Karisma D'souza

 Laatste middag van de Open Rijksacademie.

 Grapje van Admire Kamudzengerere uit Zimbabwe: een prikbord vol gele notitieblaadjes die zeggen 'I will be back'. Wat geïllustreerd wordt door een grote kamerplant waarvan de uitgevallen bladeren over de vloer verspreid liggen. Admire, die ik vorig jaar sprak, is er niet.

 Tim Breukers maakt beelden van klei, vrij naar de klassieke gipsafgietsels die de Rijks nog bezit. Maar dan anders: een manshoge vrije fantasie naar zijn holle kies, stenen pita's en kroketten. 

 Mijn favoriete was de niet-grappige Indiase D'souza. Zij schildert preciese interieurs die uitgeven op even preciese, weidse landschappen. Met de interieurs is iets aan de hand. Ze evenaren de landschappen in leegte en netheid. Er staat niets op een vensterbank, een aanrecht, ijskast of fornuis. De indruk: deze bewoo­nster wil dwangmatig haar boel aan kant. Net als haar uitzicht.

 Nu weet ik dat er mensen bestaan die bossen slordig vinden omdat er denneappels rondslingeren. De bewoners van de huizen van D'souza zouden ook erg nerveus worden van z­o'n rondsli­ngerende denneappel.

 Binnen en buiten heerst de zelfde orde. Dit wordt des te raadselachtiger als je weet dat wat ze afbeeldt stamt uit een wereld van herinneringen. Er is iets gebeurd, maar wat?

Handschoen

 Kenneth, de jongste van de gebroeders Caulfield - die in Catcher in de Rye Allie zal heten ‑ is behalve baseballfan ook literatuurfreak.

 Zo komt het dat de twaalfjarige op de vingers van zijn baseballhandschoen literaire citaten heeft staan, zodat hij in het veld kan blijven lezen. Van Robert Browning: 'I would hate that death bandaged my eyes and forebore, and bade me creep past'. Losjes vertaald als 'Ik zou het verafschuwen als de dood mij zou blinddoeken en me zou beletten en verbieden er omheen te sluipen.' Niet zo'n vreemd citaat voor een jongetje met een hartkwaal, zegt de verteller.

 Een eerste honkman heeft soms lange pauzes, zeker als zijn team aan slag is. Ik weet ervan uit het voetbal. Soms, toen het totaalvoetbal nog niet was uitgevonden, had je als verdediger lange tijd niets te doen. Je stond te vertinnen met een krant onder je shirt.

 Ik was twaalf, net als Kenneth. We speelden uit tegen VUC, op het oude terrein met de houten tribunes langs de spoorbaan. We stonden 4-0 voor. En ik kon ik mijn ogen niet afhouden van de treinen achter het andere doel. Zou er een loc uit de nieuwe serie 1000 voorbij komen? En ja, er kwam er een, die me zo afleidde dat ik pas bij m'n positieven kwam toen de bal al achter me in het net lag.

 Dat Kenneth rood haar heeft, net als ik toen, kan geen toeval zijn. Hij verbrandt in de zomer, zegt Salinger, 'op de manier van roodharigen'. Met roodharigen is vaak wat.

Tags: 

Salingers surrealisme

 Van de drie nu verspreide onbekende verhalen van J.D.Salinger is The Ocean Full of Bowling Balls (1942) veruit het merkwaardigste. Zeker loopt het in karakters en toon vooruit op Catcher In The Rye - en Franny and Zooey - maar er gebeurt nog iets. Iets dat verder in Salingers werk niet voorkomt.

 De titel zegt het: een zee vol bowlingballen. Je denkt aan een schilderij van Magritte. De bowlingballen komen voort uit een verhaal dat Vincent, de oudste van de drie broers Caulfield, aan het schrijven is. Over een man die van zijn vrouw niets mag dan eens in de week bowlen, wel met zijn eigen bowlingbal. Niet alleen sterft de man, ook de bal wordt het huis uit gegooid.

 Dat vindt de twaalfjarige Kenneth Caulfield, jongste broer en hartpatiënt te erg. Hij eist dat Kenneth het eind verandert. Die gooit het verhaal weg.

 Dan gaan de broers naar zee. Kenneth wil per se zwemmen, al wordt de lucht donker en is de zee plotseling vol bowlingballen. Hij overleeft het niet. Hoe de zee zo plotseling vol bowlingballen komt wordt door Salinger niet verklaard. De enige aanwijzing die de lezer heeft gekregen zit in het door Kenneth afgewezen verhaal van z'n broer. Wat Salinger betreft zijn bowlingballen dodelijk.

 Een prachtige manier om onbestemde dreiging weer te geven. Al heeft hij zich nadien niet meer zo ver buiten de werkelijkheid begeven.

 ps. Het verhaal werd eerst afgewezen door Harpers Bazaar en later door Salinger teruggetrokken.

 

Tags: 

Maria Lassnig (1)

 Van Juhani Pallasmaa leerde ik dat de zintuigen aan samenspel doen. Al­lereerst zijn ze in de evolutie begonnen als verfijningen van een stukje huid. Het oog, het oor, de neus, de mond, de tastzin, het zijn gespecialiseerde delen van de huid.

 Pallasmaa, die een handboek voor architectuurstudenten schreef (‘Eyes of the skin’) pleitte voor gebouwen die niet alleen het oog behagen. Maar wat te denken van de beeldende kunst? Zou daar het monopolie van het oog te doorbreken zijn? Er is veel geprobeerd, weinig gelukt.

 Vandaag schreef Janneke Wesseling in het NRC over de 94-jarige Weense Maria Lassnig: 'Schilderen met gesloten ogen'. Ze exposeert in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle bij Gent. Lassnig schildert wat ze noemt lichaamsgevoel. In een inter­view zei ze hoe het begon: 'Ik zat in een stoel en voelde hoe die tegen me aan dr­ukte. De sensatie van het zitten. Daar con­centreer ik me op terwijl ik teken. Moeilijk. Een zittend achterwerk niet tekenen omdat je weet hoe het eruit ziet, maar het gevoel van een zittend achterwerk.'

 En zo probeert ze de geheimen achter dagelijkse lichaamsroutine te schilderen: zitten, staan, liggen. Ik moet naar Deurle.

Zo vader, zo zoon

 Zelden zo geschrokken als toen ik voor het eerst een licht versnelde geluidsband van mezelf hoorde: onmiskenbaar de stem van mijn verafschuwde vader.

 Geen woord dat in het spraakgebruik meer misbruikt wordt dan 'genen'. Erfelijkheid is een gecompliceerd proces over genera­ties, maar het hemd blijft nader dan de rok.

 Like father, like son, van de Japanse meester Kore-eda gaat over de onuitroeibare fictie van de 'banden des bloeds'. Het 'dat heeft ie van z'n vader, dat van z'n moeder,' van de wieg tot het graf. Het moet doodangst zijn die daar achter zit. Het woord zegt het, men wil zich 'voortplanten'. Als zo'n kind niet op je lijkt, zoals in deze film, dan is er iets mis. En jawel, in het ziekenhuis waren baby’s verwisseld. Dat moet worden rechtgezet als ze zes jaar oud zijn. Het bloed spreekt.

 'Dat verklaart alles' zegt de vader als hij merkt dat 'zijn' zoon - het bezittelijk voornaamwoord spreekt - geen aanleg voor pianospelen heeft. Letterlijk alsof zijn eigen voortbestaan op het spel staat.

 Goddank kom ik uit een gezin met drie totaal verschillende kinderen. Die geen van drieën op hun vader lijken. Net als in deze film werd wel over 'de melkboer' gesproken. Het houdt nooit op.

Arjen Duinker (1)

 Duinker vertelt van de kleinste bestanddelen van zijn gedich­ten: let­ters, die zich aaneenrijgen tot let­tergrepen en woor­den. In die volgorde. Wat er dan komt te staan - heel gewone woor­den als rood, stoel of wereld - aarzelt over z'n betekenis. Als ie woorden als man of tafel gebruikt ziet hij helemaal geen man of tafel: 'Ik zie helemaal niks.'

 Een omgekeerde wereld. Ik zeg dat men in de poëzie toch wel spreekt over het 'onder woorden brengen' en hij antwoordt dat hij nog nooit iets onder woorden heeft gebracht.

 Vanmiddag met Arjen onder Delftse luchten gewandeld - de zijne, hij is er geboren en nooit weggegaan - pratend over de 'Autobiografie tot op de dag van vandaag', die over twee weken moet verschijnen. Een ongewone onderneming voor een dichter die nooit omkeek, lang heeft geleefd zonder belangstelling voor zijn eigen vroeger. Zelfs dacht dat hij zich niks herin­nerde. Dat hij geen verleden had. Terwijl hij er toch dagelijks midden tussen fietst. En nu? Grijpt het hem naar de keel?

 Hij lacht de uitbundige Duinker-lach die alles open laat. Waarom deze Autobiografie? Hij wilde iets doen dat hem tegenstond. Zoals de poëzie zelf, toen hij ermee begon hem ook vrese­lijk tegenstond. Dichters vond hij aanstellers. En daarom juist. Later meer. Ook in de Avonden.

Tags: 

I.M.Gerrit Krol

 Gerrit Krol is gestorven. Zijn laatste roman 'Duivelskermis' is een heel on­gewoon boek. Een vreemd boek vond hij ook zelf toen ik bij hem was in 2007.

 Al een jaar of zes had hij toen Parkinson. Geest en lichaam werden steeds moeilijker te besturen. Om te kunnen functioneren kreeg hij het dopamine vervan­gingsmiddel Levodopa. Maar dit had - althans bij hem - ernstige bij­werkingen. Het schiep demonen. En dat is wat de hoofdpersoon in 'Duivelskermis' overkomt. Hij leeft in een Jeroen Bosch-achtige wereld.

 'De demonen bestaan,' zei hij, 'op het moment dat je ermee te maken krijgt meer dan iets anders ook. Ze bewegen, je gelooft erin. Al het andere heeft minder waarheidsgehalte. Je vraagt je niet af waar je bent of hoe het kan, het is allesoverheer­send. In mijn geval op tamelijk rustige manier. Die rare beesten of mensen ontstaan doordat je medicijnen neemt. Zo'n stapeltje kranten dat wordt iemand. Rond die boeken daar ontstaat een begin van angst. Tussen die witte en grijze map zitten ogen die je gemeen aankijken, die ogen volgen je.

 Je kunt er niks aan doen. Ik zie overal wat. Dan ga je omzeilen. Je ziet dat hij jou ziet. Er zijn ook lieflijke. Poppetjes, kinderen, vrouwen. Ze komen naar je toe. Ik was verbaasd dat het me zo aangreep. Dezelfde bloemen op een sprei, maar ze bewegen, ze komen op je toe.'

 'Hij is in de war,' zeiden ze.

 Is hij doodsbang? 'Nee, wel bij kwaadaardige demonen. Die zijn doorgaans lelijk, onaangenaam. Tegen de nacht neemt het af omdat je moe wordt. Dus ze bestaan niet buiten je. Wat je ziet? Demonen zagen een schilderij middendoor, kleine jongens plassen in een hoek van de kamer, maar als je controleert is het daar droog.'

 Een boek schrijven kon. Schrijven en toekijken tegelijk. Leven en jezelf zien. Het voornaamste was de angst weg te raken. Het contact met de werkelijkheid.

 'Ik ben er nog. Dat je niet verloren gaat.'

 

Tags: 

Betonnen geluk

 Geluk komt voort uit ongeluk. Je valt binnen in een film. Wat je op het doek ziet is allereerst beton. Bij grijs weer. Dan hoogspanningsmasten en roodwit geschilderde schoorstenen.

 Een elektriciteitscentrale. Hij blijkt gefilmd in 8mm. En vertegenwoordigt, zo merk je geleidelijk, een onuitsprekelijk geluk. We zijn in Litouwen, maar onze rondleider is een Rus. Die ons eerst het wonder van de elektriciteit ver­telt: let op, het is donker, je ziet geen hand voor ogen. Dan worden er buizen en draden aangelegd en nog is het donker. Pas als de centrale gaat werken komt er stroom en licht in de duisternis. 

 De film vertelt het verhaal van het licht. Toen na de dood van Stalin in 1953 door toedoen van Chroestjov gevangenen vrij kwamen uit de Siberische kampen werden die op plaatsen te werk gesteld als deze. Zie de flatjes waarin ze mochten wonen in de nieuwe stad Elektrenai! Twaalf uur per dag werken aan de bouw van een centrale deerde ze niet, al waren er tijdens de bouw wel twintig dodelijke ongevallen. Zie de prachtige muurschilderingen in het gebouw! Ze waren vrij.

 In 1991 werd Litouwen zelfstandig, maar de Russen bleven en de centrale draait nog steeds. Een monument van geluk. In 2008 won de Lithouwer Deimantus Narcevicius met dit betonnen sprookje de Vincent Award, de tweejaarlijkse Europese kunstonderscheiding: Energy Lithuania (2000). Nu te zien in het Haagse GEM.

Hermans (2)

 In de VIP-room, bovenin het oude BRT-gebouw aten we tijdens de middagpauze bij de Denkbaar-opname met Fred­dy de Vree en de technici. Ik permitteerde me de opmerking dat ik om Denkbaar toch ook wel had moeten lachen. Hermans: 'Ja, ik had twee nichtjes waarvan er één een beetje debiel was. Die hadden ook zo moeten lachen.'

 Er was rode en witte wijn. Daarna, tijdens de middagsessie moest ik na een uurtje de opname stoppen wegens ‘dubbele tong’ van de voorlezer. Ik zei hem dat. Hij protesteerde, had heel goed gearticuleerd kunnen lezen met een glaasje wijn op, vroeger. Maar ik hield voet bij stuk en we spraken af ‘geen wijn bij het eten morgen’.

 Freddy kende ik als 'Hoofd Woord' bij de BRT. We maakten later het Archief W.F.Herm­ans, alle in­terviews met zijn vriend door de jaren heen, becomment­arieerd door hem in tien delen. Tussendoor kreeg ik nog veel te horen. Zoals Freddy's verhaal over hoe hij met Emmy en Wim op en avond over het Brouck­èreplein wandelde. Wim voorop, hij met Emmy op enige afstand, want Wim was dronken. Voor Hotel Metropole stond een bedelaar met een plastic bekertje vol munten, waarmee hij rammelde. Freddy: 'Je kon goed zien wat Wim in de zin had, hij wilde in het voorbijgaan, zwierig, wat kleingeld uit z'n zak halen en in dat bekertje doen. Maar hij was zo dronken dat het helemaal mis ging. De munten kwamen naast het bekertje terecht, dat hij de man ook nog uit handen sloeg, zodat die - voor het volle terras - zijn geld van het trottoir bij elkaar moest gaan rapen. En, Wim? Die stapte gewoon door, die had niks gemerkt.

 Dit en meer vind je niet in Freddy's ontroerende hagiografie 'De aardigste man ter wereld'. Ook niet zijn schimpscheut over het verhaal hoe Hermans 's nachts als ie niet slapen kon koffie zette en zijn eigen boeken ging lezen. Freddy: 'Huh? Koffie? Dat was wel whiskey hoor.'

Hermans (1)

 Pas over drie dagen ligt Otterspeers Hermans-biografie in de winkel. Tot 1951, en dan al 800 pagina's. Juist naar dat vooraf­gaande ben ik benieuwd. 

 Hoe en waaruit ontstond de man die ik tussen kerst en Nieuwjaar 1994 ontmoette in de studio in Brussel en bezocht in de Brusselse Atrebatenstraat, niet ver van het Jubelpark? Als bij veel Belgische huizen was de begane grond een garage, maar een auto stond er niet. Wel een heel lange Lundiastelling vol boeken. We liepen erlangs. Deels vergeelde of vergrauwde paperbacks waar beschreven of betikte papiertjes met aantekeningen uit staken.

 'De Nederlandse literatuur,' zei Hermans.

 Boven, in het woonhuis liepen we nog wat rond, tussen planken met oude schrijfmachines en meer boekenkasten. We namen plaats op het door kattennagels opengehaalde leren bankstel aan een laag glazentafeltje. Een poes meldde zich. Voor het radiogesprek kon beginnen moest ik een schuldbekentenis tekenen. Daarvoor had Hermans een stapeltje vierkante notitiepapiertjes klaar liggen, bijeengehouden door een papierklem in de vorm van een koperen schelp. Ik herkende de 'pecten' het gidsfossiel uit De God Denkbaar, het boek dat hij de dagen tevoren in de BRT-studio had voorgelezen. Gekocht op het Vossenplein, zei hij erbij.

 'Schijft u maar op: Hierbij verklaar ik...'.

 'Jee, zei ik, moet dat wel zo?'

 'Dat weet ik ook niet. Maar dat geeft niet, schrijft u maar op.'

 En zo was ik hem duizend gulden schuldig. We spraken over de muziek die hij bedacht had bij de uitzendingen van 'Denkbaar', het Gesang der Jünglinge van Stockhausen.

 'Dat gaat over jongemannen die in het inferno naakt moeten dansen op een gloeiende plaat. En weet u wat nu het wonder is? Naarmate die plaat heter wordt zingen ze mooier.'

 Als biograaf zou ik hier een aantekening maken.

 ps. Gesang der Jünglinge komt uit het bijbelboek Daniel.

Pagina's