Rechter: Wat zijn uw beroepsmatige activiteiten?
Brodski: Gedichten schrijven. Vertalen. Ik vind...
Rechter: U heeft niks te vinden. Ga eens netjes staan! Niet leunen! Kijk de rechtbank aan! Geef behoorlijk antwoord! (tegen mij) Houd onmiddellijk op met notuleren! Anders stuur ik u de zaal uit. (tegen Brodski) Heeft u een vaste betrekking?
Brodski: Ik zag dat als een vaste betrekking.
Rechter: Beantwoord de vraag!
Brodski: Ik schreef gedichten. Ik ging ervan uit dat ze gepubliceerd zouden worden. Ik ben van mening…
Rechter: Wij hebben niks aan uw mening. Geef antwoord. Waarom bent u niet gaan werken?
Brodski: Ik werkte wel. Ik dichtte.
Rechter: Daar kunnen we niks mee. We willen weten aan elke instelling u verbonden was.
Nu legt Brodski uit dat hij contracten had met een uitgever. En ook gewerkt heeft als frezer. Hij is in een inrichting opgenomen geweest. De rechter gelast onderzoek door een forensisch psychiater om na te gaan of hij naar afgelegen streken mag worden gestuurd voor dwangarbeid. Brodski vraagt of hij in zijn cel pen en papier mag hebben. Dat verzoek zal worden doorgegeven aan de politiechef. De gangen en trappenhuizen van het gerechtsgebouw staan vol met vooral jonge mensen.
De tweede zitting is nog veel absurder. Dan komt ook deze aanklager aan het woord: 'Brodski wordt verdedigd door oplichters, uitvreters, pissebedden en boktorren. Brodski is geen dichter maar iemand die versjes probeert te schrijven. Hij is vergeten dat je in ons land hoort te werken, iets waardevols maken: draaibanken, brood zoals je gedichten maakt. Brodski moet gedwongen worden om te werken. Hij moet weg uit onze heroïsche stad. Hij is een leegloper, een ploert, iemand met smerige ideeën.'
En dan te weten dat velen in 1964 in Nederland nog op de Moskou-getrouwe CPN stemden.
Het boekje eindigt met gedichten van Brodski. Alles vertaald dor Nina Targan Mouravi.