Keisnijden

 Altijd overheen gekeken. de keisnijdingen. Eerst bij Jeroen Bosch. Schedelboringen op de markt. Een chirurgijn temidden van publiek. Maar waarom? Nu ‘De ontdekking van het dagelijks leven, van Bosch tot Bruegel’ draait in Boijmans moest ik wel.

 Het begon met de gedachte dat krankzinnigheid werd veroorzaakt doordat een insect tijdens de slaap door de neus in de hersenen kwam en daar veranderde in een kei. Zoals paarden dol werden als een horzel in hun oor kroop.

 De kei moest eruit. Op het schilderij van Jan Sanders van Hemessen (ca. 1540) zie je de uitgeboorde keien links boven op een rij hangen.

 Schedeltrepanatie blijkt van vele tijden. Bart Huges dacht in 1965 zo een 'derde oog' te verwerven - oa. op aanmoediging van Simon Vinkenoog - geïnspireerd door verhalen over Afrikaanse stammen.

 Het mooist is het verhaal Scarabaeus cogitans dat Maarten Biesheuvel in 1986 op de radio voorlas, over de broer van hersenchirurg Guido Bostoen, die krankzinnig was geworden.

 "Hij kon soms in de wachtkamer, waar ook andere gekken zaten, minuten achter elkaar spreken, maar wat hij precies bedoelde wist je nooit: 'Grijp de rechterhand van de Christus Jezus! een nul! De ijskappen smelten, stop de zeehond! Waarom hebben kippen geen gebitje?'

 En verderop: 'Zijn moeder kwam op een keer binnenstappen en hij sprak: 'U bent mijn moeder niet meer, dag mevrouw.' Nooit heeft hij meer een woord tegen haar gezegd. Dat kwam allemaal door de  Scarabaeus cogitans, een beestje dat zich nestelt tussen de hersenpan en het hersenvlies. De enige remedie tegen deze gevaarlijke parasiet is een welgemikte klap met een speciale scarabaeus‑cogitans‑hamer."

 In de ijzertijd werd vermoedelijk al gedacht dat krankzinnigheid werd veroorzaakt door een kwade geest. En dat die door het boren van een gat het hoofd weer kon verlaten.

De ontdekking van de levenslust

 De ongecompliceerde, van het leven genietende gewone man of - vooral - vrouw. Of het verzinnen ervan? Door vooral schilders in Antwer­pen en Duitsland (maar ook Lucas van Leyden aldaar) in de vijftiende en zestiende eeuw.

 Boijmans laat het zien in De ontdekking van het dagelijks leven, van Bosch tot Brueghel samengesteld door Friso Lammertse en Peter van der Coelen. Een klaterende voorstelling van vooral levenslust, muziek, seks en grappen. Waarbij de religie zoetjesaan een bijrol krijgt. Een enkele courtisane krijgt nog een zalfpot mee en heet dan Maria Magdalena. Maar wat was waar en wat fantasie?

 Schilderijen van bordelen werden goed verkocht. Zeker als de bezoeker de Verloren Zoon bleek. Maar bordelen kon je als welgestelde misschien beter aan de muur hangen dan er heen gaan. Geslachtsziekte dreigde. De waarschuwing, het oude excuus voor geile kunst.

 Maar waar komt het idee toch vandaan? Die Bruegheliaanse, carnavaleske vrolijkheid onder de boeren. Oeroud moet het zijn. Die boerenopstanden, honger en plunderende legers trotseerde. Je vindt het in het Herfsttij der middeleeuwen. Totaan Versailles toe waar Marie Antoinette zich verkleedde als boerin in een pseudo-boerenstulpje achter het paleis, ver van het hofprotocol. De vors­tin hoedde er - geparfumeerde - schapen en bezocht de hooiberg.

 Het melkmeisje, dienstmeisje. De meiden op weg naar de markt zoals je ze in de door Annemieke Houben verzamelde Vieze liedjes terugvindt. In het hooi? Op het veld?  

 Het is een lang verhaal naar het Carnaval der burgers van Ter Braak en de kermissen van Edgard Tytgat.

 De burgers leefden in benauwdheid en jaloezie en idealiseerden de boeren. Kochten schilderijen en prenten van de prachtige losbandigheid die nu in Boijmans te zien is. Waarin de spot wordt gedreven met hun spaarzucht - de vrek is standaardgrap en preutsheid. De huwelijksmoraal ach jee. In de bordelen wordt er korte metten mee gemaakt.

 Het is nooit opgehouden, waren het niet de lower classes die de rock'n roll uitvonden.

Brakmans trapmonument

 Een trap als monument. Willem schreef over trappen zoals hij over zoveel van het onopgemerkte schreef. Zijn monument dat gisteren onthuld werd voor de Enschedese Saxion Hogeschool is een trap, breed als in een theater. Marlene Dietr­ich zou hem kunnen afdalen, een hand aan de satij­nen jurk. Als de diva in Een weekend in Oostende.

 Terwijl het orkest speelde Ich bin von Kopf bis Fusz. Net wat voor Willem, liefhebber van schouwburgen en kijkdozen. Ik was er en dacht hij had dit ten zeerste goedgekeurd.

 Enschede, waar de Haagse jongen zo lang bedrijfsarts was. Een eerbiedwaardige plaats, niet ver van zijn oude woonhuis en het door hem Doodgezegde Park.

 Initiatiefnemer uitgever Paul Abels, samen met vormgever Martien Frijns en architect Marko Matic ontwierpen het. En vermeden al wat mis kan gaan bij zo'n ontwerp. En dat is veel. Geen oude ambachten, geen bronzen bril. Een gebruiksmonument dus, waar je op kunt zitten, staan. Dat je kunt bestijgen en afdalen. De studenten van de Universiteit Twente zullen er bij mooi weer hun kont komen warmen.

 De trap fragmenteert tree na tree een portret en een Brakman-tekst.

 De clan was er, en vrouw, zoon en dochter. Arjan Peters zei z'n tekst 'Naar boven met Willem Brakman.' Waarin oa. dit citaat: 'Alles beweegt, niets is zeker en niets staat stil.'

 En over Brakmans werk: 'Daar heerst de verbeelding, en die spreekt ons niet toe maar voert ons mee; totdat alles beweegt, niets zeker is en niets stilstaat. Geen ongevaarlijke les overigens, vooral wanneer u de trap bestijgt. Maar wie dat aandurft, prijst zich eenmaal boven gelukkig (...)'.

Tags: 

Extaze, Van Eeden en Van Oudshoorn

 Het zwarte licht van dit seizoen. Het duistere groen. Als de bladeren nog aan de bomen hangen, de zon laag staat en de eerste stormen nog niet geweest zijn. Dat is het licht, de duisternis van Marcel van Eeden. Als hij met kleur werkt, zoals de laatste tijd vaker, maakt dat zijn zwart alleen maar intenser.

 Het nieuwe nummer van Extaze werd gisteren in Den Haag gedoopt met onder meer een animatie door Els Kort van zijn tekeningen. Eens was Van Eeden bibliothecaris aan de Haagse Vondelstraat. Hij leest. Sinds jaar en dag is Van Oudshoorn (1876-1951) een voorkeur. Door hem ging ik het teruglezen. De onvergetelijke dronken struikeltocht door stad en duinen naar zee. Van Oudshoorn, de diplomaat die jaren in Berlijn zat, een Duitse mannequin trouwde en terugkeerde naar een heel Haagse portiekwoning. Waar zijn vrouw hem overleefde. En nu schrijft Marcel van Eeden een stukje waarin van Oudshoorn opduikt, die het eens probeerde aan de Haagse Academie. Wat niet lukte.

 'Nee,' schrijft Marcel, 'veel beter beschrééf Van Oudshoorn wat hij zag. Soms duiken er fictieve tekeningen op in zijn verhalen. Beelden, door niemand gezien, die alleen kunnen ontstaan in het hoofd van een lezer (..) '.

 En dan citeert hij Laatste dagen (1927), waarin ongeziene etsen voorkomen:

 'Half werktuigelijk op zijn schreden terugkerend, bevond hij zich even later alleen tegenover twee grote gekleurde etsen. Zij stelden beiden phantastische gebouwen voor, waarvan het doel niet te doorgronden leek. Het eene was een grillige, roode, compacte steenmassa, zonder deuren of vensters, te midden van een woest zomerlandschap; het andere daarentegen was uit enkel dunne ijzerstangen opgetrokken, ontelbaar vele en die, omgeven door een grauwe, grauwe regenhemel, aan het geheel iets onuitsprekelijks van troosteloosheid verleenden.'

 En Marcel besluit: 'Zulke beelden bestaan alleen in de literatuur. Ze worden nooit concreet. Toch blijf ik het proberen.' 

Journey to the shore

 Er is een fase tussen de dood en het definitieve afscheid, waarin de doden kunnen terugkeren om nog iets af te maken. Of waarin nog levenden kunnen proberen ze terug te roepen. De film van Kiyoshi Kurosawa - geen familie - gaat over de omgang tussen levenden en gestorvenen, tussen wie iets onaf is gebleven.

 Zo pleegde Yusuke zelfmoord zonder Mizuki iets te zeggen. Ze bleef op hem wachten. Na drie jaar staat hij opeens in de kamer. Ze schrikt niet is alleen even boos omdat hij zijn schoenen niet heeft uitgedaan. Een doodzonde in Japan.

 Het lijkt op After life van Kore-eda Hirokazu. Waar de doden nog een laatste scene uit hun leven moeten kiezen die wordt geensceneerd voor ze voorgoed kunnen verdwijnen. Onvergetelijk is de kersenbloesem die wordt opgeroepen met roze papiersnippers. In deze film wordt een bijrol gevraagd om laatste woorden. Maar die zijn 'ik wil niet dood'.

 Yusuke wil Mizuki zijn leven laten zien voor ze hem kende - hij houdt immers van haar - de mensen die vriendelijk voor hem waren. 

 Er ontstaan gaten in de tijd, waarin het stukjes verleden herleven. En daarmee andere gestorvenen. Intens is de scene waarin zo'n stuk verleden na het voorgoed verdwijnen van de oude krantenbezorger voor wie Yusuke werkte opeens weg is. Alles is vervallen, de wind waait door de bouwval van het huis.

 Wat rest zijn de verwaaiende, vergeelde bloemen die hij uit tijdschriften uitknipte en gebruikte als behang voor zijn slaapkamer, een verwijzing naar After life.

 Het aarzelende ingehouden verdriet van Japanse cultuur.

 Yusuke leidt Mizuki door dorpjes, gehuchten in Oost-Japan waar hij werkte als onderwijzer, in een restaurantje of als krantenbezorger, op weg naar een strandje in de baai van zijn jeugd. Daar ligt de scheidslijn die hij zal oversteken. 

De besmettelijke Delphine Lecompte

 Iets of iemand gaat net de hoek om. Je vangt een glimp. Maar van wat of wie? Zo gaat Delphine Lecompte lezen. Haar nieuwe bundel 'Dichter, bokser, koningsdochter'. Delphine tart het brein van de lezer dat overal chocola van wil maken. Zijn eigen chocola. Niet de hare.

 Als die er al is. Ja, natuurlijk is die er. Regels en woorden werden onder de microscoop gelegd. Wat daar allemaal omgaat! Sporen van samenhang werden aangetroffen, zeker. Al was het maar de hare. Toch blijf ik mijn knopen tellen. Is ze me weer te vlug af, of gooit ze zomaar woorden in de lucht als meis­jesbal­len, zonder ze op te vangen. En mag ik ze rapen.

 Besmettelijk is ze zeker. Waag je in het labyrint, ontmoet de boompjeverwisselende personages als de oude kruisboogschutter, die haar muze is, de bevreesde zeepzieder, de incestueuze imker... Ik lees:

  Ik hoop dat niemand sterft vandaag/ Niemand die ik ken aan een hersenbloeding/ Of aan een bespottelijke verstikking in een marsepeinen misthoorn/ Op een verlaten parkeerterrein, vooral wij niet/ Ik hoop vooral dat wij blijven leven vand­aag.

  Jij verdient het om gezond te zijn, jij zit naast mij/ Op de trein en je leest zonder graagte mijn laatste gedicht/ Mijn laatste gedicht gaat over een goudsmid en een tegelzetter/ Die om het luidst hun zoons vervloeken in de buik van een walvis/ Ook ik duik op, in mijn laatste gedicht, maar ik bedaar de gemoederen niet.

  Eindelijk ben je klaar, je zegt: 'Het is meer een verhaal dan een gedicht.'/ (...)

Willem Brakman, vrouwenschrijver

 Willem Brakman? Wie? Bij alles een groot vrouwenschrijver, zo luidt mijn onde­rschrift. Daar vind je geen tweede van in onze letteren. Vrijdag wordt zijn monument onthuld, op de trap bij het Saxion gebouw van de Universiteit Twente.

 De ware vrouwenschrijver weet van voorkomen, gekleed gaan, zich bewegen en al wat er van komt. Zoals in Een weekend in Oostende (1982) tante Marie:

 'Nu wilde tante Marie graag dat de mannen naar haar keken, onder mannenblikken trilde en rilde, tikte en zwikte ze overal tegelijk, en ze kon haar mooie handen op die bepaalde manier over haar keihard gelakte tasje vouwen... als ze maar keken. Dan werden haar ogen zacht zuigend, haar mond zoende rood en zacht de lucht, haar witte armen rolden onafgebroken in zichzelf heen en terug en haar kuiten zongen 'jongens!... dat doen we'.

 'Als ze aan de kade stond en ze had er schik in, dan haalde ze vertrekkende boten uit de koers door een hand onder haar borst te leggen en die dan eventjes te tillen; dan ronkte en zoemde ze van plezier, als de hele boot naar haar keek, van spattende boeg tot plompende schroef. Maar op die avond was er niemand die naar haar keek, vreemd, misschien was er ergens kermis.' En zo gaat 't verder. Als in een prent van Frans Masereel.   

 Of de aanbeden, maar heel het boek onbereikbare zangeres Mathilde:

 'U gaat mij nu vragen of ik haar heb gezien en mijn antwoord daarop is ja, ik heb haar gezien. Het is een ongemene vrouw, heel pastel, vol in de onderarmen en zij draagt een witte hoed, maar een ding is zeker, waar zij loopt, al loopt zij ook op een kruispunt, zij gaat als ging zij door een park.' 

Tags: 

Onwoorden

 Vriend Dave, de schilder in Goes, kreeg de opdracht 'iets' te doen in de pas gerestaureerde watertoren aldaar. Daar begon het mee. De toren ligt vlakbij zijn atelier. En hij wilde iets met woorden die hem ergerden. Woorden die je steeds om de oren vliegen.

 Zoals passie, uniek of verrassend. Een gezelschap zou de toren beklimmen, waar de gewraakte woorden op koptelefoons moesten klinken met uitzicht over heel Zuid‑Beveland. Hoe verder wist hij nog niet. Hij verzamelde onwoorden. Ik vertelde hoe ik een wekelijkse ver­gadering had verzocht het woord uitstraling niet meer te gebruiken waar ik bij was.

 Woorden als onoverkomelijke struikelblokken. Ik herinnerde me de onenigheid die ik had met Johnny van Doorn bij het nakijken van het manuscript van zijn verhalenbundel Gevecht tegen het zuur (1984). Daarin staat het verhaal Gevangenisdirecteur aan zee. Op zekere avond maken Yvonne en hij het gezellig in het huisje in Bergen waar ze bivakkeren. Rond de lamp komt rood crêpepapier zoals je toen op feesten deed. 'Subtiel' noemde hij dat.

 De procedure was als volgt: we corrigeerden aan de keukentafel op Het Laagt 145 in Amsterdam-Noord. Johnny droeg de tekst hardop voor, ik las mee in mijn kopie op schoot. Als het me niet beviel moest ik 'stop' roepen en mijn bezwaar kenbaar maken. Daar kwam het woordje 'subtiel'.

 'Stop.' Waarom, hoezo, wat mankeerde eraan?

 'Versleten woord John, beetje kwasideftig ook. Een onwoord.'

 Hij begreep het niet. Onenigheid aan de keukentafel. 'Als dat woord erin blijft is je boek dood,' riep ik tenslotte. Hoe sterven woorden?

 Wie helpt vriend Dave aan onwoorden voor in de watertoren?  

Zelfportret

 Als ik zo'n kop had ging ik er naast lopen, zeiden de jongetjes bij mij in de straat. Het hebben van een uiterlijk blijft een loden last. Lees de bladen. De indruk die je op anderen maakt is een halszaak. Dat was wat ik van thuis meekreeg.

 Daaraan dacht ik vanmiddag in Arnhem bij Spiegeloog, zoals het museale zelfportrettencircus (1900 tot heden) daar is gedoopt. Meteen rezen de hoofdbrekens die ik met meester-zelfportrettist Philip Akkerman meermalen besprak. De man die sinds 1981 zelfportretten schildert.

 Wil je een zelfportret maken dan kan dat niet zonder zelfbeeld. Iedereen herbergt een idee van hoe ie eruit ziet. En een vermoeden van wat voor indruk dat maakt op anderen. Er wordt oneindig veel werk gemaakt van het uiterlijk voor men zich ermee op straat waagt.   

 In Arnhem hangt veel blufpoker, branie, maar ook verlegenheid.

 Probeer het maar, met je spiegel, je cameraatje. Temidden van anderen die zo oneindig veel meer van je te zien krijgen dan jij. Hoe ook, er ontstaat een vertoning. Bedoeld om te beantwoorden aan wat gewenst wordt. Zover je dat raden kunt. Daarmee moet je de wereld door.

 Het is het vraagstuk dat William James rond 1900 al aanroerde. De bedenker van de stream of consciousness. Wie ben ik? De onbeantwoordbare vraag waarop in Arnhem de antwoorden van alle muren als vraagtekens op je afkomen.

 Philip hangt er ook tussen, die al jaren wijselijk niet in spiegels kijkt en zegt dat hij 'uit verf bestaat'.

Dave Meijer in Den Haag

 Vanmiddag. Samen met Dave Meijer (1955) bestijg ik de trap in de labyrintische Haagse Galerie Nouvelles Images aan het Westeinde, waar hij vanaf vandaag samen met Piet Tuytel en Ronald Noorman exposeert. Klassieke scene. Hij haalt opeens een tube in een plastic zakje tevoorschijn, doopt een vinger in witte verf en poetst een vlekje op een van z'n panelen weg. Straks is de opening.

 Rechtsonder zit nog een zwarte vlek.

 'Moet die niet ook weg,' vraag ik. 'Ja, die zat er van het begin. Maar ik laat hem zitten. Hij werkt.' 

 Toevallige veegjes kunnen bij Meijer doorslaggevend blijken. Weet ik. Ik volg hem al jaren. Het is begonnen met evenwicht, het evenwicht van het Zeeuwse land en de horizon. Hij woont nog steeds in Goes.

 Maar vlakken staan steeds vaker uit het lood, komen zelfs naar voren. Afschuin­ingen treden vaker op. Hij lijkt erop uit het evenwicht te tarten. Het evenwicht van landschap en horizon.

 Als je nagaat hoe hij werkt zie je vervolgverhalen. Die beginnen in verflagen, verder worden gebouwd uit zomen, randen – Dave Meijer is een randenman – weggeschilderde eerdere opzetten. Niet te glad.

 ‘Deze lijkt zowat een interieur,’ zegt hij giechelend. ‘Met een vensterbank.’

 'En een gordijn,' vul ik aan. 'Maar niet heus.' 

 De laatste tijd komt er steeds vaker een dimensie bij. Hij kiest al werkende soms voor een stukje triplex inplaats van een verflaag. Halverwege trompe l’oeil. Heel netjes zagen is het niet wat hij doet. Randjes blijven er. En de spijkertjes waarmee hij het vastzet gaan met hem op de loop. Daar heeft hij plezier in. De schilder wordt timmerman.

 Het blijft cirkelen rond het evenwicht. We praten over de muziek van het schilderen. Wat swing is, of Schwung. Het net iets voor de tel gaan zitten of er na. Wachten en hervatten. Met dank aan Han Bennink. Alles beweegt of kan het any moment gaan doen.

Tags: 

Pagina's