Franz en Dora

 Stel je voor, Franz Kafka die samenwoont met een vrouw. Het is gebeurd, niet met Felice, niet met Milena, maar met Dora Diamant. Hij was veertig, zij vijfentwintig. In een Berlijnse buitenwijk.

 Vlak voor z'n dood, eindelijk ontsnapt aan Praag, het 'moeder­tje met klauwen' dat hem nooit losliet. Veel van de brieven en de aantekenschriften uit 1924 zijn door de Gestapo later bij Dora meegenomen en verdwenen. Michael Kumpfmüller maakte uit wat wel bewaard bleef zijn roman die vertaald 'De heerlijkheid van het leven' heet. Hoe leefden ze?

 'Op een dag leren ze een klein meisje kennen in het park. Ze staat moederziel alleen op het grasveld te huilen, daarom spreken ze haar aan. Ze kan nauwelijks praten, zo hard is ze aan het huilen, ze heeft haar pop hier ergens in het park verloren.'

 Franz gaat erop in. Hij verzint ter plaatse dat hij weet waar de pop is. En dat de pop hem een brief heeft geschreven. Die zal hij morgen meenemen. Ze spreken af voor de volgende mid­dag. En Franz schrijft 'brieven van de pop', waarin ze vertelt hoe ze zoekraakte, naar het station liep en aan zee kwam en vandaar in Afrika. De pop-brieven gaan drie dagen door. In de laatste staat: '...ook als pop heb je nu eenmaal zin tussendoor op reis te gaan, ze wil uiterlijk met Kerstmis terug zijn'. Maar de pop trouwt in Afrika met een prins en het meisje Katja legt zich bij dat geluk neer.

 De parallel. Kafka ontsnapte, net als de pop van Katja.  

 ps. Dora Diamant overleefde de oorlog en stierf in 1952 in Engeland. Het pop-verhaal komt uit haar boek 'Mijn leven met Franz Kafka'.  

Fritzi

 Morgenavond in Perdu een avond over Fritzi Harmsen van Beek (1927-2009), waar oa. Alfred Schaffer en Bernke Klein Zandvoort zullen proberen het werk van de letterkundig zo onplaatsbare Fritzi anders te zien dan als het curios­um waarvoor het zo vaak doorgaat. Ik heb goede hoop.

 Omdat ze door de zorgen van wederzijdse vriend Jan Pieter Guépin een paar keer aan m'n radioprogramma's meedeed heb ik meer van haar behouden dan puur papier. Dat helpt, bij zoiets als het begin van '13 Manieren om in tranen uit te breken' (uit Neerbraak, 1969):

 'Tien maanden heb ik onlangs doorgebracht op een eiland, een beetje een ledikantvormig eiland, nogal erg ledikantvormig was het. Maar niet onbewoond, omdat ik immers, hoewel uitsluitend, er was. Nogal erg uitsluitend was ik er. (Dat van Robinson Cr. heb ik nooit begrepen, noch de beweringen van die andere, nu maar niet aan te halen anderen: onbewóónd, zij waren er toch?) Nu ja, hoewel niet onbewoond dus, was mijn eiland toch zo eenzaam dat ik mij, op den duur tenminste, zorgen begon te maken over mijn z.g. geestesgesteldheid.'

 (…)

Love

 Wat bedoelen we als we liefde zeggen? Robin Waart bericht dat een tekst van hem daarover is geplaatst op de fameuze 1000things internet-encyclopedie. In het Engels vanzelf. Eerst wat citaten, waaronder ‘Love loves to love love’ van James Joyce uit Ulysses (1922). En dan begint het met de alinea:

 'When we say we 'love' or are 'in love', what is it we love in someone?

 Her face, his hands, her smile, his voice? The smell of his hair, those little sleepy eyes of hers, his gait, her enthusiasm, his music collection, intelligence, independence, her witticisms, carefulness, the touch of her skin? His broken fingernails? The way she looks when she looks away, the little, funny mark on his right shoulder? Just how he says 'hu­llo' on the phone?

 Some 'objet petit a' that escapes definition, outsores language, a thing we cannot grasp or touch - or, on the contrary, something you can point out, point at exactly, a 'punctum'?

 His, her, your 'blinding originality' as Roland Barthes puts it? Or nothing, not even something special in this other person? Couldnt the original thing be what we share, what makes us unique, together?'

 ps. het citaat is uit Roland Barthes, Fragments d'un discours amoureux (1977), vertaald als 'Uit de taal van een verliefde', hoofdstukje ‘Atopos’

Tags: 

Suzanne

 Wie is Suzanne? Kan er een andere vraag zijn in de film van Katell Quillevéré die haar naam draagt? Haar ogen, haar mond, haar kwieke, sierlijke motoriek vertellen het verhaal. Welk verhaal?

 Praten doet Suzanne niet, wat ze denkt, zo al iets, zul je nooit weten. Ze is een vrouw van voldongen feiten. Ze blijkt zwang­er, ze blijkt voor het leven verliefd op een crimineel, wat daar ook van komt. Zit zwijgend gevangenisstraf uit. Er is opeens een tweede kind.

 Zelfs de dru­gssmokkelaar buigt voor haar. Suzanne is een ordenend principe.

 Niemand van de mensen om haar heen praat, haar zuster en vader niet, de crimineel nog minder. Zouden ze bestaan? Mensen die niet praten of denken maar louter doen, hun impulsen volgend? Waarna anderen zich woor­dloos bij de 'ontstane situaties' neerleggen en berusten?

 Film verdraagt weinig gepraat, dat is zo. Maar hier ontbreekt zelfs de kwebbelruis van huis tuin en keuken. Vader - een groot zwijger - start zijn vrachtwagencombinatie en is weg. Moeder ligt al heel lang op het kerkhof en zwijgt.

Van Oostsanen en de hand

 Eerste keren intrigeren. Iemand voegt iets nieuws toe aan het gebruikelijke. Hoe komt ie erbij? En, wordt het nieuwe geaccepteerd en overgenomen?

 In de schilderkunst zo goed als in het huishouden. Beroemd is het antropologenverhaal van de bezem zonder stok. Er waren Afrikaanse volkeren die van oudsher de vloer van hun woningen met veger en blik schoonhielden, altijd gehurkt en gebogen. Tot op een dag iemand van een verre reis een bezem met een steel meebracht. 

 In de kunst was de rinoceros van Dürer - zie Gombrich - eeuwen de maatstaf die iedereen natekende. Terwijl er toch in dierentuinen rinocerossen opdoken die er beslist anders uit zagen.

 Zou het Jacob Corneliszoon van Oostsanen (ca. 1475-1533) geweest zijn die voor het eerst een vrouw bij het zien van de dode Christus uit pure schrik en verdriet haar hand zo voor ogen en mond - om een kreet van ontzetting te onderdrukken - liet slaan? 

 Van Oostsanens Bewen­ing uit 1520-1530 is misschien zo'n eerste keer. De tekening van het meisje - van achteren gezien - met de verdrietig voor het gezicht geslagen hand uit het Amsterdamse schetsboekje is waarschijnlijk van een kleinzoon. Maar ik heb dat gebaar uit die hoek niet bij latere schilders teruggezien. Dacht ik. Het schetsboekje komt uit z'n atelier in de Kalverstraat, waar meerdere mensen werkten, waaronder veel familie en zijn leerling Jan van Scorel.  

 

Tags: 

Oostsanens hel

 Mijn eerste ervaring met de hel van Jacob Corneliszoon van Oostsanen had ik in 2009. Samen met restaurator Willem Haakma Wagenaar beklom ik de stellingen in het torenhoge koor van de Alkmaarse Laurens­kerk en stond met mijn neus op Het Laatste Ordeel.

 Gruwelijke hellevaarten waarvan ik vanmiddag iets terugzag op schermen beneden op de kerkvloer. Weg stellin­gen. Naar boven kan niemand meer. Je moet het doen met wat digitale plaatjes.

 Vreemd te bedenken dat onze kerkgaande voorvaderen zelfs dat niet hadden. Die zagen als ze opkeken van hun gebedenboeken hooguit wat vage schimmen. Misschien maar goed ook.

 Intussen blijft het wonderlijk onbegrijpelijk dat Van Oostsanen en zijn mannen dit reuzenwerkstuk in 1518 hebben gemaakt voor God alleen. Geen mens heeft het in al die eeuwen immers meer gezien. Tot Willem met zijn ploeg kwam. En ik mee mocht. Hij wees me zelfs nog de initialen van 16de eeuwse dakreparateurs aan.

 De steigers zijn weg. Je hebt alleen de schermen beneden, een filmpje op internet..

 Vanmiddag werd mijn weerzien-op-afstand zomaar omlijst toen twee autobus­sen voor de kerk stopten waaruit het mannenkoor de Maastreechter Staar steeg. Zodat Oostsanens Duivels en Hellevaarten - vrouw­en varen veel ter helle - vanuit de diepte feestelijk werden begeleid door mannenkoorzang van Verdi, Wagner, Rossini.  

 Daarna de grote Van Oostsanen-tentoonstelling in het Alkmaars museum bezocht. Die in het Amsterdam-museum komt nog. Later meer.

Tags: 
muurschildering, hout, doek met olieverf..

Gezichtsbedrog

 Eerder verwijlde ik achter de coulissen - of was dat juist het podium - van dit theater. Theater heeft veel gezichten. In het Haagse Gemeen­temuseum is werk van uiteenlopende artiesten bijeen gebracht onder de kop ‘Ingewikkelde beelden.’

 Twee ervan begoochelen de zinnen. Als Fred Sandback (1943-2003) zegt dat hij kamerhoge glazen platen tegen de wanden laat leunen – ‘leaning constructions’ (1969) - dan zie je die ook werkelijk staan. Toch, er mankeert iets. Ze zijn wel heel netjes gelapt en spiegelen doen ze ook niet. Dus leg je je vinger tegen het glas. En dat glas is er niet. Er zijn bij nader zien - op de plaats waar je de randen van glas denkt - alleen in het vierkant vierkant gespannen zwarte wollen draden.

 In de Gouden Eeuw was het kunststukje genoeg, nu blijf je zitten met vele vragen. Loop naar ‘Eerste kwartier’ van Aukje Koks. Tegen de muur is een lege lijst opgehangen, aan een wel erg dik stuk touw. In eerder werk van haar komt dat touw ook voor. Dreigend touw is het, dat spreekt van je verhangen - denk ik, maar dat komt uit eigen ervaring voort.

 Hier hangt aan dat zelfde touw – echt touw - alleen een lege lijst. Als je beter kijkt is ie op de muur geschilderd. Onder de lijst is een schoolbord opgehangen waarop iets gestaan heeft dat - door wie? -is uitgeveegd. Als je dichter bij komt blijkt de lijst deels van echt vurenhout, deels geschilderd, net als het schoolbord.

 Bedrogen. Maar met welk doel? Voor je het weet verzin je van alles. Bijvoorbeeld: er moet iets beginnen. Een schilderij, een schoolles, een voorstelling? Of alledrie tegelijk. Zo vergaat het de toeschouwer in Theater Aukje Koks.

Tags: 

De schoonheid van een meisje

 Als Tijs Goldschmidt in zijn nieuwe boek Vis in bad plompverlo­ren het 'literair Darwinisme' opvoert kan ze niet ver zijn: het mooie meisje.

 Eerst een exposé over literatuur en partnerkeuze, waarbij vooral prozaschrijvers aan bod komen: 'Zou het vermogen boeiende verhalen te vertellen in de loop van de evolutie seksueel geselecteerd kunnen zijn? Een eigenschap die verhalenver­tellers betere overlevingskansen gaf?' Dat gaat over proza. Maar daarna zegt hij: '...aan een associatieve dichter als Lucebert, hoe fantastisch ook, heb je in dat opzicht vermoedelijk niet veel.' En citeert:

 'De schoonheid van een meisje

Of de kracht van water en aarde

Zo onopvallend mogelijk beschrijven

Dat doen de zwanen'

 En hij vraagt zich af: 'waarom liet Lucebert de schoonheid van een meisje zo onopvallend mogelijk beschrijven? Had het niet wat opvallender gekund?'

 En ik denk, zie hoezeer het schijnbaar onopvallende de aandacht trekt. Zie hoe die nuffig zwijgende zwaan voorbijglijdt, snavel in de wind. Als dat niet het spel van afweren en daardoor uitnodigen is. Evolutionair zeer werkzaam. De zwaan is het mooie meisje bij uitstek. Een tros mannen achter je aan en - vervuld van vertrouwen in eigen schoonheid - doen of je daar niks van merkt. Dat is de kracht van aarde en water, zeg gerust de natuur. 'Ik kan elke man krijgen die ik hebben wil'.

Lines of thought

 Paulien Oltheten is terug! Nu in het Amsterdamse Stedelijk. Met Drawing lines of thought. Weer zo’n heel eigen samengang van foto's, filmpjes, bijsch­riftkrab­bels, tekeningen en teksten. Van mensen die zich bewegen in het openbaar.

 Drawing lines of thought. In alle betekenissen die je maar kunt verzinnen. Trek je een streep over het plaveisel dan zullen voetgangers hem volgen. Komt er iemand van de andere kant die dat ook doet dat volgt een aarzelmoment: wie wijkt uit?

 Vragen. Waarom gaan mensen midden in een cirkel staan? Waarom vormen ze kringetjes.

 Indrukwekkend is de langzaam lopende man. Op Wall Street, waar iedereen zich haast. Paulien filmde hem. Maar was niet tevreden en ging terug. Een bankreceptioniste spoorde hem op. Hij bleek advocaat en zover ik begreep betrokken geweest bij een bankdebacle. Langzaam liep hij, in diepe gedachten voor de rechtbank waar faillissementen behandeld worden. Zijn briefje aan Paulien hangt erbij, in het Stedelijk. Langzaam lopen valt erg op.

 Maar er zijn ook veel alledaagse denklijnen. Zoals die in de broekspijpen van de fietser, die bij elke trap omhoog worden getrokken. Zo brengt Paulien Oltheten het lijnenspel in beeld dat lijf en geest voortdurend vormen. Waarom ik daarbij steeds moet giechelen weet ik niet. Je voelt je voortdurend betrapt, dat zal het zijn.

Poetry is an island (1)

 Ida Does maakt een film over en met Nobelprijswinnaar Derek Walcott op zijn Caribische geboorte-eiland St.Lucia gaat. Walcott wist zes jaar oud al dat hij dichter wilde worden. 

 Eenmaal op St.Lu­cia vroeg Ida hem hoe dat kon? En Walcott vertelde hoe zijn moeder gedichten voordroeg, Shakespeare, Kipling: 'Ik schrijf nu als een 80-jarig kind'. Zijn vader, Warwick Walcott overleed toen hij nog geen jaar oud was. Hij was behalve ambtenaar ook schilder en theaterman ook dichter. Zijn moeder Alix was al dood toen hij in 1992 de Nobelprijs kreeg. Bij zijn terugkomst uit Zweden liet hij de auto stoppen op de kustweg langs de begraafplaats en riep luidkeels: "Ik ben het! Je zoon Derek, ik heb de prijs!." Zijn gedicht over haar, vertaald door Jan Eijkelboom, begint zo:

 

 Ze zweefde zo licht! Eén hand, als een zwaluw zo broos

aan de veranda. De katoenen halo waaierde van haar

gekrompen kroon, en ik voelde dat ik haar zo kon

 

optillen, dat vogeltje, mijn moeder, in de kom van mijn hand,

om haar ergens anders neer te zetten, weg van de oude

vrouwtjes die rozenkransen wreven in het Maria Tehuis,

maar ik was gelaten, zoals zij …

 

… Het frêle haar werd mooier om mijn moeders hoofd,

maar als mijn arm rustte op haar holle schouder

 

wankelde die even onder het zorgzame gewicht.

Ik was zowel vader als zoon.

Ik was even oud als

haar uitgeputte gebed, wanneer flarden herinnering

 

ronddreven met vaag geduld en tegen haar lijf zeiden: 'Wacht',

toen al dat heldere was verlept als herinneringsbloemen,

als de bellen van allamanda en de bleke lila ranken

 

van de bougainvillea op de gevel van ons oude huis,

Zij keerden niet weer, zo min als haar natuurlijke geheugen.

Schemerig waren haar dagen. Er bestonden geen uren meer..

(...)

De Nederlandse première is op zondag 30 maart in het Bijlmerparktheater. 

Pagina's