Selfish giant

 Schroot. Dat is wat je ziet, daarin wordt gehandeld. Ook in Bradford, Engeland levert koper veel op. Maar wat de film over twee lowerclass boefjes met het sprookje over de zelfzuchtige reus van Oscar Wilde te maken heeft?

 De film van Clio Barnard past in de kitchen sink traditie van Ken Loach en Mike Leigh, waarin je de Engelse klassenmaatschappij terugziet.

 Het blijft kijken naar een wereld die je vreemd is. Harde mannen, jongens die niks liever willen dan ook zo'n man worden. Moedervrouwen die niets vermogen als er eentje weigert nog naar school te gaan. Schroot, wat een metafoor! En dan waar het beetje liefde naar uitgaat: paarden. Werkpaarden, renpaarden. Het ziet er goed uit, maar wie ben ik?

 Wat ik ervan weet heb ik van een paar jongens op de lagere school en dat ene asociale gezin in de straat. Daar leerde ik voor altijd dat ik een burgerjongetje, een bleekneusje was. Dat er grenzen liepen.

 Een vriendje dat ik meenam van school en dat mijn vader niet netjes begroette met 'dag meneer' en geen handje gaf werd door hem spoorslags aan zijn oor het huis uit gevoerd en op straat gezet. 'Dat soort, daar zijn we hier niet van gediend.'

 Deze film zou dus beoordeeld moeten worden door Japie Grilk of Hempie van Geffen en niet door mij.

Trapje

 Op haar tentoonstelling 'Mistakes I've made' bij galerie Annet Gelink combineert Sarah van Sonsbeeck geluidwerende materialen als een doosje oordopjes, een eierdoos of een stuk piepschuim, die ze heeft verguld met wat er uitziet als platen met daarop het afsnijsel van haar verguldingswerk, zoals het per ongeluk op de vloer neerkwam. Opeens zien die opgehangen vloerstukken eruit als sterrenhemels.

 Daar midden tussen staat een voorwerp dat ook al ruimte schept. Een laddertje, waarop een plank rust. Heel herkenbaar het soort obstakel dat internationaal wordt neergezet om een parkeerplaats te reserveren. Dit in Istanbul op straat gevonden voorwerp werd - Duchamp getrouw ‑ door haar gekopieerd (2011‑2013). Het stond tegenover haar studio een parkeerplaats vrij te houden en bracht zo een ander van haar thema's - ontvreemde ruimte - binnen.

 Ik dacht, hee dit ken ik en herinnerde me hoe Louis Lehmann een paar grachten verderop ook eens een keukentrapje zag dat daar om de zelfde reden stond. Alleen Louis - geen automobilist ‑ begreep niet wat het trapje daar deed. Hij schreef er dit gedicht op. In 2008 verschenen in 'Teruggevonden gedichten' met foto van Alida Beekhuis.

 

 Er staat een trap op straat,

Een oude trap om nee tegen te zeggen,

Een trap die je niet zou toestaan je aan te spreken,

Een trap die je niet in je huis zou dulden.

 

Poëzie

 Toen ik Louis Lehmann eens aankondigde als 'dichter en schrijver' maakte hij bezwaar. Hij zag geen reden sommige tekstsoor­ten gedichten te noemen en andere proza. Hoe dan? 'Zeg maar gewoon schrijver. Ik schrijf toch?'

 Zoiets als de VSB-prijs - die morgen wordt uitgereikt - was in zijn ogen onzin.

 In het Tijdschrift Terras, waarin tekstsoorten dwars door elkaar staan trof ik bij de vermakelijke 'Verwarde note­n' van Jean-Michel Espitallier een weerwoord: 'Poëzie (geeft) de taal wat rust, frist haar op, laat haar ontsp­annen, hangt haar op (aan de waslijn), shampoot haar (Schuim! schuim! 'zacht van de zeep de tong losmaken', Francis Ponge), of integendeel, verhit haar juist, laat haar blozen (van schaamte/van warmte)' en zo nog veel verder.

 Louis Lehmann zou zeggen 'Hm..'. En ik denk, je kunt het beter doén. Laat anderen dan maar uitmaken of ze wat je schrijft poëzie willen noemen en er prijzen voor willen geven.

 Een levend voorbeeld. De dichter Frank Koenegracht ging met zijn Geeske naar een vakantiehuisje op Terschelling. Toen ze na een week binnen zitten - en drinken - vroeg 'Wanneer gaan we nou eens naar zee?' zei de dichter 'Ík ben de zee'.

Alice Munro (4)

 Ze heeft zelf genoteerd dat haar verhalen sinds haar debuut in 1968 ongewoner werden, meer sprongsgewijs in elkaar zaten en meer van de lezer eisten.

 Maar wat lucht het op eens niet langs versleten verhaallijnen te lezen. Er komt bij Munro altijd zomaar iemand binnen, het begint te sneeuwen of een herinnering dringt zich op. En je denkt 'ja, zo werkt het bij mij ook'.

 Net lees ik 'Before the change' uit de bundel 'The love of a good woman' (1998) met bij uitzondering een ik-figuur. Munro schrijft zowat nooit direct autobiografisch. Ze kijkt en luistert nauwgezet naar wat er omgaat tussen mensen in kleine gemeenschappen, gezinnen, bedrijfjes. Een Amerikaanse traditie, lijnrecht tegenover de Europese ego-cultuur.  

 Hier logeert een dochter voor het eerst in jaren bij haar lastige oude vader, een intellectuele huisarts met een hobby in geologie die geen tegenspraak duldt, en zich voornamelijk uit in een repertoire van zuchten, kuchen of nog luidruchtiger neus-keel geluiden. Al maakt hij een uitzondering voor zijn volkse huishoudster. Wat die niet weet laat haar niet alleen onverschillig, ze veracht het. En gek genoeg, dat respecteert hij.

 In de slotscene krijgt zijn dochter eindelijk de kans tegen haar vader te zeggen wat haar al jaren dwarszit. Ze praat en praat. Hij zit in de schaduw, luistert onbewogen.

 Dan komt de huishoudster binnen en zegt 'zie je dat dan niet, die man is dood'.

Tags: 

Jan Pollet

 Gister kwam een pakketje uit Gentbrugge, waarin 'Wit is beter in kleur'. Een uitgave van Stanza, met teksten van Jan Pollet en illustraties van Piet Pollet. Bijschrift: 'Een kleine avant première uit "O Scenario" van Pollet en Pollet'. Het begint met dit motto:

 'Daar! Een

kruispunt!!

Snel er

naartoe!'

 En de laatste tekst gaat zo:

 

 'Hoe ver nog tot point of no return?

Wanneer begint iets

uit zichzelf?

 

Alles is nog 'under construction'

Tot ons twijfelen toe.

 

Nogal zenuwslopend.

 

Je vraagt je af wie Finderz zou kunnen zijn.

Er is maar een manier om er achter te komen:

door zijn biografie te schrijven.

 

Je schikt je haar in de spiegel.

 

Een witte vlakte strekt zich uit

je meet je met het tafelblad

 (doek)'

Achterin wordt vermeld dat tekst en tekeningen zijn ontstaan uit de grafische strip 'O Scenario' op de site Toofisme. Het achterplat is zwart en zegt in witte letters:

Cut!

(Staat de traan er goed op?)

Tags: 

Geest

 Soms is lach de hoogste lof. Toen ik vanmiddag in Oranjewoud, kijkend naar schilderijen, een paar keer overvallen werd door eigenaardige tintelingen wist ik dat er iets aan de hand was.

 Voor wat Neo Rauch, Daniel Richter, Emo Verkerk, Marijke van Warmerdam of Zang Xiaogang bij me opwekten weet ik geen ander woord dan geest. Zoals mijn vriend Johnny van Doorn het woord gebruikte in zijn 'de geest moet waaien'.

 Het begon al met de mij onbekende Thoralf Knobloch (1962) en zijn schoorsteen. Nee, Groningen was niet ver. En de scheuren in de baksteen - midden in beeld - onmiskenbaar.

 De voorstelling 'Duck' van Marijke van Warmerdam maakt het nog bonter. Slootwater blijkt spiegelglas, waaruit ze een scherf heeft gelicht die ze ons omgekeerd voorhoudt. En ik spiegel me. Vreemd genoeg komt me dit alles volkomen plausibel voor.  

 Het was druk in museum Belvedère bij 'Facing nature'. Dwaze titel, maar het kind moest kennelijk een naam hebben. Om me heen stonden ernstige peinzers te kijken naar wat het fortuinlijke echtpaar Henk en Victoria de Heus zoal verzamelt. Eerder zag ik al iets van ze in Singer, Laren, maar dit was internationaal, vooral Nederlands en Duits van de laatste decennia met een nadruk op ja wat?

 Over beeldende kunst en glimlachjes of erger, las ik nog nooit iets, tenzij depreciërend. Naast me legde een ernstige man aan zijn vrouw uit wat ze zag, zoals dat gaat in de wereld. Dus beet ik op mijn lip. Om vooral niemand te storen met mijn binnenpretjes.

Alice Munro (3)

 Alles zou in een men­senleven anders kunnen zijn. Je was met een ander getrouwd, of niet, woonde in een andere plaats, met ander werk. Zoals in Canada tenslotte vaker voorkomt dan hier.

 Wie doet het spel niet? Een man of vrouw tegenover je in de trein wordt een voorstelbaar ander leven. Maar nee, zo'n leven zou ook jou veranderen.

 Het is het thema in veel van Alice Munro's latere werk. Bundels als haar laatste, Dear life (2012). Verhalen, die stuk voor stuk levensportretten zijn. Je leert mensen kennen. Meestal een echtpaar. Meestal kinderloos. Met wat daar omheen hangt aan col­lega's, werklieden, een hulp in bedrijf of huishouding, familie, hun jeugd. En dan. Dit is het Canadese platteland, Ontario. Uit hun kracht groeiende dorpen. De oorlog is nog maar kort voorbij. Alles beweegt in hink-stap-sprong.

 Een kras voorbeeld is de Alzheimerpatiente in het slotverhaal van in Hateship, friendship, courtship, loveship, marriage (2001) getiteld The Bear Came Over the Mountains. Waarin een huwelijk van een mensenleven verandert in de omgang met een vreemde. De vrouw is haar huwelijk vergeten, wordt verliefd op een medepatiënt in het tehuis.

 Voor het toeval is in de literatuur maar zelden plaats. Alice Munro is een van de weinigen die onze omgang met het toeval beschrijft, hanteert. Haar hoofdfiguren, man of vrouw, zoeken machteloos, hulpeloos naar zin en logica in het zinloze en ongerijmde. In hun hart wetend: alles kan anders zijn dan nu. En dat gebeurt ook.

Tags: 

Nog 'n pompstation

 Het detail. Daar begint de film Shell mee. Al tijdens de titels - een rijdende vrachtauto - is het een ruitenwisser die zegt waar regisseur Scott Graham heen wil.

 In een landschap waar 'niets gebeurt' krijgt ieder detail betekenis. Het pompstation in de Schotse hooglanden, bemand door dochter Shell en epileptische vader Pete herbergt een tijdbom. Het bordje open/gesloten aan de deur hangt altijd op open, 's avonds de universele lichtreclame OPEN in de rode letters. Alsof het noodlot op elk uur welkom is.

 Als een toeristenechtpaar op een avond een hert doodrijdt neemt Pete het kadaver mee. 's Ochtends ziet Shell buiten een hertenjong lopen. Later weer. Kennelijk het jong van het overreden dier. De dag erop eten vader en dochter hert. Maar Shell heeft geen trek en zegt 'het is net of je je eigen vlees eet'.

 En dan. Dochter Shell benadert haar vader seksueel. En hij loopt bij avond onder een vrachtwagen. De symboliek zit zo soepel en logisch vervlochten in het dagelijks werk aan de benzinepomp dat het je maar heel even verbaast als Shell tenslotte de benen blijkt te hebben genomen, net als ooit haar moeder. We zijn terug bij het begin. De ruitenwisser.

David Claerbouts schommelstoel

 Waar bleef de schommelstoel? In de korte film Rocking Chair van David Claerbout, nu te zien in het Nederlands Fotomuseum krijg je de kans hem in werking te zien.

 In zo’n stoel op een front porch zit een zwartwitte oude dame en schommelt. Of ze wakker is of slaapt weet je niet. Iets er tussenin. Ze beweegt soms, heel traag, schiet even wakker, zakt dan weer weg.

 In die halfslaap slaagt ze er toch in haar stoel aan het schommelen te houden. Hoe dat haar slaap beïnvloedt weet ik niet. Van oudsher wieg je baby’s in slaap. Maar jezelf in slaap wiegen?

 En, wanneer ze werkelijk insliep, zou ze dan wakker worden omdat het schommelen was opgehouden? De halfslaap heeft een grote charme. Het bewustzijn blijft onder bereik. Je verliest het niet aan boze dromen.

 En dan blijkt dat je kunt omlopen, om de dommelende vrouw heen, en als het ware het huis binnengaan. Dat is de meesterzet van David Claerbout. Wanneer je de vrouw passeert draait ze even haar hoofd, alsof ze je opmerkt, je voetstappen hoort.

 Aangekomen aan de achterkant van het filmdoek ontdek je dat daar de achterkant van de schommelslapende vrouw te zien is, in de schaduw.

 'Wat moet dat daar?'

 Nee, ze praat nog net niet in haar slaap.

Tags: 

Pieter Waterdrinkers wereld (2)

 Nog steeds lees ik de proef van 'De correspondent', de volgende bundel vertellende reportages van Pieter Waterdrinker. In dit verhaal is het 2008. Onze verslaggever wordt met spoed naar Georgië gestuurd waar de pleuris is losgebroken. Net als RTL's Jeroen Akkermans en cameraman Stan Storimans, die het niet overleefde. Pieter was bij het mortuarium:

 'Op dat moment komt een witte Wolga recht op me af; achter de voorruit schemert het roodharige hoofd van Jeroen. De ziekenwagen staat stil. Jeroen beweegt zich naar buiten. Ik schrik. Hij zit onder het bloed. Het is onwerkelijk, onecht; alsof hij geschminkt is. Hoe gaat het? Mijn vraag is even absurd als ongepast.

 Ik vertel hem dat de ambassadeur in aantocht is; dat hij een ambulance heeft geregeld om hem naar een privékliniek te brengen, zodat zijn wond kan worden verzorgd. 'Nee, nee, met mijn been gaat het goed. Ik laat Stan niet alleen.'

 Hij beweegt zich stroperig; zijn ogen staan star van ongeloof.  De achterklep van de Wolga gaat open. De benen van Stan Storimans steken onder een laken naar buiten, als uitroeptekens. Zijn gympen hebben profielzolen. De brancard met het dode lichaam wordt door een stel mannen het scharlaken duister van het mortuarium binnengedragen. Jeroen licht hinkend rechts voorop. Ik loop een stukje mee, het dodenhuis in. Op een tafel schemert het lijk van een militair in uniform; ernaast drijft een vaatdoek in emmer zwart bloed.

 Van de stank deins ik terug. Zodra ik weer buiten ben, klapt de deur achter mij dicht. Met afgeknepen keel kijk ik op naar de hoge zomerhemel. Ik wil niet bestaan. Ik ben ten prooi aan een onbeschrijfelijk verdriet. Zelfhaat. Schaamte.

 Ik ben verdomme helemaal geen correspondent. Ik wil boeken schrijven. Romans. Leugens over liefde.

 Ik wil nooit meer naar dit soort gebieden terug.'

Pagina's