Kapitein (slot)

 Hier is ie, mijn grootvader de kapitein voorgoed aan wal, in 1932. Met echtgenote Co en de haan Petrus. De stok waarmee hij liep staat in de hoek.

 Wat voorafging in de boeken van de Holland-America Line: '4 okt. Hospitalized Havana. Stroke' en '1 april 1932. Dismissed and put on standby wages.'

 Die wages waren gering. Mijn moeder moest zo snel mogelijk onderwijzeres worden.

 Hier de laatst bewaarde brief die hij haar als kapitein schreef. Mijn moeder heette Robbi of Robby. Omdat haar oudere broer Bob heette had de kapitein een tweede jongetje gewenst dat Rob zou heten: Bob en Rob. Toen het een meisje werd hield hij koppig vast aan die naam en heette het meisje 'Robby'.

 

Tags: 

Hariton Pushwagner (2)

 Rond 1970 waren strips niet meer wat ze eerder waren. De klassieke verhaalvormen van Kuifje en Donald Duck bleven bestaan, maar lossere vormen doken op in de Amerikaanse 'unde­rgr­ound'.

 De ZAP-comix van de club rond Robert Crumb vonden razendsnel navolging, overal in Europa. Underground in muziek en strips was van grofweg 1965-1975 internationaal, het esperanto van de hippiebeweging. Bij ons had je Joost Swarte, Aart Clerkx, Mark Smeets, in Noorwegen dook Hari­ton Push­wagner (1940) op, wiens werk nu in Boijmans in Rotter­dam te zien is.

 Maar gek genoeg komt Robert Crumb in de uit­voerige catalogus niet één keer voor. Terwijl Pushwagner toch rond 1970 in Londen woonde, LSD gebruikte en muzikanten en Crumb-fans als Steve Winwood, Rod Stewart en Pete Townshend goed kende. Nu verzwijgt hij die undergroun­dkant en beroept zich liever op Roy Lichtenstein of zelfs Jan van Eyck. Vreemde verdeftiging. Zijn tekeningen voor het stripboek Soft City (1969-1975) zijn toch zeer verwant. Neem de a­nimatiefilm waarin een dag uit het leven van Family man en echtge­note wordt samengevat: ze nemen elke ochtend na het ontwa­ken de op hun nacht­kastjes klaarliggende pil waarop staat 'life', alvorens zich - net als al hun soort­genoten - in de massaliteit van huishouden en verkeer te storten.

 Pushwagner werd net als de popjongens geraakt door William Burroughs' roman The Soft Machine (1961) waarin de mensheid aan de leiband loopt van, ja wat? Het grootkapitaal ('the control­ler?'), zichzelf? Erg, maar ook om te lachen, die mas­samens. Maar wie in Pushwagners werk ontbreekt, sorry, is een personage als Crumbs alles ontwrichtende goeroe Mr. Natur­al. Morgen na 22.00 in de Avonden meer.

 

Er ist wieder da (1)

 Merkwaardig land om terug te zien na 66 jaar. Maar de Führer die in Berlijn zijn ogen opslaat is niet ontevreden al zijn er wat veel Turken en lopen overal krankzinnige oude vrouwtjes achter hondjes aan, om hun uitwerpselen in zakjes ver­zamelen.

 De vanzelfsprekendheden van Adolf Hitler en die van nu. Het puin is netjes opgeruimd. Herkend wordt hij onmiddel­lijk. En naar waarde geschat: beter dan Bruno Ganz. Zo gauw hij bij de tijd is begrijpt Hitlers Führerverstand wat hem te doen staat. Hij moet op de televisie, in het uniform dat hij sinds 1945 nog steeds aanheeft. Wel moet het gestoomd, bij een Turk, want het is wat vuil en merkwaardigerwijs doordrenkt van benzine 

 In Duitsland is Adolf Hitler blij­ven leven. Zoals de bestsel­ler Er ist da van Timur Vermes laat zien. Hitler is niet - zoals ze in de jaren '60 zongen - alive and well in Argentina maar in Duitsland. En nu op de televisie, in de show van nota bene een Duitse Turk. Dat is halverwege het boek. Ik lees verder. Nee de vertaling laat op zich wachten.

Tags: 

Ina van Zyl (2)

 Ik aarzel niet tenen zoals Ina van Zyl ze schildert tragisch te noemen. Tragische tenen.

 Ze tonen zich aan de wereld. Door de eigenares in haast nog wat gefatsoeneerd. Misschien heeft een pedicure zich er hoofdschuddend over gebogen en iets gezegd over het lopen op hakken. Vaak wijzen de tenen elk een andere kant uit. Maar toch: gloss en goud. En, het werkt. Dat is geen toeval ook. De zenuwuiteinden van de tenen, leerde ik lang geleden, liggen in de hersens vlak naast die van de geslachtsdelen, het andere grote onderwerp van Ina van Zyl.

Beide schildert ze. En altijd pars pro toto, zodat de kijker zich steeds weer moet afvragen wat de enkele voet zegt over de vrouw erboven, en wat een geslacht afzonderlijk over de bijbehorende man of vrouw. Waar bij komt dat zo'n mond - met ijsje - of lul of kut in verf een eigen leven gaat leiden.

Alsof er juist iets verborgen wordt, door het de de toeschouwer zo overplastisch onder de neus te duwen. Dat is het raadsel van de kunst van Ina van Zyl, die maakt dat ik er steeds weer naar moet kijken. Blijft de schaamte.

 

Tags: 

Ina van Zyl (1)

 Waarom is dit een van de opwindendste schilderijen die ik ken? Het gaat om Tweede Teen Vooraanzicht (2005) van Ina van Zyl.

 Nu ik volgende week bij haar op radiobezoek mag moet ik al­lereerst bij mezelf te rade gaan. Wat trekt me zo hevig aan? Allereerst de onderwerpkeus. Wie specialiseert zich in vrouwe­ntenen? Ik ken geen ander. In haar tenen-oeuvre heb je alle soor­ten, van jubeltenen - van onderaf gezien - tot misvormin­gen toe. Maar altijd zijn het kokette tenen, nagels gelakt, gevijld, beetje haaks geknipt. Niet heel jonge tenen met een vermoeide glamour. Die niet terugdeinzen voor goedkope maar sexy schoentjes, op het ordinaire af. De huid verraadt zon­nebank. En de gloss heerst. Versleten gloss. Ik krijg enorme zin ze aan te raken, wetend hoe gevoelig ze zijn. Vreemd toch, bij zo'n lichaamsuiteinde dat zoveel te verduren krijgt.

 De teen voorbij de teen. En dan de manier waarop Ina van Zyl ze in verf neerzet. En haar voorstellingen afsnijdt. Later meer.

Tags: 

Amsterdam andersom

 Kaarten van Amsterdam. De tweedelige kaartenschat van Amster­dam (1538-2012) houdt me al dagen letterlijk gevangen. Ik zit erin. Alle stadskaarten ooit. Honderden wandelingen in de geest langs wat verdween en wat nog is. 

 In deel twee komt de 19de eeuwse uitleg buiten de wallen. Wilde plannen. Zo woon ik in de hal van het Centraal Station. Als het ten­minste op de plaats was gekomen waar Van Niftrik het in 1866 gepland had. Zijn spoorweg van Utrecht naar Haar­lem liep immers niet langs het havenfront zoals nu, maar door de Pijp ongeveer langs de Ceintuurbaan. Met het Centraal Station waar nu het Sarphatipark is.

 Achter het station is een markt gedacht. Waarachtig, ook de Albert Cuyp zweefde al. En groen, veel groen dat er nooit kwam omdat de Stad de grond verkocht aan de projectontwikkelaars van toen.

Hariton Pushwag­ner (1)

 'Ausweis!' Met deze verwijzing naar de oorlog - en de Jodenjacht - werd in de jaren '70 iedere poging van de overheid een identificatieplicht in te stellen hard afgewezen. Zwartrijden in de tram hoorde tot je basisrechten. Net als anonimiteit.

 Een van de onbegrijpelijkheden van nu is dat die vrees voor privacyschending verdwenen lijkt. Weg de angst voor '1984', het Orwell-visioen waarin het individu volledig aan banden ligt. We hebben immers 'niks te verbergen'. Ons geld, onze gezondheid, al wat we doen wordt gesurveilleerd en we voelen ons er veilig bij.

 De Noorse tekenaar Hariton Pushwagner (1940) heeft het nooit opgegeven. Museum Boijmans laat vanaf zaterdag zien dat z'n satirische beeld­roman (1969-1976) 'Soft City', de prenten van 'A Day in the Life of Family Man' en de serie 'Apocalypse Frieze' niks aan ac­tualiteit hebben verloren.

 Slapen wij? In onze koopgoten? Je zou het zeggen. Het wonderbaarlijke is dat wij het volmaakt naar onze zin hebben in die blokkendozen maatschap­pij. Met de pasjes, die we zo trots meedragen in onze por­tefeuil­les.

Een Ruimtereis

Van Alida Beekhuis, uit de nalatenschap van de dichter Louis Lehmann, komen dit verhaal en deze tekening. Beide ongepubliceerd. Datering volgt, ik schat jaren ’50..

 Daar ik nu wel andere dingen aan mijn hoofd heb is het wat moeilijk mijn angst en spanning van voor de oplating na te vertellen, Maar ik verzeker u dat ze niet gering waren. Er waren wel apen met raketten van 60 mijlen in de atmospheer naar beneden komen vallen en de dokters hadden verklaard dat deze in blakende physieke wel stand verkeerden, Maar de apen hadden niet kunnen vertellen hoe hen de reis was bevallen. Ik kon me niet voorstellen dat ze het direct prettig vonden en mijn ondervindingen hebben ook uitgewezen dat het lichamelijk ongemak op vele momenten verre van gering is. Maar zoals u ziet, het is in zekere zin meegevallen. Als ik bij het begin wilde beginnen moest ik u de liefdesgeschiedenis vertellen, welks uiteindelijke onaangenaamheid mij er toe bracht mij op te geven als vrijwilliger voor het opgelaten worden in een raket, toen men meende van de apen niets meer te kunnen leren. Er plegen weinig mensen zelfmoord, wat eigenlijk wel vreemd is en ik begrijp ook van mezelf niet hoe ik tot mijn geste kwam. Met de gewone ijdelheid komt men er niet. Ik verwachtte ook eigenlijk niet dat ik aan genomen zou worden voor dit werk, als men het zo noemen mag. Maar ik kreeg een hevig officieel schrijven en werd daarna enige weken lang intensief onderzocht. Gewone medische keuring en vooral veel zogenaamd psychologische tests. In eerlijkheid moest ik bij verscheidene van deze zeggen dat ik de oplossing al kende (omdat ik ze met psychologen vrienden aan de universiteit als gezelschapsspelen had beoefend), wat de dokters in het begin zeer scheen te mishagen. Maar de wekenlange intimiteit met deze lieden bracht enige vriendschappen te weeg en na de tests vertelde een van hen mij dat ik nog vrij veel medesollicitanten had gehad, Maar vrij wel allemaal gekken. Een zelfs zozeer dat hij gezegd had dat hij solliciteerde omdat hij op zijn minst hoopte engelen te zien. Ik heb nu wel de gelegenheid om over deze opmerking na te denken. Toen mij dit verteld werd, was ik al midden in de maandenlange technische opleiding, die de tests volgde. Bij nader inzien was dit eigenlijk nog dwazer. Het was ongeveer zo dwaas als om iemand een cursus in geologie te geven voor hij begraven wordt. Dat bleek toen ik voor het eerst mijn raket te zien kreeg. Deze raketten zijn namelijk geheel op apen ingericht, dus al zou men in staat zijn het mechaniek gunstig te beïnvloeden in moeilijke ogenblikken, dan zou men toch nergens bij kunnen komen. Ik weet niet of de televisie installatie, waardoor men kon zien wat er buiten de raket gebeurde een speciale attentie voor mij was, of dat de apen die ook al voor ogen hadden.

 Mijn afscheid was tenslotte een vrij eenzame aan gelegenheid. Het moest geheim blijven. Als ik heelhuids zou zijn teruggekomen zou men een communiqué uitgeven ( dat u al in enige bladen hebt kunnen lezen). Er waren alleen technici aanwezig die nauwelijks notitie van me namen. Ze hadden het veel te druk met zenuwachtig te zijn en elkaar zenuwachtig te maken over de machinerieën. Pas toen ik helemaal opgesloten was in een hokje, dat niet veel verschilde van wat u in films over reizen naar Mars of de maan hebt gezien, alleen nauwer en minder gezellig kwam er een stem, nauwelijks verstaanbaar door de loudspeaker naast het televisiescherm, en vroeg hoe ik het maakte. Ik zei dat het best ging, vermoedend dat er wel een microfoon in de buurt zou staan. Ik vergat nog te zeggen dat ik zo vastgesnoerd was, dat ik nauwelijks mijn hoofd kon bewegen. Toen vroeg de hele zachte stem weer of ik er soms nog uit wou. Ik zei "nee ", en kreeg daarbij in mijn hoofd een van de onbenullige gedachten, die men zo vaak op moeilijke momenten heeft. In dit geval, dacht ik, dat ik haast niet durfde door complicaties te veroorzaken de technici nog nerveuzer te maken Dan ze al waren. Even later kwam er een bar lawaai door de loudspeaker en was ik erg dankbaar dat ze hem zo zacht hadden gezet. Dit prettige gevoel had ik niet lang want ik kreeg tegelijkertijd een onbeschrijflijk naar gevoel. Een snelle lift was er werkelijk niets bij. Het duurde misschien naar de klok niet lang, maar wel voor mij.

 Toen ik nu eindelijk weer enige rekenschap kon geven van wat er om me heen gebeurde, moest ik constateren dat dat niet veel was. Het televisietoestel was niet bijster interessant ingesteld. Ik zag niets dan een donkere hemel met helderder sterren dan ik gewend was. Ik had veel liever de aarde eens van deze afstand gezien en vervloekte de technici. Maar misschien had het niets anders gekund. Ik keek niet meer hard. Maar toen ik weer eens het scherm zag, verbaasde ik mij wel. Want de sterren waren zo veel groter geworden. Dit kon volgens mij niet, ook al was de raket uit de dampkring weg en ruimteschip geworden, zoals het in de verhaaltjes heet. Maar ja, ik was tenslotte de eerste die zo ver van de aarde weg was en dit zag, dus was het enigszins pedant om te beweren, dat alles anders was dan het had moeten zijn. Het gekste was nog niet gebeurd, want toen ik naar deze sterren, die steeds maar groter werden, zat te kijken, verscheen er op mijn televisiescherm een heel ander, ja, misplaatst beeld. Een wagen met twee wielen en twee paarden, waarin een vrouw met een lang gewaad aan stond. Ik dacht natuurlijk dat dit beeld als hallucinatie zou verdwijnen, Maar dat deed het niet. Het zonderlinge span bleef in het beeld, het scheen zich parallel met mijn raket en even snel te bewegen. Nu zag ik ook wat zij deed. Zij schoot een lang touw op in grote, gelijke bochten en even later zag ik ook waarom. Het was een lasso; op het televisiescherm zag ik de lus recht op mij afkomen en toen aan alle kanten tegelijk uit het beeld verdwijnen. Ik was gevangen; de raket gaf blijk niet meer regelmatig te bewegen, maar de schokken en de vertraging waren niet van dien aard dat ik me ook maar bij benadering er zo naar door voelde als door de start. Ik bleef kijken; zij begon haar lasso in te palmen en verdween toen achterwaarts uit het beeld, blijkbaar afremmend. Wat ik op het vrijgekomen scherm zag, was evenwel nauwelijks minder vreemd. Voor nog maar twee van de groot geworden sterren was plaats op het scherm en zij waren vastgehecht, of zaten in een donkere wand. Ik geloofde het eerst niet maar het werd zekerheid toen ik een deel zag van een groot luik dat in deze wand geopend werd. De vrouw op de wagen loodste mij blijkbaar daarheen. Na enige tijd zag ik de doorsnee van de wand, niet dikker dan een halve meter, tenminste bij deze opening, en een lichte, kale zaal waarin de raket zonder erge schokken stil kwam te liggen. Nu kwam er ook weer geluid door de loudspeaker. Het eerste wat ik hoorde was een mannenstem:“Wat ben je weer nieuwsgierig, Athena, had je dat ding niet gewoon terug kunnen gooien? “

 “Waarom, Apollo? “antwoordde een vrouwenstem, blijkbaar die van mijn vangster, "ga jij nu Hephaistos even halen, die kan zo’n ding open krijgen”.

 “Nogal interessant, de laatste keer dat je hem er een hebt open laten peuteren kwam er een aap uit, net als uit de mouw”.

 “Weet je geen beter mopje? Ga hem nou alsjeblieft halen, want ik heb het gevoel dat het deze keer iets bijzonders is. “

 “Vrouwelijke intuïtie”, zei Apollo smalend, maar het werd toch stil.

 Ik was dus niet minder dan bij de goden verzeild en wel bij dezelfden van wie men op school leert. Een waarschuwing tegen het onderschatten van het onderwijs. Even later hoorde ik Athena weer spreken en een andere mannenstem antwoorden. Ik hoorde enig technisch geluid aan de buitenkant van mijn vehikel en verwonderlijk snel ging het luik, waardoor ik naar binnen gekomen was open en een man met een baard en een blauwe overall keek naar binnen. " He " zei hij, "Athena, je had gelijk, er zit een mens in". Athena keek ook naar binnen en zei toen: " Kom er maar uit, je zult wel stijf zijn". " Ik zit vast", zei ik. " Hephaitos maakt je wel los". En hij deed het. Een gemoedelijk persoon, deze goddelijke monteur. Ik kroop naar buiten en stelde mij voor. Wat had ik anders moeten doen.? Ik ben niet godsdienstig opgevoed. Ik zag dat de man in de overall mank was.

 Athena nam me mee naar een zaal die er comfortabeler uitzag dan de ruimte waar de raket geplaatst was. Daar zaten nog een paar andere goden en godinnen. Ik stelde mij voor, zij niet. Dat bevreemde mij eerst, maar later begreep ik dat zij veronderstelden dat ieder mens hen wel bij name zouden kennen. Ik werd op een divan met kussens gezet en kreeg te eten en te drinken. Ik weet niet wat, maar het was bijzonder lekker en gaf me een bijzonder gevoel van fitheid, dat ik tot op de huidige dag heb gehouden. De conversatie ging overigens nogal moeizaam. Ik begon me al ongerust te maken daarover, toen er een nogal oude, forse heer met een lange baard binnen kwam. Iedereen stond haastig op, keek min of meer betrapt en begon druk te vertellen alsof zij zich wilden verontschuldigen. Ik was ook met de anderen opgestaan, de oude heer van wie zelfs ik begreep dat hij Zeus was, knikte mij minzaam toe en zei: "Zo, jonge man, ik zie dat ze je goed onthaald hebben."

 Daarna wendde hij zich tot Athena en zei: "Dochter, je hebt er goed aan gedaan hem binnen te brengen. De stervelingen zijn nu wel ver gekomen, maar het is nog niet het moment om actief tussen beide te komen. Maar aangezien we ze ook niet allemaal te pletter kunnen laten vliegen tegen het hemelgewelf, zoals met deze bijna gebeurd was, lijkt het mij het beste als we de hele zaal voorlopig wat uitbouwen. Het is wel een heel werk en vergt veel materiaal, maar Hephaistos zal het wel aankunnen. De anderen keken wat beteuterd, zij waren waarschijnlijk blij met wat afleiding. Ik werd naar mijn raket teruggeleid. Ik bedankte iedereen en kroop naar binnen. Daar zag ik dat het zwaar vastgeschroefde luik in de bodem van mijn verblijf, dat toegang gaf naar de machines, waar ik zoveel over geleerd had en niet aan mocht komen, open lag. Even later kwam het hoofd van Hephaistos er boven uit.

 “Hoe bent U daarin kunnen komen?” vroeg ik verbaasd.

 Hij lachte en zei: “Je denkt toch zeker niet dat een sterfelijk monteur een mechaniek kan verzinnen, dat ik niet direct door heb?” Ik heb daar beneden even een paar dingen versteld waardoor je heel wat comfortabeler zal worden. Goede reis”.

 Ik bedankte hem. Hij was een gemoedelijk persoon, deze godenmonteur. Ik werd door het luik in het hemelgewelf naar buiten geschoven en ik had inderdaad op mijn terugreis merkwaardig weinig ongemakken. Ik kon nadenken en verbaasde mij eerst dat de goden mij geen eed van geheimhouding hadden opgelegd of zoiets. Maar al spoedig begreep ik, dat dit onnodig was. Niemand op aarde zou me toch geloven, als ik alles vertelde. Ik heb tot nu toe steeds gezwegen, alleen moet ik steeds erg lachen als ik hoor over de theorie van het uitdijend heelal.

Tags: 

Aji V.N. (2)

 Zijn je tekeningen dromen? vroeg ik. Hij dacht na. Eenvoudige antwoorden zijn er bij hem niet.

 Nee. Wel is er in een nabijgelegen stad een tempel met een slapende god. De god slaapt op een kluwen slangen. En die god droomt. Hij droomt de wereld.

 Dus ook jou en mij en jouw werk? zeg ik. Dit vindt Aji komisch. In zekere zin. Hij vertelt over de manshoge mensachtige gestalten die hij tegenwoordig tekent. Mannen, vrouwen, jong, oud. Naakt, met wildgroeiend rastahaar dat mij doet denken aan de bossages in zijn regenwoud. Waar komen ze vandaan?

 Uit houtskool en fel pastel, op gekleurd papier, als steeds. Maar gezien heeft hij ze ook. Aan de oever van de Ganges, de bron waaruit alles groeit. Woekeringen in de geest en daarbuiten. Ze zijn hem een raadsel, deze figuren. Niet alleen ik weet niet wat ze me willen vertellen, Aji zelf ook niet.

 Daarom tekent hij ze.

Tags: 

Cornelius Quabeck (2)

 Nooit eerder was ik dit gebouw binnen geweest. Er zijn weinig plaatsten ter wereld waar beeldende kunst zo goed beveiligd wordt. Hier geen kunstroof denkbaar.

 Je komt aangefietst en stuit op een geüniformeerde bewaker die je zegt dat je ‘voor de kunst’ komt en die naar de juiste ingang verwijst. Daar binnen opnieuw een geüniformeerde die je naar een balie verwijst. Aan de beurt zeg je voor de kunstcollectie te komen. Je hebt je de dag tevoren telefonisch aangemeld, dat moet. Nu je legitimatie tonen. Dat hoort erbij. Dan naar de sluis. Telefoon, fototoestel en jas komen in een plastic bak, zelf mag je door het poortje. Maar eenmaal aan gene zijde blijkt toch dat telefoon en fototoestel in een kluisje moeten. Grappig, ook kluisjes bij de Nederlandse Bank sluiten met fietssleuteltjes met rood plastic labeltjes

 Je krijgt een pasje, zoals iedereen hier. Daarmee open je de draaideur naar de kunst. Achterin een lange gang weer een balie. Daar wordt een medewerkster van de kunst voor je gebeld. Die zie je aankomen. Je bent binnen. De ontvangst is hartelijk en deskundig. Het kost niks.

 Tevoren dus even bellen naar 020-5242183 (open alleen op werkdagen) en je opgeven. Eenmaal binnen, midden in het gebouw, oog in oog met de sluimerkunst onder Schotse plaids van Cornelius Quabeck lijkt de beveiliging opeens een logica te hebben. Alsof slaap hier zwaar bewaakt wordt.

Pagina's