel toe. Er is altijd nog te veel hart bij alles wat ik op seksueel gebied ervaar, maar ook dit wordt beter... of minder. Helemaal zonder is toch eigenlijk niets.'

'Zou jij om je "sickening after one evening" tegen te gaan je niet liever bepalen tot de enkele keren dat het "ergens om gaat"? Of slaap je dan niet goed? Ik heb het ook al door het zeemansleven wel moeten toepassen: lange periode van abstinentie met andere van intensiteit afgewisseld. Misschien is dit voor de emotie toch beter. Houd mij deze intensieve intimiteit te goede.' (...)

 ps. de danseres was een ander dan zijn echtgenote 'op afstand' Darja Collins.

Tags: 

Het Liegend Konijn

 Er is een nieuw Liegend Konijn, het halfjaarlijkse boek met nieuwe gedichten uit Nederland en Vlaanderen - nooit eerder gepubliceerd - dat Jozef Deleu elk halfjaar samenstelt. Met op de achterkant altijd de zelfde, niet te overtreffen tekst van Paul van Ostaijen. Die eindigt met de regel: 'De stropers met de lichtbak mogen gerust zijn. Het konijn leert slecht.' Onverbeterlijk dat konijn.  Nu stuit ik op de Gentse stadsdichter David Troch (1977). Laatste bundel 'bianca blues' (2016). Hij heeft een hekel aan hoofdletters. Met een cyclus huishoudelijkheden, waaruit: 'Volgestouwd':   

 'daar staan we voor, het volgestouwde huis

leeghalen, verdelen wat wij, wat een ander,

wat geen hond hebben wil. er is geen beginnen

aan. denk dit alles maar eens weg, stel vreemden

in de plaats, hoe ze in deze kamers in de liefde

bedreven raken wegwerpherinneringen zich

stapelen, waar haalt men het toch allemaal

vandaan, waar moet men ermee naartoe.

de badkamerspiegel blijft achter, wij zijn

het niet, wij zijn het nooit geweest.'

 Ik dacht aan de zolder en de klusjesman die zei 'Je weet hoe het is. Er gaat van alles naar boven, maar nooit meer wat naar beneden.'

Of mijn broer en ik bij het uitruimen van de ouderlijke boedel. De ovale klok.

'Een klok moet rond zijn.'

'Hoe vaak heb jij niet op die klok gekeken?'

'Voor mij kan ie weg.

Ozu's Late spring

 Vaak heb ik gedacht dat het beter was geweest als ik met mijn moeder was getrouwd. Oedipus is nooit ver weg tussen moeders en zonen. In de hartverscheurende film van Yasujiro Ozu (1949), nu te zien in gerestaureerde versie, gebeurt het omgekeerde.

 Een mooie dochter ziet niet waarom ze haar aantrekkelijke vader zou moeten verlaten. Alles is toch goed zo, hij is weduwnaar, dus so what.

 De aantrekkelijkheid van vader en dochter in het direct naoorlogse zwartwit brengt de spanning. Het is de 'Amerikaanse' tijd, de meisjes gaan gekleed als Hollywood-sterren, alleen ouderen nog op z'n Japans. Een Cola-reclame, Amerikaanse verkeersborden. Westerse kapsels.

 Perfect vallende mantelpakjes en Deborah Kerr-broeken in lichte tinten. Japanse jonge mannen als Japanse Gary Coopers.

 En dat in volmaakt uitgelichte interieurs van hout en papier, met rechthoekige ramen.

 En steeds die zeer Japanse terughoudendheid.

 Natuurlijk vindt heel de familie dat Noriko moet trouwen. En vader lost het op door te liegen dat ie zelf gaat hertrouwen.

 Het slot is dan intens verdrietig. Van heel het huwelijk zie je niks. Aan het eind van de film komt vader thuis. Alleen. Hoe het z'n dochter vergaat blijft te raden over. Drama juist door wat je niet ziet. 

De bevrijding van J. van Oudshoorn

 Meer uit de dagboeken van Van Oudshoorn. Op het Haagse Van Imhoffplein 17, vlakbij het station Laan van Nieuw Oost Indië maakte hij de 'bevrijding' mee. Hij probeert thuis te werken aan overheidsopdracht tot herschrijven van documenten en een vertaling.

 'Donderdag 26 juli 1945. Na bijna negen maanden afsluiting, eindelijk weer gas, maar ... zoo goed als niets thans om te koken. Hoogstens wat oude aardappelen. (...) Door een weer met den dag toenemende verslapping ingevolge ondervoeding komt er niets van werken. - de sociale en polit­ieke chaos wordt steeds groter.' Maar dan:

 'Op maandag zes augustus is er 's middags: 'plotseling weer electrisch licht, na bijna een jaar in het donker. 's Avonds om ong. 10 uur ging het weer uit (20 november afgesneden)'

(...) Een schrijver zonder licht. In de kou. Op dinsdag 11 september noteert hij - steeds over zichzelf schrijvend als 'hij':

 'Voor de tocht zet hij in bed een pet op. Hij droomt dan iemand in de tram te zien voorbij komen, die hem niet herkent - omdat - denkt hij in zijn droom - omdat ik die pet op heb. Mengeling droom en werkelijkheid. Droomleven en bewustheid - Het gevoel een pet op te hebben maakt zich ook den laatste tijd (gewoon blootshoofds in een kamer zittend) hinderlijk bemerkbaar.- ' (...)

 'En nu deze redeneergang: Hij was er voor bestemd om gek te worden. Daar het hem echter intusschen gelukte, de dingen te objectiveeren, werd hij - in plaats van zelf gek te worden, tenslotte door een volkomen chaos (wereldoorlog) omgeven'.

 De dagboeken zijn te krijgen bij de Statenhofpers, zie eerder. 

Hammershoi en Ilsted

 Na de Balkonkamer van Hammershoi (1911) kocht Boijmans nu zeven 'mezzotinten' van de Deen Peter Ilsted. Met vloeiende overgangen van licht naar donker in de kleuretsen.

 ‘Scandinavische kunst van licht en rust' heet het in Boijmans.

 Licht als schaarse aanwezigheid. De blik naar de zon uit donkere huizen. Dat trok Hammershoi en Ilsted.

 Wat ze ook gemeen hebben zijn vrijwel lege houten huizen. Die belangrijker worden dan de bewoners, ze beheersen. Deuren en ramen.

 Ze worden weergegeven als lege straten. Zelfs deurknoppen en scharnieren soms weggelaten. Nauwelijks mensen. Een enkele vrouw zie je op de rug, vaak Hammershois vrouw Ida, de zuster van Ilsted (1864-1916). Hammershoi (1861-1933 laat ook de zon weg. Ilsted verwelkomt hem.

 Binnen blijven omdat het buiten koud is. Temperatuur bepaalt alles. Binnen en buiten zijn iets heel anders dan in Zuidelijker landen.

 Het buiten van Nederland verandert. Zon is gewoon geworden. Verdwenen is het 'pak je maar stevig in', kuchjes en hoestsiroop. Het een winterlang met o­pgetrokken schouders over straat gaan. Het je maandenlang schrapzetten. De ontspanning in de eerste lentezon.

 Ons buiten is veranderd.

Tags: 

J. van Oudshoorn

 J. van Oudshoorn (1876-1951) was een Haagse jongen. Na zijn Berlijnse jaren (1905-1933), waar hij bij de Ambassade werkte en trouwde met de mannequin Marie Teichner keerde hij met haar op wachtgeld terug naar Den Haag. En nu heeft kleine uitgever en vakman aan de drukpers Jaap Schipper van de Statenhofpers zijn dagboeken (1943‑1947) uitgebracht.

 Marcel van Eeden en ik zijn beiden Van Oudshoorn‑lezers. Hoe dat komt is moeilijk te zeggen. In zijn schrijven - vooral Willem Mertens' levensspiegel en Tobias en de dood zit denk ik een Haags levensgevoel. In de dagboeken, die puur uit losse aantekeningen bestaan, aangevuld met precies herdrukte krantenknipsels, lees je de hoop en wanhoop van de dagen. Vooral in de honger­winter.

 Ik verzink in woorden, regels, een verdwaalde alinea. Kaal, bloot, geladen. Neergezet met het schrijven als laatste toevlucht. Hij schrijft over zichzelf als 'hij'. Van Oudshoorn, 68 jaar oud, op hongertocht. Zijn vrouw wachtend thuis. Datum 30 april '45:

 'De toestand voor een bejaard echtpaar zonder relaties wordt steeds moeilijker. Vandaag verlangt men voor een hoognodig brood - de honger nijpt - Fl.35,- en voor wat klein brandhout - Fl.30,-.

 In den vroegen avond van 1 mei 45 meldt de Duitsche radio het overlijden van Adolf Hitler

 Op Woensdag 2 mei bij Goddard [uitgever van mogelijk een vertaling], niet aangetroffen (deze rotpen!!).

 " Donderdag 3 " naar Velpschestraat 100 met teruggevonden oude noodkaarten! 10 kl. aardappels - soep en pudding - joffer uit Utrecht -

 Nog steeds bar koud.

 Iemand, die merkt, dat zijn neiging om in het vuur te vliegen onweerstaanbaar begint te worden, hem blijft niet veel anders over dan zelf zijn eigen vleugels te ... verbranden. Vervloekt zij deze oude rotpen!!

(...)

 Gister: geen warm eten -

 Heden geen ontbijt -

 De laatste weken zelfs geen korte wandeling meer, zonder in een vensterbank te moeten uitrusten. Tot een scelet vermagerd. Volkomen op en krachteloos te bed.'

Zelfportret (met waskom)

 Dit zelfportret is bij Dick Kets leven nooit tentoongesteld.(ca. 1930). Hij toont zich hier immers, volgens biografe Alied Ottevanger, 'zonder de minste sporen van maskerade of versluiering, precies zoals hij zichzelf elke morgen in de spiegel aanschou­wde bij het maken van het ochtendtoilet.'

 'Een weinig flatteus en zeker geen heroïsch of indrukwekkend moment en daarom ook een scene die zelden het onderwerp van een kunstwerk vormt.'

 'Voor Ket had deze handeling echter wel degelijk een betekenis, en wel een zeer bijzondere. Het was de aanraking met het koude water die als een van de zeer algemene externe prikkels onmid­dellijk oorzaak kon zijn voor een cyanose aanval, een symptomati­sch verschijnsel dat bij zijn aangeboren hartafwijking hoorde en wat inhield dat het zuurstofarme bloed in plaats van naar de longen, abusievelijk nogmaals in de richting van de grote omloop werd gepompt. Een direct gevolg hiervan kan het optreden van benauwdheid bij de patiënt zijn die tegelijker­tijd blauw kleurde vanwege zuurstoftekort in het bloed dat zijn huid dooraderde. Het was dit kritische moment dat hij hier weergaf en hij lijkt met even ingehouden adem en gefixeerde blik de mogelijke reactie af te wachten.’

 Ket werd soms opeens blauw, tot schrik van omstanders. In de trein gingen medepassagiers een eindje verderop zitten.

 uit: Dick Ket, over zijn leven, ideeën en kunst - Alied Ottevanger 1994. De tentoonstelling is nog te zien in Arnhem. 

Tags: 

Groentijd

 Op aandringen van mijn vader, die van thuis nooit corpslid had mogen worden, kwam ik in september 1962 met een kaalgeschoren kop in de groentijd van het Amsterdams Studentencorps terecht. De eerste avond was het meteen raak: 'Dachautje spelen'.

 Op de societeitszolder zaten 175 groenen bijeengepakt die zich alleen gehurkt mochten voortbewegen. Na vele uren pesterij kwamen borden gloeiende soep, die over de hoofden moesten worden doorgegev­en, terwijl ouderejaars ze met wandelstokken uit je vingers sloegen.

 Het zag er inderdaad nogal concentratiekampachtig uit, die kaalkoppen met ontblote bovenlijven.

 De ontgroeners bevalen: 'Alle joden naar voren'. En waarachtig zeven jongens meldden zich om te worden uitgescholden. En zo door.

 De volgende ochtend vroeg zat ik op een stoep in de Utrechtse­straat en besloot niet meer terug te gaan. Anderhalve dag was me genoeg. Raar, maar ik was ik de enige. Ook een paar later beroe­mde Nederlanders, politici, artiesten, zaten het uit.

 Tja, zo'n groentijd was 'zuur'. Maar ja, je wilde er bij horen. 

 Er vielen wat gewonden bij het bouwen van een menselijke pyramide, die steeds met wandelstokken onderuit werd gehaald, maar die werden in het Wilhelminagas­thuis opgelapt door bevriende corpsleden. Het 'old boys net­work' functioneerde. 

 Pas later kwam het woord Dachautje spelen naar buiten en ontst­ond er een rel. Maar daarna gingen de groentijden gewoon door.

 Tot de dag van vandaag. 

Pagina's