Siena

 Het was een warme dag in Siena, ik was de stad uitgevlucht om koelte en kwam op een heuvel waar je uitziet op de stad bij de resten van wat oude muurtjes en een kasseienweg. Omdat ik juist een boek over de geschiedenis van de stad las ging ik me ver­beelden dat ik hier aan een oude Romeinse straatweg zat.

 Ik moet in slaap gevallen zijn. Want ik werd wakker van mar­cherende soldatenlaarzen. Een Romeins legioen op weg naar de stad?

 Toen werden de takken van de bossage opzij gerukt en verscheen een colonne van wat bleek een Zwitserse wandelclub te zijn op zware bergschoenen.

 Later die middag zag ik in het stadhuis de Allegorie van het goede en slechte bestuur van Lorenzetti uit 1337-1339), indru­kwekkend door hun hoogte en breedte. En bedacht dat onze bestuur­ders bij hun raadsvergaderingen ook wel baat zouden kunnen hebben bij vermanende kuns­twe­rken die laten zien hoe goed of slecht hun beleid kan uitpakken.

 En dat alles tegen de achtergrond van de vroegste architectuur- en landschapsschilderingen van stad en ommelanden.  

 Geschiedkundige zou ik geworden zijn om niet hier te hoeven zijn en nu. Bijvoorbeeld een inwoner van Siena omstreeks 1300, toen Ambrogio zijn fresco van de Allegorie van de effecten van goed en slecht bestuur op een stad schilderde, op de muren van de raadszaal.

Voorgoed ongeschikt

 Mijn vader had een groot respect voor het leger en unifor­men. Als hij geen leraar Duits was droeg hij liefst een uniform. Voor de oorlog werd hij officier, erna diende hij in Batavia en Semar­ang bij de politionele acties. Herhalingsoefeningen waren hoog­tepunten in zijn bestaan.

 Toen ik ging studeren kreeg hij een baan als docent aan de Militaire Academie in Breda. Een stad met vele kleermakers 'voor burger en militair'. Officieren kregen immers een toelage om hun uniform op maat te laten maken.

 Als ik een weekend thuiskwam hing de kapstok vol petten en zaten er generaals aan de jenever in de erker. Buiten liepen dienstplichtigen met hun plunjebalen naar het station. Ik had uitstel, maar hoe lang nog? Elk jaar werd ik opgeroepen voor herkeuring. Dat begon met doorlichten, 's ochtends om acht uur. Ik vroeg herkeuring aan op grond van psych­ische ongeschiktheid, S5. Dat lukte vele jaren.

 Tot ik terecht kwam bij een dienstplichtige psycholoog op een vertimmerde zolder aan de Haagse Laan Copes van Cattenburgh die me doorzag. Mijn verhaal over een vaderconflict maakte geen indruk. 'Ik zit hier ook niet voor mijn lol,' zei hij. Maar hij had wel eens een stukje van me gelezen in een studentenblad. Tenslotte kwam het bericht 'Voorgoed ongeschikt wegens gebrek­en'.

 Mijn vader zweeg.

Geborgen

 Wat is een sonnet en waarom? Soms een tas waar iets in zit. Dit sonnet van Maria Barnas komt uit het digitaal tijdschrift Neerlandistiek.nl waaruit Marc Oostendorp er 14 koos voor een bundeltje van de gedichtendienst Laurens Jansz. Coster van Raymond Noë. Dit sonnet reist per spoor: 'Bij het verlaten van de trein':

 'Een stem gonst door de trein en voorspelt

een eensluidende toekomst voor passagiers

van wie ik de naam niet ken. Waar komen ze

vandaan? Met hindernissen buiten onze schuld

 

zullen we aankomen op onze bestemming.

Wiegend in de wij-vorm delen wij een landschap

met ijle en ijlere torens richting Sloterdijk.

Tassen op schoot en rolkoffers zwenken mee.

 

In deze toekomst valt iemand op mijn schoot.

Hij blijft even zitten en kijkt in een verte. Ons

wordt geraden bij het verlaten van de trein

 

te denken aan onze eigendommen. Een holte

grijnst op de bodem van mijn tas nu ik uitstap

en ons in een zekere richting geborgen verlaat.'

Tags: 

Something useful

 Even word je er in het begin van de Turkse film Something useful van Pelin Esmer aan herinnerd dat je niet in het Westen bent. De con­ducteur sluit het gordijntje van de luxe treincoupe waarin de twee hoofdrolspeelsters - moderne vrouwen, een advocate die gedichten schrijft en een verpleegster die actrice wil worden - zitten. 

 De treinreis, de landschappen, tillen het verhaal op. Dan passeren ze tussen Istanbul en Izmir net een provin­ciaal station waar op het perron arme boeren staan te wachten. En hij legt het de vrouwen en daarmee de toeschouwer uit:: 'Jullie drinken bier en als die mensen dat zien kunnen ze met stenen gaan gooien. Laatst hebben ze nog een ruit van de trein ingegooid.'

 We zijn in het land van Erdogan. Maar niets wat we zien in de moderne plaatsen van vertrek en aankomst herinnert daar aan. De jonge verpleegster blijkt met een dodelijk middel op weg naar een verlamde intellectueel die om euthanasie gevraagd heeft. Wat in dit onderhand Islamitische land natuurlijk taboe is.  

 Zodra de verpleegster met haar nieuwe vriendin de kamer aan zee met de zieke is binnengekomen verandert alles. De dichteres en de zieke blijken allebei het werk van Julio Cortazar te kennen en ook de vaststelling dat je bij een zelfgekozen dood de bloemen op tafel nooit meer zult zien.

 De dodelijke prik wordt niet gegeven. Als de twee de volgende ochtend terugkomen uit hun hotel blijft de vraag of de patient zich die nacht heeft bedacht. Ook de titel verwijst naar de dubbele moraal die hier heerst. Dichteres of actrice moet een vrouw liever niet zijn. 

Hoe nu verder?

 Omdat ik nu al meer dan twee jaar met deze plant samenleef ben ik bij haar lot en leven betrokken geraakt. Dat ze zo hoog zou groeien heb ik - dom en kortzichtig - niet voorzien. Niet eerder had ik zo'n plant.

 Ze begon onschuldig. Laag bij de grond. Stuk voor stuk ontvouwden zich haar bladeren en ze groeide. Soms even in de richting van de zon, het raam, zodat er bochten in haar stam ontstonden, maar na wat aarzelingen toch recht omhoog. Af en toe liet ze een bruingeworden, verkreukeld blad vallen. Je kunt nog goed zien waar die zaten.

 En geleidelijk drong haar dilemma tot mij - en vast op een plantaardige manier ook tot haar - door. Het plafond! En dan?

 Ik had de indruk dat ze haar groei minderde. Ook meer bladeren liet vallen. Kan een plant pauzeren?

 Ik vroeg het aan de weinige plantkundigen die ik ken. Nee, een gat in het plafond hoorde niet tot de mogelijkheden.

 Zou het dan wat zijn om de plant halverwege de stam bruut af te zagen en te zien hoe ze daarop reageerde? Zou er een nieuwe top ontspruiten? Of zou ze sterven?

 Ik waagde het er niet op.

 Bijna raakt ze nu het plafond. Hoe zal ze reageren op die aan­raking? Nooit eerder heeft ze in haar leven iets aangeraakt.

Morgengrauen

 Zonder zacht manende moeder en de dreigende school stond ik in Amsterdam machteloos. Ik moet uitrusten van m'n jeugd, bedacht ik. Ging zo laat naar bed als mogelijk was en sliep door de wekker heen.

 Zonder het carillon van de Westertoren had ik hele dagen doorgeslapen. Colleges sloeg ik over. Kwam mijn oude droom van een wereld waarin ik nooit meer hoefde op te staan als het buiten nog donker was uit?

 Nooit meer het Morgengrauen, waarin de wereld zich op me stortte? En waarin Amsterdam niets anders was dan een rij fietsers, zes dik, op de Munt, waar vanuit een betonnen hokje op een zuil een verkeersagent ze via luidsprekers toesprak: 'Wil de dame in de groene regenjas voortaan wel rechtshouden en netjes voorsorteren.' (1962)

Poste restante Sintra

 In de tijd dat het buitenland begon bij Wuustwezel en credit­cards niet bestonden, in die tijd speelt zich 'Poste restante Sintra', het eindejaarsgeschenk van Hans Heesen af.

 Een bescheiden uitsnede uit de tijd van 'we zien wel'. Plannen maken was not done. Mijn eerste grote reis maakte ik met een meisje dat tegen foto's maken was. Je kon beter goed uit je ogen kijken, vond ze. Toch, iets van een plan is er bij Hans en zijn reis­genoot Martin, net even wat ouder dan hij, wel. Zuid-Portug­al wordt het, Sintra.

 Een citaat van F.C.Terborgh, over wie Hans een 'paper' had moeten schrijven, vergezelt ze: 'Weten wij waarnaar we zoeken? Geloven wij werkelijk het te vinden? Of is ons heimelijk bewust dat wij het essentiële, dat wat wij begeren, nooit zullen zien? Op het vertrek komt het aan, op de steeds hernieuwde poging, het opbreken het zich niet gewonnen geven.'

 Maar surprise, Terborgh blijkt in Sintra begraven te liggen, al is zijn graf onvindbaar. Ja, Terborgh was ook een pseudoniem.

 Ook Martin wil iets, een roman schrijven over John Hobhouse, de reisgezel van Lord Byron, die een reisdagboek bijhield, waarin de dichter veertien dagen in Sintra doorbrengt. Er ontvouwt zich een plan waarin Hans Martins Hobhouse wordt zoals Eckermann het was voor Goethe. Maar zelfs in Sintra kan het zo koud worden dat je de planken vloeren van een gekraakte villa moet gaan opstoken.

 Over hoe de twee verder in zeven sloten tegelijk lopen, gaat hopelijk het vervolg. Er zijn nu 100 exemplaren, later meer alsjeblieft.

Tags: 

Innere Emigration

 Als term komt het uit de Duitse Nazitijd, Maar je verstoppen voor het hier en nu is van vele tijden. Als kind probeer je het al. Je handen voor je ogen slaan. Maar of de blik naar binnen veel helpt?.

 Misschien lukt het iets op te roepen waarin ik me veiliger voel. Maar de kans dat de dreiging daarbinnen des te harder toeslaat is groot, in deze boze tijden. Allereerst moet ik 'weg van hier'. En daarmee - dat is de hoop - ook weg van mij. Maar dan?

 Maar zoals Gerard Reve zei 'moedig voorwaarts' en meteen daarna vroeg 'waarheen?'

 Weg dus. Naar Den Haag? Mijn 'weg'? Naar de jonge aanplant van zilverpopuliertjes met canvas halsbandjes tegen het omwaaien? Zie de blinkende onderkanten van de blaadjes, wapperend in de zeewind.

 Wie rondkijkt op de tv‑schermen denkt 'berg je'.

 Weg dus. Er niet zijn.

 Zoals Lambik op het briefje schreef dat hij aan zijn voordeur hing voor Jerom: 'Niet thuis uit reden van afwezigheid.'

 Ik ben er niet, nooit geweest ook.

Brief in fles

 Stel, iets gaat niet zoals je het wilde. Dan zijn er twee soor­ten mensen: zij die denken dat ze iets verkeerd hebben gedaan en zij die de wereld de schuld geven.

 Zo is het ook met brieven. Je schrijft een brief, maar de aangeschrevene - natuurlijk een vrouw - laat niets terughoren. Op Kerstavond als ik meedoe aan de voorstelling over 'Brief in flesje' van de Vorlesebühne in de Utrechtse molen De Ster meer daarover. Brieven. Nu de brieven van Bruno Schultz (1892-1942), schrijver van de magistrale 'Kaneelwinkels' er ook in vertaling zijn lees ik over de brieftwijfels van Schulz: 'Uw zwijgen doet bij mij de vraag rijzen of er niet iets zou zijn dat u mij kwaijk neemt. Ik ben mij niet bewust van enige schuld jegens u en ik heb er het raden naar waarmee ik u gegriefd zou kunnen hebben.'

 En nu het begin van een brief die ik in een fles verstuurde en die ik morgen zal voorlezen:

 'Hoe vaak heb ik niet gedacht dat je wel boos op me zou zijn en daarom niet antwoordde. Je bent een groot niet‑antwoordster. Over mijn brieven in flessen aan jou hoef ik me dus geen zorgen te maken. 'Zie je wel, ze antwoordt niet, Natuurlijk niet, had ik wel gedacht.' Of, hoopvoller: 'Dat is ook het beste. Het onzegbare blijft ongezegd.'

 Hoeveel flessen gooien wij al jaren in zee? Met daarin het ongezegde, ongeschrevene. Bedoeld voor het rijk van het ongewisse? Een dag later vond ik aan de waterlijn voor het eerst een antwoord. In de branding lag een fles. Een fles met een ziel was het. Eerst moest de fles kapot. Zoals je een envelop openscheurt, maar erger.

 De spanning steeg. Aan wie was hij gericht? Aan mij, aan wie anders. Morgen meer.

Tags: 

De boom die was gaan zitten

 'The tree that sat down' van Beverley Nichols (1949) moet vrij kort daarna vertaald zijn, want tante Ans las het me voor toen ik zelf nog niet lezen kon. Maar veel details zitten in mijn kop.

 De grootmoeder van het meisje Judy houdt een winkel in de omgevallen wilg in het bos die gewoon is doorgegroeid, en waar de dieren wonderlijke dingen kunnen kopen. Het slaapmiddeltje Slapine zit in flesjes, die ze 's nachts vult met de uitadem van slapende dieren. Ook zijn er niet meer gebruikte vogelnesten voor luie vogels. Of nieuwe pennen voor stekelvarkens.

 Maar dan komt Sam met de verleidelijke heks juffrouw Smit en die beginnen een concurrerende winkel in hun oude auto, die in de bosrand is blijven steken.

 In 'De winkel in de Ford' kun je bijvoorbeeld 'Wakkerine' kopen, wat Sam afkeek van de Slapine, en die hij verzamelt door flesjes onder de neuzen van slapende dieren te houden, maar ze dan ruw wakker te schoppen. Hun schrikadem werkt als een soort speed.

 Ik was ook erg gesteld op de familie Stinkdier bij wie tot hun verbazing nooit iemand op bezoek wilde komen. Ze gingen altijd na een paar minuten kuchend weer weg, klagend over 'de afvoer'.

 Dit uit m'n hoofd. Hoe het afloopt weet ik niet meer en het boek is onvindbaar. Ik schreef er al eens eerder over, maar het verhaal werd wakker.

Pagina's