Alice Munro (2)

 Was gisteren niet aanwezig bij de uitreiking van haar Nobelprijs. Haar verhalen zijn vol personages die dat begrijpelijk maken. Het gaat altijd anders.

 In 'Floating bridge' gaan een zieke vrouw van veertig en haar echtgenoot schoenen ophalen voor hun nieuwe hulpje. Dat eindigt op het land bij het huis van familie van dat hulpje, waar de echtgenoot zich binnen laat noden terwijl Jinny - ze heeft kanker, krijgt chemo - liever buiten blijft in de auto. Die ze in een opwelling - het is warm - verlaat en het korenveld ingaat. Waar ze verdwaalt en zich een  'waarheidsspel' herinnert waarbij de deelnemers eerlijk moesten zeggen wat ze het eerst te binnenschoot bij het zien van elke ander. Alles wat over haar gezegd werd was verkeerd. Ze was niet verlegen, of berustend, 'natuurlijk' of 'puur'.

 En dan komt deze fatale regel: 'Als je stierf waren dit soort verkeerde meningen natuurlijk het enige wat van je overbleef.'

 In het korenveld verliest ze haar hoed, maar merkt het niet. Eenmaal uit het koren komt de deux ex machina, de zoon des huizes met zijn auto, die ziet dat het haar niet goed gaat en aanbiedt haar naar huis te brengen.

 Maar meeneemt naar een plek waarvan ze denkt 'hierheen neemt hij z'n meisjes mee'. Die plek blijkt een drijvende brug. En daar kust hij haar zoals ze nooit eerder een kus meemaakte. Vanaf dat moment is alles anders, staat er dan kortweg.

 Alice Munro laat je zien hoe ongeloofwaardig en saai de gewone, rechtlijnige verhaalvorm is. De werkelijkheid slaat toch ook voortdurend linksaf. Bijzaken worden hoofdzaken, zijwegen worden hoofdwegen. Een hoed raakt zoek. En toch, dat is het mirakel van deze verhalen, 'klopt het'.

 

 

Tags: 

Eric Gill

 De ontdekking dat boeken geschreven worden, door schrijvers, was voor mij of ik een kijkje kreeg in de hemel. Boeken waren er. Ik kon pagina's betasten, maar verder dan dat oppervlak kwam ik nooit.

 En waar kwamen die letters vandaan? Het duurde jaren voor ik begreep hoe ze van de pagina in de mond van mijn moeder tot woorden werden. En nog langer voor ik ontdekte dat ze ontworpen waren. Lezen, voor mij een religieuze bezigheid.

 Deze gedachten kwamen op bij het lezen 'Further thoughts' dat David Kindersley in 1931 schreef over zijn ervaringen als leerling van de beroemde let­terontwerper Eric Gill (1882-1940). Zondag gekocht op de Beurs voor Kleine Uitgevers. Uitgave: De Buitenkant.

 Zijn beroemdste letter, de schreefloze Gill Sans is oa. bekend van borden van British Rail en wegwijzers in de DDR. Hij lijkt wat op de Johnston, van zijn leermeester Edward Johnston, bekend van de Londense Underground.

 Gill was katholiek, in de beste zin. Van oorsprong beeldhouwer werkte hij in opdracht, dienstbaar, als een anonieme Middeleeuwse steen­houwer. Het idee van een persoonlijk stempel was hem vreemd. Wat je leert op kunstopleidingen was hem vreemd. Wanneer een werkstuk eerder de persoonlijkheid van de maker uitdrukte dan het onderwerp was het mislukt.

 Ook zijn letters ontstonden in steen, de zeer harde Hopton-Wood, die een grote invloed had op het werk van Gill. Daarbij moest de maker het ontwerp van de letter of afbeelding al puntgaaf in z'n hoofd hebben voor hij begon te hakken. Fouten konden niet hersteld worden.

 ps. deze reactie van Henk Beentje uit 'Mistig Albion' volgde: 'Ik moest een beetje grinneken om je zin “Gill was katholiek, in de beste zin” is dit tongue-in-cheek? Hij misbruikte zijn teenage dochters, had nog meer incestueuze sex met zn zuster, en, zoals Fiona MacCarthy schreef in the Guardian (22.vi.2006):  “Having read Gill's own account of his experimental sexual connections with his dog in a later craft community at Pigotts near High Wycombe, his woodcut The Hound of St Dominic develops some distinctly disconcerting features.” Dat is allemaal nogal specialistisch-katholiek… Wel een prachtig letter-type, natuurlijk!

Oesterbar

 Hermansiana. In 1976 maakte ik wekelijks 's middags rond één uur een wan­deling over het Leidseplein met een schrijver die - live op de radio - vertelde wat hij daar had meegemaakt.

 Johnny van Doorn over hoe hij Gerrit Lakmaker de ethersnuiver verjoeg door zijn aanstekertje te heffen. Ether is zeer brandbaar. Remco Campert over Het Leven is Vurrukkulluk en Reijn­ders en zo meer.

 Toen ik hoorde dat Willem Frederik Hermans uit Parijs over was waagde ik het hem via de Bezige Bij te benaderen met het plan een scène uit zijn roman Ik heb altijd gelijk tot leven te wekken. Daar­voor zouden we moeten eten in de Oesterbar, waar in de roman Ik heb altijd gelijk Lodewijk Stegman verwoestingen aanricht - het aquarium sneuvelt oa.. 

 Hermans liet weten dat hij er wel wat in zag. En ik overreedde de Oesterbar om die dag eerder open te gaan. Helaas, kort voor de uitzending belde de Bij namens Hermans af. Hij voelde zich niet goed. Ik deed mijn wandeling met vaste reserve, uitgever Theo Sontrop, die vertelde over zijn favoriete snackbar P.Vijn, begin Leidsestraat.

 Aan het eind keerden wij pratend terug naar Centrum-Bellevue aan de Leidsekade, waar ons opeens een bekend silhouet tegemoetkwam. Het was W.F.Hermans, gearmd met Emmy, die schie­lijk om de hoek bij Americain verdween.

 Wat hier achter zat was denk ik wantrouwen. Eens had ik als student namelijk kritisch over zijn Laatste resten van tropisch Nederland geschreven en hij had me snijdend geantwoord.

Tags: 

De droomtekeningen van Paul Klemann (2)

 'Dromen zijn een sublieme vertaling van wie je werkelijk bent,' zei Paul Klemann eens. 'Ze vertellen iets over het diepste van je wezen.'

 Zou het? Stel je de vraag aan wetenschappers als Douwe Draaisma dan krijg je te horen 'hebben dromen beteke­nis? Nee. Wat dromen zijn is onbekend. Duizelingwekkend.

 Ik denk dat Paul Klemann deze conclusies kent. Toch gaat hij unverfroren door met het vastle­ggen van zijn dromen in tekeningen. Beleve­nissen uit het onbegrepene worden over­geheveld naar de dag. 's Ochtends schri­jft hij ze onmiddellijk op, 's middags zet hij ze in kleurpotlood op papier. Hij componeert, hij regisseert zijn droomwerkelijkheid aan de hand van schetsen.

 In die dromen zit vaak humor. In Parijs moeten mensen vanwege wegwerkzaam­heden langs de huizen omhoog klimmen (1994). Of hij ‘post even een brief voor Boeddha’ (2005). Zo gedroomd of verzonnen? Doet dat er toe? Bij Klemann lopen dag en nacht, droom en werkelijkheid in elkaar over.

De droomtekeningen van Paul Klemann (1)

 In het Dromenboek van Frederik van Eeden staan 'heldere drom­en' beschreven, totaal anders dan de mijne. Hoe meer dromen ik lees en hoor, hoe beter ik begrijp dat iedereen dro­omt zoals ie is. Maar wat dat betekent?

 Paul Klemann tekent dagelijks wat hij gedroomd heeft. Zegt hij. Hij doet dat al jaren. In het Arnhems MMKA hangt een selectie. Hij 'tekent zijn dromen uit' staat er. Want dromen kun je natuurlijk niet schrijven of tekenen, je kunt ze alleen dromen. Wat je er daarna mee doet is vorm geven aan herinnering. En, al tekenend verandert zo’n droom weer.  

 'Ik probeer te kijken in een wereld waar het eigenlijk ver­boden is om te kijken, want als je wakker wordt vergeet je alweer veel. Wat ik vasthoud is maar een fractie,' zegt hij. Klemann ziet zijn droomwereld als een 'stream of d­reamyness', een stroom van beelden en associaties waar hij met het em­mertje van de geest uit putst. En daarbij als een verboden rijk.

 'Shit, dit beeld is echt' zegt een man die een Christusbeeld aanraakt, dat op de bank zit (1998). Of 'De failliete dierentuin' waar een centaur met een baard onze held betrapt bij het in dozen pakken van wat er uitziet als amoeben.

 De 'Visvoet pietà' (2005) is onbegrijpelijk overtuigend. Net als het even veelbetekenende 'Toeteren door lege WC-rolletjes’ (2005). Hoe licht of zwaar neem je droomvoorstellingen op? Dat lijkt me een van de grootste raad­sels van dromen. Het gruwelijke kan daar vederlicht zijn, of juist omgekeerd.

 Maandag in de Avonden meer.

De kieren van Félix Vallotton

 Félix Vallotton (1865-1925) is voor mij vooral de schilder van het tussenbeide, het net niet. Kamers en suite, vestibules, anti-chambres. Er gebeurt iets, even verderop in dat zelfde huis. Je weet ook eigenlijk wel wat, maar durft - als buitengesloten kind - niet te gaan kijken.

 Een hoed en een wandelstok op een stoel. Een deur op een kier. Het zicht op een fragment van een bedrand. En steeds de omineuze schaduwkleur rood, tegen het paars aan. Er is meer en anders van hem, maar het raadsel ligt hier. En wordt versterkt door de patronen in behang, tapijten en goed-burgerlijk meubilair.

 Vallotton schreef ook. Onder meer de roman 'La vie meurtrière', vertaald als Het moordende leven. En van hem is de regel 'Wat heeft de man toch voor ergs gedaan dat hij die angstaanjagende gezellin moet ondergaan die de vrouw is. Het lijkt erop dat het tussen de seksen alleen kan gaan om winnen of overwonnen worden.'

 De grote Vallotton-tentoonstelling die nu nog in Parijs is komt in febru­ari naar het Van Gogh. Eindelijk de kans om wat ik op plaatjes ken in het echt te zien.

 

De Intocht van Christus in Brussel

 Van James Ensor (1889). Daar zit het allemaal in. Heel 'De eeuw van Brussel (1850-1914)' zoals beschreven door Eric Min samengevat in een enkel schilderij.

 Christus is er wel, maar toch hooguit als bijfiguur, een dorps­gek op een ezeltje. Waar het werkelijk om gaat is de menigte, 'la foule'. Wat doen menigten? Ze trekken op. Liefst met banieren en spandoeken. De optocht als doel in zichzelf, daar gaat het om. En dat wel gezien op een van de in grootse Parijse stijl aangelegde nieuwe boulevards.

 Min - ook schrijver van een Ensor-biografie - vertelde me dat James Ensor later verscheidene van die teksten heeft overgeschilderd. Waarom? Hij was eigenlijk tegen alles en iedereen, de kerk, het koningshuis, het kapitaal, zichzelf. Toch liet hij 'la sociale' staan.

 Ensor heeft het reuzendoek veertig jaar op zijn Oostendse zolderruimte gekoesterd. Het kon er zelfs niet rechtop staan. Pas in 1929 wordt het naar beneden getakeld en op een vrachtauto naar Brussel gebracht.  

 Ensor poseerde graag als de artiste maudit, zegt Eric Min. Hij is het toch die daar als verlosser - met een valse baard - de ondankbare grote stad binnenrijdt op 'n ezeltje, en door de massa verzwolgen wordt. Carnaval, een politieke betoging, een processie, het komt alles op het zelfde neer.

 

Mens en berg (1)

 Het Hollandse misverstand over de Alpen is beheersbaarheid. Er sluimert daar halverwege Noord en Zuid een monster. Vrees het. Je weet het nooit met de berg. Dat weten bergbewoners.

 Miek Zwamborn schreef 'De duimsprong'. Een boek over mens en berg. Ze verkent ze, te voet. Op zoek naar een man die de bergen in ging en niet terugkwam. Maar ook in de archieven. Waarom gaan mensen de bergen in? Wie De duimsprong leest denkt 'om te verdwalen'. Of te verdwijnen, zoals de figuur Jens in dit boek. Weerberichten wegen er zwaar.

 Het is lang geleden dat de Nederlandse literatuur de Alpen nam als wat ze zijn: machtig en onvoorspelbaar. Miek Zwamborn vertelt je wie ze zijn.

 Lord Byron overnachtte op weg naar Italië - de oversteek duurde in 1817 vele dagen - bovenop de Simplon, waar hij een gedicht schreef dat hij achterliet onder een steen.

 Mist en onweer blijven levensgevaarlijk. De duimsprong: 'Dan betrekt binnen een paar minuten de hemel opnieuw. Al voor de eerste bliksem horen zij steenslag. In de kom begint alles te schuiven. De muren storten in. Losgebroken stenen rollen van grote hoogte naar beneden. Het noodweer sluit hen in. Weggedoken onder een overhellende rots zien ze toe hoe alles broos lijkt te zijn geworden.'

 Later meer. Ook over de Sebald-achtige foto's.

Kapseizend paard

 Als de Brusselse dichteres Els Moors haar tweede dichtbundel 'Liederen van een kapseizend paard' noemt en ik denk na lezing ‘precies goed die titel’, wat is er gebeurd?

 Zij weet wat ze doet. En ik herken. De paardensprong uit het schaakspel. Opzij en dan vooruit, of vooruit en dan toch weer opzij. Het hinken op gedachten. En dan, niets ingrijpender dan een echt paard dat struikelt en valt. Kapseizen is het goede woord, want paard en schip zijn zo uitgesproken bedoeld voor juist die ene beweging. Afwijken daarvan voert tot catastrofes. Dat is de inzet. Bij Els Moors geen half werk. En temidden van dit al kom ik maar één baken tegen: een moeder.

 

oh mijn moeder

en haar wonderlijke woestijnkleuren

morgen schuift ze op

tot ze schaduw heeft gevonden

 

rijgt ze me aaneen

 

uit water bloemen

glas en ramen

en het devote kraken

van haar knieën

 

thee moet uit bladeren

worden getrokken en tranen

op hun beurt uit thee

 

het leven dat ik in de echte wereld leid

 

een geheim dat ze me nog

toevertrouwen zal

Tags: 

Laatste Avonden

 Het radioprogramma De Avonden (sinds 1995) houdt per 1 januari op te bestaan. Het antwoord op de vraag waarom geef je het best met twee plaatsnamen: 'Hilversum' en 'Den Haag'.

 Jeroen van Kan wil De Avonden gedenken op VPRO's boekensite en vroeg medewerkers van het eerste uur Wim Brands, Anton de Goede en mij elk vijf gesprekken te kiezen met schrijvers of dichters 'die ons altijd zijn bij­gebleven'. Die zet hij dan de laatste drie weken van het jaar online. 'Het is een bescheiden bijdrage aan de uitvaart,' aldus Jero­en, 'maar toch'. En of we bij elk gesprek een notitie wilden maken. 

 Ik koos: mijn gesprek met W.F.Hermans over zijn voorlezen van De God Denkbaar in 1995, het roeien met Willem Brakman over de Scheveningse Waterpartij in 2001, Rudy Kousbroek, die in 2002 uitlegde waarom het onmogelijk is een schrijfbureau op te ruimen, de expeditie naar het geboortehuis van Anneke Brassinga in het bos bij Schaarsbergen in 2011. En mijn bezoek aan A.L.Snijders - toen een onbekende leraar aan de Politieschool in Lochem die weleens in de Avonden te horen was - in 2003.

 Snijders adres bleek een conglomeraat van scheef tegen elkaar hangende boerenhuisjes. Bij onze rondgang wees hij welke gedeelten van dit bouwvallig geheel hij in de loop der jaren had bewoond. Verlaten werkplekken, waar vaak nog sporen waren achtergebleven, meubels, stapels papier. Alles vochtig en koud, want er werd alleen gestookt in zijn meest recente verblijf.

 Ik verklap wat we onderweg aantroffen: een geheel uitgedroogde en daardoor gemummificeerde dode kat, die nog steeds rechtop zat.

 Tenslotte kwamen we in de centrale ruimte. Dat bleek te zijn: een volledige geëquipeerde werkplaats met werkbank en zaagmachine. Daar ontdekte ik de kern van zijn bestaan: het overeind houden van dit huis. Want steeds was reparatie nodig, door verval, het kruipen van boomwortels onder draagmuren etc.. Kortom, radio van het soort dat je op de Hilversumse zenders - behalve diep in de nacht - niet vaak meer zult horen.

 

Tags: 

Pagina's