Delphine Lecompte

 Je doet mee, aan een spel, had je deze dichtbundel maar niet moeten kopen. Maar welk? Bij Lecompte is het eind zoek. Zoeken zul je.

 Blindemannetje? Verstoppertje? Je doet mee, 159 pagina's lang in De Baldadige Walvis, haar nieuwe bundel ontsnappingskunst. Er moet toch een waarom zijn. Een iets. Een iemand. Waar woorden staan is immers betekenis. Maar wie is die vrouw in het zwart onder de kast? Lees de eerste strofen van 'Nuchter zelfportret met gestolen zaag':

 

 'Ik ben niet duister, ik denk aan gisteren

Gisteren heb ik een zaag gestolen van de sponzenverkoper

Dat is bijna alles, bijna alles wat ik verkeerd heb gedaan

Gisteren ben ik in een kerk geweest, alle Maria's leken op mijn vaders eerste fee

De eerste fee sprak hortend Russisch, de eerste fee gaf mij een vos.

 

Een vos toen ik tien werd, een diadeem een jaar later

Wat was ze rood en mooi, ze rook altijd naar lavendel

Met andere woorden: de eerste fee rook naar lavendel van zich­zelf,

Calvados van mijn vader, en lavendel van mijn vader.

 

Ik ben niet somber, ik plan vandaag

Vandaag zal ik een moeilijke hond adopteren

Vandaag zal ik een moeilijke hond met de zaag van de sponzen­verkoper

Doormidden snijden, en weer heel maken

Weer heel zal ik hem Tom noemen.

 

(...)'

 En zo verder. Om met Gerard Reve te spreken ‘Moedig voorwaarts’. Waaraan hij altijd toevoegde ‘Waarheen?’

Thijs Jansen (1)

 Onderbroekjes die achteloos op de grond bleven liggen, nadat er iemand uit was gestapt. Afdrukken van een lijf, slordig maar daardoor juist onmiskenbaar. Een signatuur.

 Thijs Jansen duwde me vanmiddag op Art Rotterdam op het oude 'je verliest wat, je voetstap'. Dit moet wel de onderbroek van Melvin of van Chantal zijn. Herkenbaar, alleen al door de manier van neergekomen zijn. Ze had haast, ze was niet alleen, of bekaf en viel zo in bed. Denk niet dat Chantal ooit haar onderbroekjes netjes op stoelen legt.

 En Melvin? Die stond er maar wat bij en liet z'n onderbroek zakken toen het moment daar was. En dan heb ik het niet over het soort onderbroeken dat ie bij Zeeman haalt.

 Vroeger toen ie nog thuis woonde kwam zijn moeder altijd nog even kijken, en die legde z'n kleren dan netjes, nu hij op kamers woont zijn er stapels wasgoed. Deze onderbroek komt morgen op zo'n stapel.

 Wat heeft dit met schilderkunst te maken? Alles, lijkt mij. Thijs Jansen ziet de beeldmerken, de onopgemerkte afdrukken van zijn eigen tijd. 

 Ga morgen nog kijken in de Van Nellefabriek. Later meer over de blik van Thijs Jansen..

Tags: 

Maartje Wortel

 Een schrijver kennen brengt mee dat je jezelf kunt tegenkomen. Mij gebeurde dat bij Maartje Wortel in haar 'Ijstijd', als een glazenwasser optreedt die Leo heet:

 'Leo's lippen zijn vol, zijn haar is uitgedund en vet, dubbel viezig, maar verder ziet hij er keurig uit. Hij draagt een houtje-touwtje jas en zwarte sneakers, in zijn broek zit een vouw; je kunt die broeken tegenwoordig met vouw en al kopen, strijken is niet meer nodig. Om Leo's pols zit een zilveren Casio-horloge, zo een dat hordes mannen van hun vader hebben gekregen. Zijn handen zijn sterk en grof, het zijn handen waar Marie van zou kunnen houden. Ze valt op fabelachtig grote handen omdat er volgens haar niets mannelijkers bestaat.'

 De spaarzame keren dat ik Maartje tegenkom wil ze mijn horloge zien. Ik mailde eens ‘gelukkig delen we een horloge’. Waarop ze antwoordde: ‘Dat is meer dan de meeste mensen.’

Tags: 

Henri en de Waalse wanhoop

 De film begint met een man die omhoog kijkt. Dat zal hij vaker doen. Hij wacht op zijn duiven. Hij bakt de beste friet. En heeft de mooiste vrouw van de Borinage, maar niet lang meer, ze sterft, uitgeput.

 Je kijkt naar Henri, die z'n café restaurantje na de dood van z'n vrouw niet meer aankan, zeker niet met hulp van Rosette, een zwak­zinnige hulp uit het tehuis. Alles wordt in deze film in gereedheid gebracht voor een tragische misluk­king.

 Hoe zal regisseuse Yolande Moreau die laten zien? Er volgt een verras­sende omkering. Henri deserteert en neemt van z'n laatste geld Rosette mee naar de kust, naar Middelkerke. Getwee dromen ze daar een paar dagen lang een frietbus en een liefdesgeschiedenis bijelkaar. Tot het zwakzin­nige meisje de wijste blijkt. Ze besluit alleen terug te gaan naar haar tehuis in Charleroi. Zwanger is ze ook niet van Henri, dat was maar een grapje.

 Blijft over een alcoholische man en een frietbus. Duiven komen altijd terug. Zo ook hij. De wanhoop van Wallonië, die tegelijk de schoonheid ervan is. En waaraan alleen de zwak­zinnigen in het tehuis - die de Witte Vlinders worden genoemd - lijken te ontstijgen. Zodat de boodschap overblijft dat je in Wallonië maar beter zwakzinnig kunt zijn. 

De ramp en Donald Duck

 In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 brak de watersnoodr­amp los over Zeeland en de wereld.

 Mijn geheugen vertoont het haastig getimmerde bord van het Nationaal Rampenfonds, met slordige letters, opgehangen aan de gevel van Statenlaan 81, net bij mijn gro­oto­uders om de hoek in Den Haag. Vreemd zo'n adres dat voortdurend op de radio werd omgeroepen – postgiro 9575, 'beurzen open, dijken dicht..'. Je werd opgetild door de geschiede­nis. En in het najaar nogeens toen het gezin op bezoek ging bij Oom Jacques in Nieuwerkerk (290 slachtoffers, de meeste van heel Zeeland), op Schouwen en Duiveland. Mijn familie van vaderskant is Zeeuws, erg Zeeuws.

 Zijn boerderij had tot de eerste etage onder water gestaan. Rondom lag nog steeds een maanlandschap van groen slik. Goederenwagonnetjes van de RTM waren begroeid met mosselen. Beneden was het huis van Oom Jacques dat najaar al herbouwd, tot een nieuw­bouwflat geworden, maar boven op de oude boerenzolder waar ik sliep lagen - o godsgeschenk - alle ingebonden jaargangen Donald Duck van mijn neefje, van af het eerste nummer. Daar heb ik nachtenlang mijn Duck-achterstand in­gehaald - mijn vader verbood strips. 

 Overdag bekeken we de caissons waarmee het gat van Ouwerkerk was gedicht, terwijl ik niets anders deed dan uitzien naar Goofy, Guus Geluk, Katrien en de neefjes in een nieuwe, lange Duck-nacht.

Isabelle Wenzel op Art Rotterdam

 Hoe haar training voor acrobate als jong meisje haar naar de fotografie, naar de kunst bracht. Het blijft een zeldzaam verhaal.

 Vrouwen treden op, waar ze ook gaan. Maar ze nemen ook zichzelf waar. Isabelle Wenzel meer dan wie ook. Ze gebruikt de klassieke zelfontspanner, ze moet zich verkleden, en dan binnen tien seconden een rush maken naar de houding en positie die ze heeft uitgedacht voor juist deze foto. En dat zijn vaak lastige houdingen. Waarin ze een spel speelt met de vrouwelijke hang naar elegantie. En de manieren waarop daarnaar gekeken wordt. Alsof ze er aan een kant een hekel aan heeft, maar het toch niet kan loslaten, dat lijf en die kleren, die houdingen en bewegingen de baas wil wor­den.

 Noem het acrobatische elegantie. Vastgelegd in foto's zoals niemand ze maakt. Met een heel eigen esthetiek. Wil de ware Isabelle Wenzel opstaan, dacht ik, de keren dat we elkaar ontmoetten en ze uitlegde en uitlegde.

 Vanaf donderdag staat ze op Art Rotterdam. En ze liet al iets los over een mogelijke performance. Iets nieuws voor haar. Ze werd tenslotte opgeleid om op te treden, al ein­digde dat - na een poging stuntvrouw te worden - op de Riet­veld Academie. Optreden, niet meer alleen voor haar eigen camera maar voor publiek. Het heeft er al die jaren in gezeten.

Tags: 

Toon Tellegens optocht

 Toon Tellegen had zijn gedicht, nu ja gedicht, 'De optocht' (2012) graag in z'n geheel voorgelezen op de radio, zoals hij al eens in Berchem bij Antwerpen deed, in twee uur en twintig minuten.

 Hij herin­nerde zich voorlezingen in de Avonden, maar de Hilversumse tijden zijn veranderd. Nu in deze met poëzie overspoelde dagen pak ik De optocht weer. 'Verslag van een ooggetuige' staat er bij. Dat je niet denkt dat het notities van een scherprechter zijn. Wat het zijn. Alinea's waarin al wie of wat de wrevel van Toon Tellegen heeft gewekt in een schier eindeloze optocht voorbijtrekt. De muziek mag je er bij denken, de spandoeken ook. En telkens volgt dan na hun optre­den weer Toon's genadeloze 'Pats!'. Alsof ie ze met de vlakke hand tegen het plafond platslaat, als muggen. Bezaaid met bloedspetters daar.

 'Daar, dat is de tegenzin op een vooroorlogse damesfiets, de wind in haar gezicht, haar goudkleurige japon slepend over de modderige grond, zij houdt haar trappers stil: zij is gearriveerd... Kijk zij schudt haar hoofd over mij, het lijkt mijn moeder wel! Ze wil dat ik verlegen ben, verweesd en onvoldaan. "Ga weg, ik doe mijn werk, geen letter meer dan dat!" zeg ik - o nee, nu ga ik te ver. Zij gaapt: "Ik dacht dat jij..." Ze zegt niet wat en stapt weer op. Zij is mijn spiegelbeeld. Zij vergelijkt, zij scheldt niet kwijt.

 Pats!'

 Eens, toen er veel response kwam op zijn radio-dierenverhalen, zei ik tegen Toon. 'Er zijn er veel mensen die van de ver­halen van Toon Tellegen houden.' Zei hij: 'Ik ben bang dat ik niet zo hou van de mensen die van de verhalen van Toon Tellegen houden.'

Tags: 

Kreek Daey Ouwens

 Kreek Daey Ouwens bezit het geheim van de nabijheid. Je wordt er bang van. Nabij als wat. Haar nieuwe bundel 'Blauwe hemel' begint met de regel 'Men leeft altijd met de zelfde mensen. Dicht bij elkaar.'

 Of die mensen leven of dood zijn weet je niet, ze zijn er. Zoals Larissa, tot wie ze zich steeds richt en meneer en mevrouw Danie die bij haar in huis verkeren, heel de bundel door. Veel komt terug: citroen, poes, bordeel, anemonen, gordijnen. Ik was daar eens. Bij haar thuis in de kamer, met zicht op de kleine winterse tuin en een kop soep in m’n hand. De buurt zag ik, het kanaal, de rest van een fabriek, de verdwaalde straat, het was zoeken voor ik haar gevonden had. En nu lees ik:

 

'Mijn naam is Danie.

Ik woon mijn leven lang in hetzelfde huis.

Ik ben moe en trillerig en bekaf.

 

Mevrouw Danie ademt als een vogeltje.

Ik koop citroenen, die zwaar zijn als ijzer.

Ik heb een droom.

Ik droom dat ik met een jonge vrouw ben.

Ik ben bang voor jonge vrouwen. Ik zal niet met ze zijn.

Ik houd van vrouwen, die ouder worden.

Ik houd van hun blik. De manier waarop ze gaan zitten.

We dansen over een vloer, die dof is als hun huid.

We fluisteren: 'Lieveling.'

 

Er kan net zo goed een hemel boven mijn hoofd zijn

in plaats van een plafond.'

Jacco Olivier

 Morgen opent 'Cycle', de eerste grote solo van Jacco Olivier (1972) in het Haagse GEM. Vanmiddag zag ik ze al, zijn ver­bazende, levende schilderijen. 

 Wat doet ie? Hij geeft met zijn films een anatomische les schilder­kunst. Maakt twee mechanismen die in een schil­derij leven zichtbaar.

 Het titelwerk 'Cycle' is sensationeel. In groot breedbeeld krijg je de lagen van een schilderij te zien, die met verfstreek en al op de loop zijn gegaan. Elke laag leidt een afzonderlijk bestaan. Van links naar rechts trekken ze aan je voorbij, elk in een andere snelheid.

 Het idee kwam tot hem na het zien van een sterrenuurwerk, waarin het ene tandrad de maanstanden aandrijft, andere die van de planeten en zo door. Hij laat wel 24 verschillende bewegingen zien binnen één bewegend schilderij. Onderwerp zijn natuurprocessen als revolutie of osmose. En ze zijn cyclisch, omdat ook de filmloops zichzelf hervatten.

 De tweede anatomische schilderles ontstond, zo vertelde hij, toen hij verschil­lende fasen van het ontstaan van een schilderij op dia’s vastlegde voor hij het werk voortzette. Die verschillende stadia bracht hij met overvloeiers samen in filmpjes, zodat je het ontstaan van een schildering van een vliegende vogel kunt volgen. Of een afdaling in het Verdronken land van Saeftfinge, want Jacco Olivier is een Zeeuw, hij komt uit Goes. 

 Ga dit zien. Van foto’s word je niet wijzer. Kijk op Youtube of in Den Haag. Het is of je in schilderijen kruipt, de streek van de verfkwast, het verfoppervlak met je vingertoppen voelt.

Slijtage

 Een Middeleeuwse grafzerk uit Angers brengt de ontroering van slijtage. Die teruggaat op het gebruik je als welgestelde in de kerk te laten begraven.

 Zo'n plaats kostte niet alleen geld, je werd ook geroken. Wie daar lag hoorde tot de 'rijke stinkers'. Geuren vervluchtigen. Veel langzamer gaat de slijtage van hardsteen, al wordt die belopen door vele kerkgangers.

 Dit echtpaar is er in de eeuwen mooier op geworden. Schoonheid op het randje van verdwijning.

 Ik lees over de dreigende verdwijning van de oude boekenpaleizen van De Slegte en fantaseer over het in de loop van eeuwen plat lopen van boeken. Zo zou Kafka's Amerika eerst onhoudbaar mooi worden alvorens te verschimmen.

 Lof der slijtage. Ik heb aanblik en geur van nieuwe boeken en kleren altijd slecht kunnen verdragen. In kleding rukt 'vinta­ge' op. Moge ook de vintage literatuur zich verheffen. Ze stinkt al, vaag en zuur. We zagen het. Alle schoonheid begint met stank.

Pagina's