De verfhonden van Simon Schrikker

 Er hangen meer dieren van hem in Den Haag, octopussen beloeren je, klaar voor je weet niet wat maar zijn honden kijken naar je van alle kanten. Dat komt door de verf. Simon Schrikker kan verf laten blaffen, janken of piepen. Of diep, onrustig laten ademen.

 Hond is bij hem tastbaar, verf net zo. Het ruikt naar hond, in de Haagse Galerie Livingstone. En Simon Schrikker kan elk moment een commando geven: stil jij. En stil zijn ze. 

 Ze leggen berustend hun kop op hun poten en zuchten nogeens diep zoals alleen honden dat kunnen.

 Ik denk dat Schrikkers honden lang moeten drogen, ze rijzen op uit de verf, maar ze zijn geduldig. Verder valt er weinig van ze te zeggen, behalve dat alles verande­rt als er een hond in de kamer is. De eigenaar verandert in een baas, en ik in een geargwaande bezoeker.

 Ik herinner me het verhaal van hondenvriend Peter, die me opbelde voor ik langs zou komen.

 'Een ding, zei hij, als je dalijk binnenkomt niet lachen om Charly.' Zo heette zijn hond. 'Waarom niet?' vroeg ik.

 'Hij heeft schurft en van de dierenarts moest hij kaalgeschoren worden om te kunnen insmeren. En nu is ie opeens zo idioot bloot. Iedereen die die binnenkomt begint meteen te lachen, en dan kruipt ie onder de kast en piept. Het wordt een trauma.'

 Ik kwam een halfuur later binnen en keek niet naar de hond. Nu ja, een ooghoek. Even maar.

 Wat ik zag was een groot, wantrouwig hondeoog. Zulke hondeogen schildert Simon Schrikker. Nooit eerder gezien 

Haags biljart

 Een Haagse verhaal. Zonder pointe of clou, zoals de meeste. Mijn twee schoolvrienden en ik wilden leren biljarten. Zo kwam professor Soliën in ons leven.

 Hij sprak Franse zinnen, als: 'Toujours la pommerance contre la bille.' En deed ons voor hoe je de keu correct vasthield, doceerde de functies van het vooreind en achtereind, het krijten en het ove­rhouden.

 Ik was in de ban van het spel geraakt door de biljartverslagen op de radio, waarbij de commentator fluisterde, behalve als applaus opklonk en hij heel even de stem kon verheffe­n. Een diepe, gewijde ernst. Woorden als 'ankerkader 47/2', de geheimen van het drieban­den. En de naam van wereldkampioen Raymond Ceulemans, naar wiens zalencomplex in Mechelen ik pelgrimages onder­nam. Het cafe is er nog, er zijn glas in lood-ramen met de letter R, maar de zalen zijn donker.

 Elke zondagochtend omstreeks twaalf uur gaf prof. Soliën ons onderricht in 'de bestuurskamer', aan de Haagse Herengracht, hoog boven de bioscoop Odeon en de biljartzalen. Er hing een hertenge­wei boven een grote schouw. Het uitzicht over de daken van den Haag was imposant.

 Het stond op zijn visitekaartje: Prof. Soliën, billard-instruc­teur, zonder initialen. Er werd verteld dat hij verbonden was aan de soc­ieteit De Witte, wat ik betwijfelde. Prof. Soliën was altijd dronken. Op zondagochtend hield hij zich in even­wicht aan de rand van het biljart, tussenbeide kunststoten demonstrerend, zoals die met drie ballen op rij langs de band.

 Om een uur verlieten we het marmeren gebouw om een potje te gaan spelen. Niet dat we beter leerden biljarten, we wisten nu hoe erbij te praten.

Dheepan's droom

 Met wiens ogen kijk je? Je ziet een Sri Lankese man, een vrouw en een meisje als asielzoekers in een verloederd Frans flatwijkje terechtkomen. Waar ze worden toegelaten omdat ze zich voor­doen als een gezin, terwijl ze elkaar niet kennen.

 Dat niet-weten is wat het vluchtelingenverhaal van Jacques Audi­ard zo sterk maakt. Je wordt als kijker steeds net zo door de omstandigheden overrompeld als de hoofdpersonen, en al het andere ongeregeld volk dat in de afgedankte Franse flatjes huist.

 Drugsbendes zijn er de baas, maar als Dheepan van zijn baantje als conciërge probeert iets te maken, de verwarming repareert, de rotzooi een beetje opruimt weten de gangs even geen raad met hem. Hij trekt zelfs als een soort terreinknecht van een voetbalclub een keurige krijtstreep over het middenpad die de niet-schiet zone markeert waar de gangsters achter moeten blijven.

 Waar dat lef vandaan komt blijkt als zijn verleden als Tamiltijger hem blijkt te achtervolgen.

 Mooi is dan dat het per ongeluk ontstane drietal zo op elkaar aangewezen raakt dat ze werkelijk een gezinnetje lijken te worden. Tot het geweld – een shootout - de film overneemt, wat je als kijker al stap voor stap zag aankomen.

 En het slot van de film is dan de droom die ze alledrie voortdrijft op hun vlucht: Engeland. We zien een gedroomd Engeland waar ze op een gazon met andere overlevers picknicken. Terwijl je weet dat dat er echt niet in zit. In die droom ontmoeten film en kijker elkaar. 

Marit Dik in de derde dimensie

 Stel je voor: kleine schouwburgscenes uit absurde toneelstukken. Die ook surrealistische collages zijn. Wat voegt die derde dimensie toe? Je staat er als Gulliver over gebogen.

 Eerst dichtbij kijken, dan, bij een stapje achteruit, overzie je het geheel. Je kijkt achter de gordijnen, in de coulissen.

 Eerder zag ik een diorama van Marit Dik bij Ogenbliksem in de oude kaasfabriek in het Overijsselse Kolderveen. Nu zijn er dertien verzameld bij de nieuwe Amsterdamse galerie Orangerie. Een unieke vertoning.

 Wat er gebeurt er in haar mini-filmsets? Het ironiseren van kunst vooral, zoals in haar geestige versie van Suzanna en de ouderlingen die haar moderne bad­kamer zijn binnengedron­gen. Suzanna duikt weg.

 Noem het filmsets of kijkdozen zonder dak. Willem Brakman, de kijkdozenfreak zou er als een blok voor gevallen zijn. Ook bijvoorbeeld voor het als in een weerhuisje beweegbare, innig verstren­geld stel.

 Marit Dik werkt met al wat van pas komt, foto's, tekeningen, de schaar. Dali? Willem van Genk? Steeds weer schiet ik in de lach, zonder precies te weten waarom. Dat is de opgave van deze vederlichte tentoonstel­ling. Het steeds weer merken dat Marit Dik je te vlug af is.

Tags: 

Dingenboek

 Eind dit jaar verschijnt een boek: Hoe de dingen ons bewegen. Vertrouwde voor­werpen in een ander daglicht gezet door onder meer Anneke Brassinga, Dick Tuinder, K.Michel, Marjolijn van Heemstra, Piet Meeuse en vele anderen, ook kunstenaars en wetenschappers. Plaatjes en gesprekken. Dingen die ons bewegen? Ja een manke tafelpoot verandert het gesprek.

 Caroline Ruijgrok (1984) en Bernke Klein Zandvoort (1987) organiseren wat deze zomer begon met de tentoonstelling Something Thrown in the Way of the Observer, in Museum Van Loon en eindigt met het boek waarvoor nu de fundraising en intekening is begonnen. Ik doe mee. Mijn ding bleek het huis. Vast een stukje: 

 ‘Huizen hebben mij veel angst aangejaagd, ik kan ze niet de baas. Dit gaat over een bezetenheid. Over angst ondergebracht in materie. Hoe woon je in angst? Ik moest geld lenen om onderdak te komen. Van een bank, van ouders. Ik bezocht de notaris en tekende voor een huis uit 1890. Om mij heen werd gesloopt. Naast mij verdween een rij van vijf. De laatste Mohikaan was de Indische buurman met het gebatikte doekje om z'n voorhoofd, die op zijn overgebleven onderverdieping ‑ boven hem was niets meer ‑ bami en nasi bleef ser­veren tot het dichttimmeren. Achter me brandde een rij uit waar Marokkanen woonden. Ik zag gillende hoofddoekvrouwen op balkons. Er verrees nieuwbouw naast en achter me. De sociaaldemocraten hadden heel deze buurt weggewenst. Revolutiebouw was het, door geweten­loze ondernemers volges­tampt met halve woningen in timmermansrenaissance. Met gruwel­ijke or­namentiek in glas‑in‑lood, giet­ijzer en kolenk­alk. Slecht gefundeerd. Ik kocht een huis voor de sloop.’

(...)

 Het boek komt. Schrijf in, maak over en lees verder in december. 

vintage Arabische gom met het rubberen tuitje.. korrelig..

Sorry, maar u plakt..

 Op 19 september is er weer een voorstelling van de Vorlesebühne in de Houtzaagmolen In Utrecht. Kort, vreemd proza en muziek. Op het thema 'Sorry, maar u plakt.' Ik doe mee.

 Het gaat in de molen om kleven en het loslaten. In alle, zeer emotioneel geladen betekenissen. Zoals in de liedjes van blijf bij me en laat me los. De nabijheid, de voelbare nabijheid, de aantrekkingskracht. Die als vanzelf moet leiden tot de kus. En het nooit meer loslaten.

 Ik groeide op met loslaten. Kleven was een zeldzaamheid. Over kleven en kleefstoffen werd vol ontzag gesproken. Lijm was duur. Alles liet los.

 In den beginne was er - kort na de oorlog - voor heel de schoolklas een grote glazen pot met een kwast en half doorschijnend spul. Ik denk vislijm. Daarmee moest je plaatjes in schriften plakken. Het kleefde nauwelijks. Hoe lang je ook aandrukte of onder dikke boeken legde, hoe lang je ook liet drogen alles liet los.

 Daarna kwam Gluton, een uitvinding van Talens. Het kwastje stak door een gat in een plastic deksel. En waarachtig, wat je plakte bleef zitten. Talens, Gimborn, dat waren de namen. Wat kleefde kwam uit Apeldoorn en Zevenaar, de plaksteden van Nederland. Net als de verf en de schoolinkt.

 Toch, ook Gluton - een product op waterbasis - liet op den duur los. Ook de Arabische gom uit het flesje met het rubberen tuitje bleef behelpen. Dit duurde tot het wondermiddel, de plasticlijm Velpon werd geïntroduceerd.

 Hoe dit eindigt weten we: secondelijm.

 En nooit meer los. 

Heksen in landschap

 Landschappen met fijngeschilderde figuurtjes erin. Waardoor je ziet hoe hoog bomen en bergen zijn, hoe ver de einder en hoe klein mensen en hun bezigheden. Het werk van de vergeten meester Claes Jacobszoon van der Heck (ca. 1578-1652) dat ik vanmiddag zag in Alkmaar neemt je mee naar het snijvlak van de 16de en 17de eeuw.

 De tijd dat kop en lijf van enkelingen uitgroeiden tot dramatische per­sonages. Zoals het televisiescherm ze nog steeds ve­rtoont. Behalve bij voetbal, waar het totaalbeeld overheerst en de spel­ers poppetjes worden op een reusachtige veld, temid­den van een duizendkoppig publiek. Na afloop, als het is misgelopen zoals vanavond, zie je een paar beteuterde gezichten van dichtbij.

 Van der Heck is nog een 16de eeuwer.

 De totaalbeelden, de verzonnen landschappen waarin je hier en daar wat personages ontwaart, maken het kijken tot een puur genot.

 Verspreide taferelen. Figuurtjes bewegen of rusten in licht of schaduw, liggen in het gras, gaan hun gang. Wat spookt die monnik daar in het koren uit met die vrouw? Met je neus er bovenop gaan staan, dat moet wel. Straks wandelen ze weer uit zicht.

 En dan die heksen! Naar de twee heksensabbats met Boschach­tige demonen in fantastische omgevingen bleef ik lang kijken.  

 Buitengekomen, aan de singel in Alkmaar zag ik een hengelaar net mooi onder de bomen staan. Wilde een foto van het tafereel maken, maar kreeg ze er niet allebei op. De boom zo groot, de hengelaar zo klein. Hoe nu? Ach, natuurlijk: Van der Heck.

 

 

Tags: 

Ontheemd

 Ontheemden, mensen die alles moesten achterlaten. De plek kwijtraakten waar ze thuis waren en de taal spraken. Hoe kapot ook. Wat dat betekent weet ik een beetje omdat ik in een gebombardeerde straat opgroeide en mijn ouders steeds verhuisden.

 Probeer maar in slaap te komen in steeds een ander bed, op steeds een andere plek. Nog weet ik van al die huizen de afstand van het bed tot de muur, de lichtval. Het was steeds anders, met steeds andere donkere hoeken. Waardoor ik bleef vragen of het licht aan mocht blijven.

 Ik kreeg angstdromen en werd een slaapwandelaar. Eens ontwaakte ik staande midden in een rokerige huiskamer, tussen de suitedeuren, temidden van een menigte lawaaiige volwassenen die luidkeels lachten om het jongetje in pyjama.

 En nu kijk in naar de kinderen in de vluchtelingenstromen. Vraag me af waar ze vanavond zullen slapen. En morgen en overmorgen. Wat ze verteld wordt. En wat ze de rest van hun leven zullen meedragen aan onveiligheid.

 En nog beseft de blozende wethouder van Steenbergen niet dat hij in zijn stervensuur zal worden ingestopt door een verpleegster van Syrische komaf. In Nederland immigratieland. 

Poëzie in blues in auto

 In de auto, waar anders, kwam vanmorgen eerst Chuck Berry's Too much monkey business in m'n hoofd. Daarna nam Bo Did­dley het over met You can't judge a book by looking at the cover. Zo'n liedje kan bij mij dagen duren. Vandaar nu.

 Bo Diddley is slang voor 'ellendige nietsnut'. Ellas McDaniel (1928-2008) adop­teerde het als artiesten­naam. Erger nog, zijn eerste hit (1955) ging over een dwaas genaamd Bo Diddley. Op zijn heel eigen Bo Diddley-ritme. Meer eigenheid lijkt moeilijk denkbaar. Het liedje over het boek en het omslag (1962) - tekst van Willie Dixon - gaat ook niet over boeken, maar over Bo Diddley, de man met de vierkante gitaar:

 You can't judge an apple by looking at a tree

You can't judge honey by looking at the bee

You can't judge a daughter by looking at the mother

You can't judge a book by looking at the cover

 

Oh, can't you see, oh, you misjudge me

I look like a farmer, but I'm a lover

Can't judge a book by looking at the cover

 

Oh, come on in closer baby

Hear what else I gotta say

You got your radio turned down too low

Turn it up

 

You can't judge sugar by looking at the cane

You can't judge a woman by looking at her man

You can't judge a sister by looking at her brother

You can't judge a book by looking at the cover

 

Oh, can't you see, oh, you misjudge me

Well, I look like a farmer, but I'm a lover

Can't judge a book by looking at the cover

 

C'mon

Oh, how am I doing baby? Yeah

You can't judge a fish by lookin' in the pond

Tags: 

Passage

 'Geen betere Passage dan die van Den Haag: beneden is er de schemer, die altijd wel iets verzacht, en hoog boven, onder het glazen dak, is er het licht van dichtbij het wateroppervlak maar dan aan de onderkant.'

 Zo begint Willem Brakman zijn 'Het groen van Delvaux'. Het onvoltooibare Passagenwerk van Walter Benjamin indachtig legt hij uit hoeveel minder de Passages van Brussel en Londen -  'Burlington Arcade' - zijn en noemt zelfs niet die in Parijs waar de ouders van de held uit Célines Mort à crédit in grote benauwd­heid - gaslicht, riool, koolmonoxide - hun winkeltje drijven.

 Zo komt hij bij de ansichtkaart van Paul Delvaux' schilderij 'Acropoli­s', die altijd op zijn bureau staat: 'Een vertrouwde vlek, die zich alleen bij tijden laat peilen door de zogenaamde vluchtige blik, dat is de blik die waakzaam veel betrapt nog voordat het bewus­tzijn erbij is. De vrouwen zijn dan zeer in zichzelf verzonken en willen het liefst met rust gelaten worden omdat ze inval na inval hebben. Wat de vluchtige blik peilt is de sfeer: toneela­chtig, onbestemd, het licht van plantenkassen maar ook van stations bij dreigend onweer. Het licht wil op de kaart on­bekend blijven maar laat zich alleen zien in de Passage (...)'. En kijk: 'Acropolis heeft een deur met sierlijk smeedwerk, waarachter licht brandt.'

 Brakman is op weg naar het restaurant van het Passage Hotel voor een kopje koffie. Mij en passant meevoerend naar het verdwenen driekantige bioscooptheater Passage, waar ik op het derde balkon 'Gigi' zal zien met Leslie Caron.

 Zo gaat lezen. Lang kon ik het niet goed. Nu beter. Onder bordjes met 'Niet storen' of 'Wij rusten van 2-5'.

Pagina's