Het spoor (3)

 Reisde vandaag met Cyrille Offermans van Maastricht naar Liège-Guillemins, zijn bijdrage aan 'Het juiste spoor' volgend.

 De Maastrichtse stationsrestauratie bleek een HEMA-filiaal geworden, waar ik lang op Cyrille moest wachten. Zijn trein vanuit Sittard stond stil, niet ver van hier, hoorde ik bij de informatiebalie.

 Hij had vertraging opgelopen, vertelde hij later, twee keer. Eerst omdat er ergens tussen Weert en Roermond een 'aanrijding met een persoon' - zoals dat in NS-jargon heet - had plaats gevonden. En toen zijn trein eindelijk vertrokken was gebeurde vlak voor Maastricht nogeens het zelfde: 'ik hoorde plotseling gekraak van metaal op metaal en de machinist ging vol op zijn remmen staan. Toen kwamen de hulptroepen in alle mogelijke uniformen aangesneld.'

 Na een kop HEMA-koffie namen we het boemeltje naar Luik. Nog vorig jaar reed hier een Intercity, maar Nederland en Wallonië drijven uit elkaar. De taalgrens is ook hier een diepe kloof. In Luik bekeken we het meesterlijke nieuwe station van de Spaanse architect Calatrava, een man die de magie van het spoor begrijpt en weet dat een station een tempel moet zijn waar je verlost wordt van jezelf. Graffiti? In Calatrava's Guillemins? Geen enkele! Dinsdag zijn we in de Avonden te horen.

ps. Het boek is te bestellen

 

Op reis met Cyrille Offermans

Het spoor (2)

 De stoomtrein kwam pas laat de beeldende kunst binnen. William Turner was de eerste, leer ik met z'n 'Rain, steam and speed' (1844) waarop de Great Western Railway die de Thamesbrug over gaat.

 Claude Monet begon pas in de jaren '70 met treinen. In 1877 mocht hij in het Parijse Gare St.Lazare schilderen. Twaalf doeken, waarop hij vooral de zonval op de stoomwolken probeerde vast te leggen. Hij liet treinen soms zelfs wachten omdat het licht een halfuur later beter zou zijn. Het spoorpersoneel werkte mee, ontruimde perrons en propte de locomotieven vol kolen om ze de extra rook te laten uitspuwen die Monet nodig had.

 In Nederland was ene Verschuur (1848) misschien de eerste, de serieuze Haagsescholers waagden zich er niet vlug aan. Zijzelf en de kunstkopers vonden stoomtreinen in landschappen maar ontsierend.

ps. Marten Hogeweg signaleert een 'Landschap met trein' geschilderd door A. Schelfhout in 1846 nabij Leiden. En ja, 'Door het klassieke, Hollandse vergezicht trekt een ijle rookpluim, de trein is nauwelijks zichtbaar in het dunbevolkte land. De kalme tred van de paarden voor de hooikar wordt kortstondig overstemd door het gesis en geratel van de stoomlocomotief.

Het spoor (1)

 Le vrai bonheur, ce n'est que dans les gares - Anatole France

 Onder dat motto heeft Ons Erfdeel het boek 'Het juiste spoor' uitgebracht, waarin Vlamingen en Nederlanders de Bene­lux en Noord-Frankrijk bereizen. Per spoor. Afgewisseld met trein­gedichten en prozaschetsen van oa. Piet Paaltjens, Elsschot, Brak­man, Maeterlinck, Hans Dorres­tijn, Eric de Kuyper, Louis Paul Boon, Victor Hugo en zo meer. Hoe het spoor begon, en dan de gouden tijd rond 1900 dat stations paleizen werden voor de burgerij. Zowat heilige plaatsen.

 De enige Duitser in het boek is W.G.Sebald, met zijn beschri­jving van de reuzenklok in Antwerpse station (1905), in z'n roman Austerlitz: 'De klok bevond zich bijna twintig meter boven de kruis­vormige trap die de foyer met de perrons verbond - het enige barokke element in het geheel. (...) Vanaf de centrale posi­tie die het uurwerk in het station van Antwerpen innam konden de bewegin­gen van alle reizigers worden bewaakt, en omgekeerd moesten de reizigers allemaal naar de klok opkij­ken en waren ze gedwon­gen hun activiteiten daarnaar te rich­ten.'

En dan komt het: 'Maar toch,' zei Austerlitz na een poosje, 'heeft de relatie tussen ruimte en tijd zoals je die bij reizen ervaart, tot op de huidige dag iets illusionistisch en il­lusionairs, wat ook de reden is dat wij, telkens als we van elders terugkeren, nooit zeker weten of we wel echt zijn weggeweest.'

 Vrijdag reis ik met Cyrille Offermans zijn bijdrage na, van Maastricht naar Luik.

Groetprobleem

 Vanmiddag bij Anton Valens om te praten over Het boek Ont. Waarin mannenangst beschreven wordt.

 Al lezend lachte ik, vrij vaak. Herkenning zat er in die lach, zei ik, opluch­ting. 'Ik dacht dat ik de enige was,' zei Anton.

 Wat doet een angstlijder als Isebrand Schut, zijn held? Hij overweegt zich een ongeluk. Over de onvoorspelbare medemens en hoe die tegemoet te treden. Hij piekert over elke stap die hij zet. Zoals deze: 'Fietsen kostte zoveel concentratie, lopen was relaxter. Als je liep kon je nergens op worden aangesproken. Geen licht? Geen bel? Ik loop. Wie liep hoefde zelfs geen remmen te heb­ben.'

 Isebrand heeft een 'groetprobleem'. Eens was ik zelf een groetmijder, ik weet ervan. En zeg nu eens, wie moet je groeten, waar en wanneer? En hoe vaak? Dat staat toch nergens geschre­ven. Zo wordt voor Isebrand de gang naar de glas­bak - naar schatting veertig meter - al een martelgang.

Donderdag na 22.00 is Anton Valens in de Avonden te beluisteren.

Tags: 
Op bezoek bij Anton Valens in zijn Amsterdamse woning

Gouden ritsje

 'Gedachten' (1992) van Maja van Hall werd gemodelleerd in gips en daarna in brons gegoten.

 De vorm is bijna verd­wen­en, weggesleten 'als door eeuwen gebr­uik of misbr­uik', zoals ze zegt. Je ziet nog iets als een men­selijk hoofd. Het ligt op een goudsatij­nen kussen, waarvan het overt­rekje kan worden losgehaald met een gouden ritsje. Dat ontroe­rt. Ook het overtrek van een gouden kussen waarop gedach­ten rusten moet af en toe in de was. 

 Dit is dan Maja van Van Halls commen­taar op de per­fectie van beeldhouwers als Bran­cusi, of Man Ray, wiens glanzende tors toch ook op een fluwelen bedje ligt. Stom, laatst in het Gemeen­temuseum vergeten te kijken of in dat okerfluwelen bedje van Man Rays naakt ook een rits zit.

 Vanavond na 22.00 meer

Tags: 

Chantal Akerman (1)

 De heldin komt aangelopen door een lange hotelgang. Voor een deur staat een buitengezet dienblad met een bord waarop resten van een maaltijd.

 Ernaast een paar zwarte molières. Kennelijk is de bedo­eling dat het personeel ze zal poetsen. De heldin, gekleed in een bruine rok en een oker-met-bruin gestreepte blouse hurkt bij het stilleven en neemt een hapje van het eten. Dan pakt ze bedachtzaam het paar schoenen op. Er zit een ontzagwekkende erotische lading in deze scène.

 Akerman, de Brusselse filmmaakster die al zo lang in Parijs woont heeft een etage in het Antwerpse Museum voor Hedendaagse Kunst voor zichzelf. Films, of bewegende foto's. Soms kijk je naar een uitgewogen kodachrome binnen­huisje. Een ges­tucte muur, lang geleden in de glansv­erf gezet, of naar een vrouw die in al­ledaags blauwgrijs met donke­rrood interieur zwanger zit te zijn. Ademt ze? Ze ademt.

We bevinden ons voortdurend 'tussen de gebeurtenissen'. In haar film La chambre (1972) ligt Akerman in bed en eet een appel. Anders niks. Maar het beddegoed, de plooien, de kleuren!  

Maja van Hall (2)

 Zitten. Deze twee gestalten zitten, niet ver van elkaar. Allebei 'Verzonken'.

 Hun houding is die van armen om de bovenbenen geslagen, waarbij het hoofd rust op de knieën. Heel geschikt voor met z'n twee, zie ik nu. Omdat een tersluiks opkijken uit die verzinking opeens zou kunnen.

 Ik zit daar met m'n ogen dicht - bij voorkeur in een zomerse wei, het is warm, insecten zoemen om m'n hoofd, ik soes wat. Daarbij schiet me iets te binnen dat met ons tweeën te maken heeft. Ik open een oog en kijk naar je. Maak kennelijk een geluidje dat je uit je peinzen haalt. Je opent ook een oog. We kijken mekaar aan. We glimlachen. Zonder te weten waarom.

 Maandagavond na 22.00 in de Avonden meer.

Tags: 

Maja van Hall (1)

 Over staan en liggen is veel gezegd, over zitten minder.

 Er wordt veel gezeten bij Maja van Hall (75), die nu exposeert in Beelden aan Zee. Op stoelen of op de grond. Het zittende lijf vertelt verhalen. Zittende ruggen, schouders, heupen, voeten, hoofden zijn anders dan staande of lig­gende. Dat moet wel haast komen doordat er staande, lig­gende en ook zittende gedachten bestaan.

Een zittend been heeft weinig te doen, hangt vaak wat doelloos omlaag, terwijl een zittende rug zich inspant of juist nadruk­kelijk ontspant. Het zittende hoofd is nadenkerig. Heeft even vrij, staart in de verte of naar binnen. Terwijl de zittende heupen maar blijven bewegen, woelen, zoeken naar comfort. Zo keek ik naar het werk van Maja van Hall. Huiselijk, was het woord dat zich opdrong, nabij. Op straat staan weinig stoelen. En zomaar op de stoep gaan zitten doe je zelden.

En dan heb ik nog niks gezegd over het cruciale 'gaan zitten'. Het spektakel van de overgang van staan naar zitten. Later meer.

Tags: 
Anton Valens

Anton Valens (2)

 Er zijn mannenwerelden waar vrouwen niets van weten. Niet toevallig. Een man die zijn angst laat merken kan het vergeten.

 Bluf dus. En als dat niet meer lukt, verberg je. Theoretisch kun je steun zoeken bij lotgenoten, zoals de mannen van de zelfhulpgroep in 'Het boek Ont' van Anton Valens, maar helpt dat? Angst vestigt zich in het détail. Zo zijn deze mannen bang voor wat de postbode brengen zal. Ik heb een man gekend die als regel alle enveloppen die een andere kleur hadden dan wit ongeopend in de vuilniszak gooide. De zelfhulpgroep Man&Post komt me dus niet vreemd voor.

 Valens' hoofdpersonen bestuderen hun omgeving tot in détail. Zo ook de Groningse ex-student Isebrand Schut. Zijn groetprobleem wordt een zaak van leven of dood, een bron van straatangst, mensenangst. Al lezende werd ik Isebrand. Omdat ik hem ooit geweest ben. En welke man niet? Isebrand is een moderne Oblomow. Herken de symptomen. De dagen gapen je aan, je staart je blind, tot op de draad gespannen, bent blij als het donker wordt. Als je het eindelijk genoeg meester bent kun je er misschien een beetje om lachen en, nog later, wieweet over schrijven.

 Morgen wordt Het Boek Ont gepresenteerd. Komende donderdag is Anton Valens in de Avonden te horen.

Tags: 

Temperamenten

 Het nieuwe, verbazingwekkende nummer van het tijdschrift Kunstschrift gaat over 'de vier temperamen­ten', die de mensheid sinds Hippocrates verdeelde in san­guinici, flegmatici, melancholici en cholerici.

 Sinds dit Kunstschrift kijk ik anders naar oude portretten. Typische flegmatici of melancholici pik je er zo uit. En de vraag rijst of we er sinds Freud en Jung zo op zijn vooruit­gegaan? Karak­ter­typen? Tegenwoor­dig ben je een typische Aspe­rger, een ADHD-er of een Schizo. En depres­sief is ieder­een. Mensen plakken graag etiketten. Maar daar zijn modes in. Eens hadden we hysterici. Ik mis ze.

 De temperamenten en hun werking - wat moet je eten, wanneer heb je een aderlating nodig - brachten me naar Kubricks film Dr. Strangelove. De onver­getelijke scène waarin Sterling Hayden als van com­munistenangst gek gewor­den generaal uiteen­zet waar die commies op uit zijn: 'Our precious bodily fluid­s'.

 Humor betekent vocht. En daarover ging het eeuwenlang in de geneeskunde, de kunst, de wetenschap: onze lichaamssappen, bloed, slijm, gele en zwarte gal (welke laatste nooit is aangetroffen). En die opgewonden meneer Wilders? Typische cholericus, lichtgeraakt, teveel gele gal, mag geen hete saus eten. Het is hardnekkig, Rudolf Steiner wist er raad mee. En straks komt Happinez wel met een zwarte gal-recept.  

Pagina's